Ineens viel het me op. Tijdens het douchen. Ik heb er niet zo op gelet het laatste jaar. Druk met andere zaken. Als ik de foto;s van mezelf nog eens bekijk tijdens mijn werk in Nepal zie ik vooral een … Continue reading
Ineens viel het me op. Tijdens het douchen. Ik heb er niet zo op gelet het laatste jaar. Druk met andere zaken. Als ik de foto;s van mezelf nog eens bekijk tijdens mijn werk in Nepal zie ik vooral een … Continue reading
Voor een optreden ergens later deze maand ben ik met de nodige tekstperimenten bezig. Oefeningetjes om een bepaald thema bij de kop c.q. het kruis te pakken, tegen het noorderlicht danwel de (zons)ondergang te houden en af te maken met … Continue reading
In de zomer van dit jaar schreef ik mijn eerste Engelstalige roman in de bergen vijfentwintig kilometer noordelijk van Kathmandu. Daar, in het kleine plaatsje Kakani van waaruit je over als slagroom soesjes op een zee van laveldel blauwe lucht drijvende witte toppen van de Himalaya uitkijkt. Na enkele weken was het boek dat zich in mijn hoofd gevormd had als manuscript klaar.
Het is maanden verder. De laatste loodjes van mijn laatste eigen redactie op het manuscript zijn zwaar. Zoals loodjes horen te zijn. Over enkele dagen vlieg ik weer naar Nepal en zal ik vanuit het vliegtuig Kakani kunnen zien liggen. Ik ga er vrienden zien en in de verloren momenten zal ik er de laatste hand leggen aan mijn eigen redactie van dit boek. Ik weet nu al dat er een paar passages ernstig veranderen. Zo moet het ook zijn. Je maakt iets tot op het punt dat je aanvankelijk denkt dat het klaar is maar dan laat je het rusten en rijpen. Na een tijdje buiten zicht gerezen te zijn blijkt het laagje deeg een luchtige volle cake geworden. En dan gaat die uit de vorm, wordt aangekleed en opgesierd. Klaar voor consumptie.
Dat aankleden en opsieren gebeurt in december. De laatste correctie door een Engelstalige redacteur ook. En wanneer dat allemaal is gebeurt wordt mijn nieuweling opgediend. In Nederland en in Nepal. Een synopsis:
Headwind, Laxmi’s Story, want zo heet ze, is een verhaal over een jonge vrouw die in haar vroege adolescentie vanuit een vluchtelingenkamp met haar familie migreert naar Nederland. In het kader van een third country resettlement programma van de Verenigde Naties. Eenmaal in Nederland begint de integratie in de Nederlandse samenleving. Een samenleving die wonderlijk is maar die met de openheid van een kind benaderd wordt. Maar ook een samenleving waarbinnen haar familie als een soort cocon in stand probeert te blijven. Laxmi verwijderd door haar jeugd en de contacten met leeftijdsgenoten zich van haar familie. Meer dan haar jongere broer met wie ze optrekt. Haar oudere broers werken vooral hard, haar ouders worstelen met hun identiteit in dit land dat niet biedt wat zij zo nodig hebben.
Voor Laxmi het Beldangi kamp in het Jhapa district in Nepal verliet had ze een vriendje: Jigme. Een mooie jongen van haar eigen leeftijd maar uit een lage kaste waar haar eigen familie in een hoge kaste leeft. Jigme werd getolereerd door haar ouders en broers en zusje. Eenmaal in Nederland echter blijkt dat Jigme naar Amerika gaat. Hij en Laxmi proberen contact te houden want de liefde is niet verdwenen. Laxmi’s ouders, vooral haar vader, willen dat er een einde komt aan de vriendschap tussen Laxmi en Jigme en vind een ander voor haar. Maar een gearrangeerd huwelijk is voor Laxmi vooral een gedwongen huwelijk en na een ruzie verlaat ze het huis en haar familie.
Enkele jaren later, Laxmi heeft dan een bloemenstalletje samen met een vriendin die ze van de inburgeringscursus kent, staat ineens Laxmi’s oom Suraj voor haar. Suraj leeft in Amerika en vraagt Laxmi haar vakantie bij zijn gezin door te brengen.
En al die tijd dat Laxmi in Nederland is denkt ze terug aan haar oude leven. Aan wat er in het kamp gebeurde, aan de mooie dingen maar ook aan de moeilijke en soms gruwelijke ervaringen uit de tijd dat ze een vluchteling was. Tot ze beseft dat de vlucht nog niet voorbij is.
