Cortado

2008 augustus 17
by Alice Verheij

Plotseling schrok ik wakker. Ik was even weggeweest, tenminste mijn gedachten leken weg. Op het perron voelde ik de wind langs mijn haren suizen, snel gevolgd door een gerommel op afstand dat steeds dichterbij kwam. Luttele seconden later stopte de metro met al zijn lawaai voor me. De deuren schoven open met het bekend klink-schuif-bonk geluid dat alle metro’s in de wereldsteden met elkaar gemeen lijken te hebben. Als een soort overkokende pan liep de trein leeg. De mensen waren zonder uitzondering gehaast en gericht op het eind van het perron. Alsof ze vluchtten voor een onzichtbaar gevaar liepen ze in een moordend tempo naar de tunnels die uiteindelijk vanuit deze spaanse molshoop naar de open lucht zouden leiden. Ik keek het schouwspel met verwondering aan toen ik me realiseerde dat ik in moest stappen. Net op tijd sprong ik de wagon in want ik was ampre binnen of met weer een klik-schuif-bonk knalden de deuren achter me dicht. De trein kwam direct in beweging en versnelde. Vijf haltes later zou ik op de Paseo de Gracia zijn.

De rit duurde verbazend kort. Iets wat me in metro’s altijd overkomt. Je denk dat je wel de tijd hebt maar voor je het weet ben je bij je bestemming. Onder de grond gaat reizen meestal in rechte lijnen die boven de grond niet mogelijk zijn. Tijdens de rit zat ik in de hoek van de wagon naast de ingang op de lange bank met mijn rug naar het raam. De andere passagiers observerend. Ik speelde weer het namen spelletje. Voor iedereen bedacht ik een naam die moest kloppen bij de kleding en het veronderstelde beroep van die persoon. Toen zag ik haar. Aan de andere kant van de wagon zat een jonge vrouw. Ongeveer even lang als ik maar met ravenzwart haar. Ze staarde voor zich uit, uitdrukkingsloos. Er was iets met haar, ik voelde triestheid. De ogen waren heldergroen maar omfloerst. Ik besloot niet uit te stappen op mijn beoogde bestemming maar haar te volgen. Ik wilde weten wie ze was en vooral waarom ik die triestheid voelde.

Bij Grácia stond ze op en liep naar de deuren. Ik ook. Ze was fijn gebouwd. Slank onder haar halflange jas. Netjes gekleed, dure jeans, gympen. Het haar in een staartje. De wenkbrauwen zorgvuldig geëpileerd en nauwelijks enige make up. Had ze ook overduidelijk niet nodig, ze was mooi. En verdrietig. Eenmaal uit de trein volgde ik haar op afstand in de hoop haar niet uit het oog te verliezen. Omdat ze blijkbaar niet zoveel haast had ging dat me gemakkelijk af. Bij de hekjes was ik vlak achter haar en haar ogen kruisten die van mij toen ze door het klaphekje ging. Haar blik bleef niet op mij rusten, ze liep door de trap op. Boven aan de trap op de grens met het gebeeldhouwde plaveisel van de straat bleef ze even staan. Het hoofd licht omhoog gekanteld leek het alsof ze de lucht opsnoof. Ze keek schuin naar links naar het Art Nouveau pand op de hoek maar liep toen langzaam rechtuit naar Casa Batlló, het surrealistische woonhuis van de gelijknamige familie dat door Gaudi eerder gebeeldhouwd dan gebouwd was. De balkon als onderkaken de gevel uitpuilend lieten ramen er boven zien die als grote monden de bedoeling hadden de wereld op te eten.

