Parlementair inburgeren.
Inburgering. In deze door Burkadiscussies beheerste verkiezingstijd een woord dat nogal eens valt. Zo vinden sommige dwazen het nuttig om tweejarigen al te onderwerpen aan de eerste taalkundige toetsen om de inburgering te bevorderen. Heeft de geachte afgevaardigde Rutte eigenlijk weleens een tweejarige van dichtbij gezien? Lijkt me niet eerlijk gezegd gezien het domheidsgehalte van het voorstel. De lieverd is natuurlijk nog vrijgezel dus het is hem nog even vergeven, maar toch.
Tja, inburgering. Dat is dus de naam van een proces dat iemand doormaakt met als doel het er voor zorgen dat hij of zij zich kan handhaven binnen de groep, in dit geval de samenleving. Een mooi doel en een interessant proces. Maar hoe zit het eigenlijk met het ‘inburgeringsniveau’ van onze parlementariërs zelf die het over dit onderwerp hebben? In hoeverre zijn zij ingeburgerd? En dan bedoel ik niet de mooie Hirsi Ali, maar dan bedoel ik al die anderen die op de een of andere manier als volksvertegenwoordiger het Binnenhof bevolken. Want ook die vrouwen en mannen moeten inburgeren, parlementair inburgeren om precies te zijn.
Sinds de LPF weten we wat voor problemen een slecht geslaagde parlementaire inburgering ons in de schoenen schuift. Parlementsleden met een verbijsterend gebrek aan begrip voor de mores die in de bankjes geldt. Afgevaardigden die soms juist niet geacht worden door een nog verbijsterender gebrek aan staatkundige kennis. En dat terwijl zij de regering geacht worden te controleren en wetsvoorstellen voor te bereiden en te bediscussiëren. Parlementaire egotrippers die een minister nog niet als minister herkennen terwijl ze met hem in debat zijn. Leden van het huis die stralen door structurele afwezigheid bij zelfs de plenaire vergaderingen. U weet wel die bijeenkomsten waar conform de fractiediscipline de dames en heren volksvertegenwoordigers zich laten reduceren tot willoos stemvee.
Nee, die inburgering in het parlement is nog niet zo simpel. Maar er is een oplossing. Al zo’n 4500 jaar (!) oud. Een discussie met een aantal mensen maakte het mij duidelijk. Het is ook zo simpel. Confusius, die oosterse wijsgeer, had het al vastgelegd en zelfs tegenwoordig is het nog van toepassing bij onze communistisch-kapitalistische vrienden in de volksrepubliek. Het examen! De toets die elke overheidsdienaar in China moest en in andere vorm nog moet ondergaan om te bezien of ze wel voldoende gestudeerd hebben op de wijsheden die de basis vormen van het openbaar bestuur dat op dat moment van kracht is.
Dát is dus de oplossing. Elke verkiesbare kandidaat volksvertegenwoordiger laten we een parlementaire inburgeringscursus doorlopen gevolgd door een parlementaire inburgeringstoets. Eindelijk een beetje kwaliteit in de bankjes en achter de interruptiemicrofoon, wát een vooruitgang! Er is natuurlijk in de tweede kamer dan wel één probleem.
Geachte afgevaardigde Donner vindt dan niemand meer om de staatkundige les te lezen.
November 2006 - © (M)alice