Headwind, Laxmi’s Story komt in januari 2012 uit. De Nederlandse druk zal uitgegeven worden door WoordenStorm in samenwerking met de Empowerment Foundation in een beperkte oplage. De Nepalese druk wordt in Kathmandu uitgegeven later in 2012 en zal niet beschikbaar komen voor de Nederlandse markt. Het boek zal uitsluitend via internet te bestellen zijn. De opbrengsten van de verkoop van de roman komt geheel ten goede aan het werk van de Empowerment Foundation en meer speciaal aan het Headwind project dat bestaat uit de uitgifte van de roman, de productie van de documentaire film Headwind en de fototentoonstellingen. Headwind is een Empowerment Foundation project met als doel het vergroten van de bekendheid van het vluchtelingenvraagstuk van de Bhutaanse bevolking die in het begin van de negentiger jaren uit het zuiden van Bhutan is verdreven door hun koning en zijn leger.
Uitgave: 310 pagina’s middenformaat paperback met full color cover
Prijs: €18,95 inclusief BTW maar exclusief verzending
Distributie: via de auteur en de Empowerment Foundation (www.empowermentfoundation.nl)
Voorintekening: kan vanaf heden plaatsvinden door een email te sturen naar alice@empowermentfoundation.nl
The second Rabbit Hole – My room with a view.
Ray Montagne sings it in the background.
Don’t let your mind get weary and confused
Your will be still, don’t try
Don’t let your heart get heavy child
Inside you there’s a strength that liesDon’t let your soul get lonely child
It’s only time, it will go by
Don’t look for love in faces, places
It’s in you, that’s where you’ll find kindness
Don’t look for love in faces, places… I guess that’s the lesson I’ve learned. In this early morning, after a coffee and a cigarette with my roommate who lives her life as I live mine on the same floor of the old house, I watch the sun playing with shadows through the small leaves of the birch tree outside my window. And I reflect upon my life as I live in a room with a view.
Is this place a stop like just another bus stop on a long journey or is it a destination for a long time to come. I am not sure but for the first time in many years it really feels like the latter. Somehow making this room I have in this house where I live mine was the easiest thing to do. Mainly because of that sunlight and the notion that I had to move from a much larger place just a room and an annex would force me to go to my core. Leave troubles and non essential goods behind. And I did. This place has everything I value when it comes to matter in it. I don’t need anything else. When I go back to the old place and see all the things there I realize that I don’t really need anything of it. I still have a month to empty that left over of past times and the longer it takes the lesser I want to bring anything from there to here.
Opposite me on the chaise longue, my cat lies snoring quietly. Melancholic music fills the room matching the exact mood I am in. My thoughts go back through the past ten years that were for a large part dominated by loss. Loss of both my parents, loss of a marriage and family life, loss of a fully functional body, loss of money, wealth and so many things not important. Sure, there was gain too. Gain in becoming who I am today, gain in enjoying matching physical and mental identities and gain of creativity to an extend that I had never imagined. I’ve become the artist I wanted to be without knowing it. And in my mind I add it all up with an outcome that feels good. Later this morning, the first summer weekend in the fall, I will go wandering the streets of the city, visit a second hand shop and go to the palace garden with a book and some music as my company. I know already that it is going to be a beautiful day. Maybe one of the best in this city so far. So I wander to the kitchen, make some sandwiches, give the cat some food and go. At least now there’s a place to come back to that feels safe… my new rabbit hole, my room with a view.
Alice © 2011
Almost every morning around seven he comes to my room. Sometimes he doesn’t have to because I am already up and writing at the terrace behind the kitchen. But most of the days he climbs the few stairs, knocks on the door announced breakfast with the very same sentence: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. I am his only guest for most of the days, you see. The few times I was up earlier usually had to do with other guests being present. Nepali’s tend to wake up around five and start a noise morning ritual, especially when they are in a group.
Like little chubby penguins they invade the ladies bathroom and start washing themselves taking no notice of the fact that this other strange guest in the room next door is still trying to get some sleep. With total disregard for the ungodly hour, they chatter like the Nordic birds making more and more noise by the minute. After half an hour the penguins have made a complete mess of the bathroom with water everywhere on the floor, bits of soap laying around and penguin hair in the outlet of the shower making me skipping my morning shower and having a quick wash instead. There’s no one there to smell me anyway. These are the days that this rather nice place turns into what it sometimes also is: some sort of group accommodation for any group that is prepared to pay the (low) price to stay, sleep, dismantle the bathroom and eat here.