De vrouw sloot in de korte rij bij de kassa aan om naar binnen te gaan. Ik deed hetzelfde. Vijf minuten later stonden we in de lobby van het huis bij de kaartcontrole te kijken naar de waanzinnige schepping van de waanzinnige spaanse architect. De vrouw bleef niet staan en nam geen audiotour maar liepen rustig maar beslist het huis in. Geen kamer bekeek ze, geen moment bleef ze staan. Doelgericht liep ze de trap op en het kostte me moeite om niet op te vallen toen ik achter haar aan liep. Op de eerste etage schoot ze het smalle gangetje door en liep naar de achterkant van het huis. De terraskamer had twee pilaren dicht bij elkaar staan vóór de terrasdeur. Eigenlijk staan ze een beetje in de weg maar hebben wel het effect dat het is alsof je door een soort poort moest gaan om op het terras uit te komen. Het terras had daarom iets mystieks gekregen. Alsof het een heilige plaats was waar je eigenlijk niet zomaar ongvraagd mag zijn.

De vrouw liep ineens langzaam in gedachten verzonken, alsof ze mediteerde. Zonder op te kijken liep ze tussen de twee zuilen door. Bleef op de drempel staan, keek omhoog en sloot de ogen eventjes. Toen kantelde ze haar hoofd langzaam weer naar voren en strak kijken liep ze in een rechte lijn de terrasdeur door het licht in. In een schuine lijn liep ze over de tegeltjes naar de andere kant van het terras waar een ijzeren hekwerk staat dat sierlijk is gesmeed.

Bij het gietijzeren hek op de hoek bleef ze staan. Ze boog haar hoofd en huilde. Zachtjes zodat de omstanders het niet opviel. In haar hand had ze een stapeltje foto’s dat ze tussen het raster van het hek propte. Nog even bleef ze staan voordat ze zich omdraaide om langzaam terug te lopen naar de donkere terraskamer. Zonder me op te merken passeerde ze me op nog geen meter. Het verdriet sprak uit haar ogen maar het was stil verdriet. Alsof er iets was afgesloten. Ik schaamde me dat ik haar zo bespiedde maar het beeld van de vrouw dwong me haar te volgen. Op een eerbiedige afstand volgde ik haar de kamer weer in, de gangen van het huis door, via het trappenhuis naar de kamer met de plafondbogen. Ze bleef er even op een bankje zitten en ik besloot naar haar te gaan zitten. Stilletjes zaten we een tijdje tot ze me aankeek.

‘Why do you follow me?’
Ik voelde me betrapt en tegelijk had ze het me op een zo vriendelijke manier gevraagd dat ik niet anders dan eerlijk kon zijn.
‘Because you make me wonder. I sense sadness. I’m so sorry, I don’t want to intrude or feel you uncomfortable.’
‘I don’t mind, it’s been a strange day all along. Would you like to drink a cortado with me? I can use some company now. Since you’ve been following me a while I suppose you owe me that.’
De kracht van deze vrouw overviel me en ik bevestigde dat ik mee zou gaan. Ze intrigeerde me en haar gezelschap was niet onaangenaam. Ik voelde me wel schuldig dat ik me zo in haar leven ingedrongen had maar ze liet het blijkbaar toe en was er niet boos door.

Een half uur later zaten we op de Paseo bij Tapelia achter een cortado.
We zwegen een tijdje. Ik durfde niet als eerste wat te zeggen.
‘I had to do this you know.’
‘I don’t understand. Do what?’
‘Destroy them. The pictures. They hurt.’
‘How come?’ vroeg ik.
‘Past time, past life, past pain.’
‘I don’t understand.’
‘You’re not supposed to my dear. You’re not supposed to.’
‘I’m sorry, I don’t want to…’
‘Don’t be sorry. You’re ok. Thank you for the cortado.’
Ze glimlachte naar me, stond op en kuste me op het voorhoofd. Ze pakte haar jas en liep het restaurant uit, de hoek om. Het leven in.

Ik schrik wakker. Ik ben thuis, gewoon op mijn bed, alleen. Heb ik gedroomd? Maar die vrouw dan, de metro, Casa Batlló, het hek, de foto’s, haar lippen op mijn voorhoofd, ik heb ze gevoeld. De cortado… het is alsof ik de koffie nog proef.

Alice © 2008

No comments yet

Leave a Reply

Note: You can use basic XHTML in your comments. Your email address will never be published.

Subscribe to this comment feed via RSS