Don’t give up
Ineens kwamen ze langs en moest ik aan de brug in Budapest denken. Twee mensen dicht bij elkaar en ook ver weg. Gedeelde pijn, gedeeld verdriet. Bij de ene anders dan bij de andere maar dat telt niet. In het donker is de brug van koud staal warm. Het licht onder de lantaren maakt dat het er vreemd veilig voelt. De ijle stem van Kate Bush verwarmt ons, de gepijnigde stem van Peter Gabriël snijdt door mijn ziel.
‘I’ve changed my face, I’ve changed my name but no one wants you when you loose.’
De brug van staal, gietijzer en beton. Het houten oppervlak dek met asfalt er over heen onder de voeten geeft kracht alsof we omhoog worden geduwd. Niet omlaag, niet naar het koude water dat onder de brug stroomt. Niet daarheen, boven water blijven, letterlijk.
‘Rest your head. You worry too much. It’s gonna be alright. When times get rough, you can fall back on us. Don’t give up, please don’t give up.’
‘Got to walk out of here. I cannot take anymore. Gonna stand on that bridge, keep my eyes down below. Whatever may come and whatever may go, that river is flowing, that river is flowing.’
De troostende stem brengt verlichting als een koud washandje op het voorhoofd bij koorts. Koel en warm tegelijk, doordrenkt van liefde. Als armen om je heen die je vasthouden en niet laten gaan omdat die ander je niet wil laten gaan. Omdat die ander je beschermen zal. Er voor je is. Er voor je blijft. En toch is er die vreemde enge aantrekkingskracht van het zwarte water onder de donkere brug in de nacht. Het is maar een kleine sprong, zo gebeurt. En weg drijf je van die plek, onder ga je in de koude duisternis om nooit meer naar het licht te hoeven. Fatale aantrekking en de gedachte er aan is afschrikwekkende troost. Wat er ook gebeurt, de rivier stroomt verder. Met of zonder je.
‘Don’t give up, no reason to be ashamed. Don’t give up, you still have us. Don’t give up now. We’re proud of who you are. Don’t give up, you know it’s never been easy. Don’t give up because I believe there’s a place, there’s a place where we belong.’
Maar de gedachte verdwijnt met de twee stemmen. Een andere gedachte neemt de overhand. Niet opgeven, niet opgeven, niet opgeven want je hebt altijd ons nog. Niet opgeven want er is een plaats waar wij thuis horen. Het licht op de brug blijft warm. De lichtjes van de andere bruggen in de verte blijven hun blijdschap houden. Ze lonken. De stad lonkt, het leven, de muziek. Is het melancholie, is het de moeite van ingewikkelde levens? Is het de onmetelijke kracht in ons die ons dwingt? Zijn het de anderen, de mensen die van ons houden? Zijn het de doelen in ons leven of de idealen? Zijn het de liefde die we kunnen geven of de liefde die we zo wanhopig zoeken? Is het omdat we nog zoveel willen of is het omdat we eigenlijk helemaal niet weten wat we willen?
Het moment op de brug gaat voorbij, we wandelen de stad in om onder te duiken in de warmte van een jazzclub waar de mensen plezier hebben en we genieten zoals we kunnen genieten. Onbeperkt en aangestoken door de vrolijke mensen om ons heen en de opzwepende muziek. Clapton’s ‘Cocaine’ komt voorbij en is vreemd toepasselijk voor de gelegenheid. Een roes, gevoedt door bier en sigaretten, muziek en lachende ogen. Het leven bruist door de aderen, er wordt gedanst en we laten de stad toe in ons hart. Mét de mensen om ons heen. Even zijn we verliefd op ons zelf want wij geven niet op.
Alice © 2009