But in this time of the year, such groups are seldom here leaving me as the only guest. Thank Buddha or any other holy creature for that. And some mornings I just can’t get myself to go out and write before seven. Thing is I am always awake before six thirty and when I don’t feel getting up I just lay there dozing away. And then, just before seven as regular as clockwork I hear his footsteps on the stairs. With a pause when he crosses the little platform in between the first and second part of the stairs. Then there’s the knock. Well, actually three knocks. Not very quick but in rhythm that proves that the man is not in a hurry. Like one knock per second. Knock… knock… knock. Sometimes my door is already open and I am just resting on the bed, sometimes I am in the adjacent bathroom that I have for myself and sometimes the door is still closed and I am still in a near sleep.
Then that same sentence comes out in a way that I can’t really copy as it sounds very much like a Chinese in a kids cartoon: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. There are days when I hear the other two sentences two announcing ‘lunch’ and ‘dinnu’. Except for the breakfast and on days the cook gets enthusiastic, the announced meals are generally the same with rice and daal, some veggies and water, tea or instant coffee. Meager but solid meals that the people seem to like so much that they eat it every day. Not that they couldn’t cook anything different but they simply don’t. Blackfust on the other hand is a daily surprise. An occasional pancake or toast with jam and a boiled egg or fried eggs and a bowl of some sort of soup made of a combination of tomatoes, chilly and beans with some chunks of potatoes in it. Not exactly my cup of early morning soup but I’ll endure it anyhow. On other days there might very well be some bread. That is, hollow pieces of backed dough that have a vague resemblance with what I would think that a croissant might be. The tea however is of unprecedented taste. Especially when the man makes milk-tea and not black tea. For whatever reason the milk teas come with ginger or cardamom making them very tasty and the black tea usually is cooked too short to capture the taste of the tealeaves, so the superfluous amount of sugar prevails making that more like cups of sugar-water. No surprise that I prefer the milk tea.
I’ve began to like the blackfusts, sitting in the shadow with some light food overlooking the valley and in this monsoon season seeing only the tops of the mountains to the north making them look like floating white islands in a sea of light hazy blue skies. As if they were mirages and not mountains or distant thugs of war on a great sea. The blackfust marks the most productive part of my days. Here I am a morning-writer and not a night-writer, what I used to be. The morning mind still being fresh makes me write different and without any hinder from distracting thoughts. It allows me to be emotional while writing the emotional passages and strong when writing the strong passages. Writing here seems not difficult at all as the place and my mindset give me over a chapter a day making me wonder what would happen if I would be here not for a month but for a year. Somehow inspiration seems to be all around in an unprecedented sort of simplicity.
I am learning the sounds of the animals, the cry of the mountain eagle, the beo in the trees behind the dormitory, the crickets of which some are as big as seven centimeters and sitting as still as a statue. The dogs that come bye every now are quiet and I got to like the black one that although she looks awful has befriended me on the first day and follows me around wherever I go when she sees me. Oh, and the hundreds of little birds with nice colors and sounds in an endless variety from squeaks and whistles to short songs and bird rhymes. I like them most as I like the mosquitos the least. The little devils that seem to be able to enter my bedroom in numbers that are always bigger than my ability to squash them with the carton of the big map that I have with me, leaving me every morning with yet another four or five traces of mosquito bites on my arms and legs or more awkward places. The worst is that they prevent me from sleeping naked as I don’t want to be a to obvious target for them. It’s strange loosing habits here.
All in all, I love this place with it’s people, except for the penguins that is, the sounds of the animals, the simplicity of life here, the mountain views and the starry nights showing more stars than I have ever seen in my life and with Kathmandu laying in the valley in between the hills in the south. The big, noisy and stinking city with it’s mysteries, beauty and the filth and lack of compassion for the poor. But from a distance compiled of little white dots that shine in the sun during daytime while in the night being a compilation of blinking silver and golden lights like an army of fireflies waiting before the great battle with the dawn. That is, until blackfust is leaddy again.
Alice © 2011
In het zuidoosten van Nepal, in de in deze tijd van het jaar zinderende laagvlakte van de Terai, staat een boerenhuis. Het is een huis op palen waar boven geslapen en beneden op de deel geleefd wordt. Er omheen palmen met kokosnoten en andere vruchten, bananen en mangobomen, een maïsveld en graanvelden. Naast het huis staat een simpele half open schuur met een os en een melkkoe, een geit en op het erf een paar kippen, een haan, een paar handenvol kuikens en een groepje eenden. Langs de weg de waterput waar je vers grondwater naar boven kunt halen dat niet vervuild is. Gewoon even filteren en dan kan je het opdrinken. Onder het dak van de deel hangen touwen gespannen waarover heen tientallen maïskolven hangen te drogen. Stoelen zijn er niet, wel lage krukjes en matjes zodat je eigenlijk zo goed of helemaal als op de grond zit. Een tafel is dan niet nodig wat het leven eerder gemakkelijker maakt dan ingewikkelder. Tafeldekken is op deze plek iets wat de mensen niet begrijpen.
De zon komt ‘s morgen om een uurtje of vijf op en gaat ‘s avonds rond zeven uur onder, het land binnen een uur tijd in absolute duisternis hullend. Het heeft tot gevolg dat de mensen het ritme van de afwisseling van licht en donker automatisch volgen. Na zonsondergang lang opblijven is zinloos want elektriciteit, wie heeft zoiets nu eigenlijk nodig, is er vaak niet en blijven liggen lang na zonsopgang is zinloos als je alleen ligt. Het leven op de boerderij verloopt in een ritme dat zich volledig verhoudt met het ritme van de omgeving. Zelfs de onstuitbare onweersbuien die van de vanuit de bergen met grote regelmaat het einde van weer een hete dag inluiden en gedurende de nacht het land geselen met harde regen, verstoren dat levensritme niet. Wassen doe je in een washok vanuit een teil water dat je net daarvoor uit de put naar boven gehaald hebt. Het toilet is een aanpalend hok met een gat in de grond dat in een gierput uitkomt die soms geleegd wordt.
Eten is iets dat je hier doet omdat eten bij het leven hoort. Het is niet een sociale gebeurtenis maar een noodzakelijkheid. Het maal is schaars een eenzijdig maar het went vanzelf na een tijd. De dagen worden doorgebracht met werken op het land, naar het dichtst bij zijnde stadje lopen dat op een uur loopafstand ligt en het met elkaar de tijd verpozen. Die wandeling naar de stad wordt soms vervangen door een fietstochtje van twintig minuten maar dat je dan wel de mogelijkheid ontneemt tussen de rijstvelden met reigers door te wandelen. Haast is hier zo volslagen overbodig dat die wandeling het gemakkelijk van de snellere fietstocht wint zolang je niet al teveel boodschappen hoeft te sjouwen. Het stadje is overigens van een rommeligheid die je al snel weer naar de rust van de boerderij doet verlangen. Wanneer je vanuit de kleine slaapkamer op de woonetage naar buiten kijkt gaat je blik tussen de hoge kale stammen van de palmen door om zich te vestigen op een tweetal vergelijkbare boerderijen even verderop. Loop je de weg voor het huis af de flauwe bocht door dan kom je bij de grote stenen bank die een ontmoetingsplaats is en waarboven een notenboom staat die harde noten produceert die eenmaal gebroken een romige vulling met een vage smaak van perziken hebben. De noten worden als medicijn gebruikt en staan bol van de vitaminen. Ze zijn ook nog eens bijzonder lekker. Net als de kleine bananen met zoveel meer smaak dan de melige exemplaren die in westerse supermarkten worden verkocht.
Het zal niet verbazen dat het leven op de boerderij met al zijn eenvoud heerlijk is. Je zult maar schrijver zijn en de gelegenheid zijn om een tijd op deze plek je te kunnen terugtrekken. Een meer inspirerende en tegelijk rustige plaats om te schrijven is nauwelijks voor te stellen. Eigenlijk is de boerderij als een eiland van rust en op eilanden wil iedereen wel een tijdje verblijven. Mijn boerderij staat in Damak dorp, een verzameling boerderijen, een buurtschap eigenlijk, dat even buiten Damak stad ligt. Ze wordt bewoond door een familie die bestaat uit de vader en moeder, drie dochters en twee zoons. Een familie die als vanzelf alles delen met wie er bij hun leeft, zonder vragen, zonder iets retour te verwachten. Met een gastvrijheid die alleen arme mensen kennen. Maar of ze echt arm zijn is voor mij de vraag want de rijkdom van hun bestaan is niet te vinden in geld of spullen maar in het leven zelf.
En de boerderij? De boerderij is een plaats waar ik met heel veel warmte aan terug denk. Het is een plaats waar ik weet dat ik altijd welkom ben. Zonder vragen maar met een allervriendelijkste lach van de familie voor een goede vriendin. Het is een plaats waar ik stilletjes verliefd op ben geworden.
Alice © 2011
On the left of me the orange moon looks down at me while I drive through the night with a speed of some sixty kilometers per hour. In a luxurious but rattling, shaking and most of all cramped bus. I don’t smell the sweat of the people around me. Probably due to the fact that the smell of the country has blended with my own sweat produced during the sweltering hot day.
The ride takes some six hours to our destination and will bring us to a small village in between the Jhapa district and Kathmandu along the Mahendra Highway. Somewhere in the front of the bus where I presume the driver to be located sounds a radio with a mixture of old style western disco music and Nepali Hindu music. Everything around me sounds alien so I don’t have to make an effort of trying to understand anything. Every now and then I stick my head out of the window to feel the wind blowing through my hair and to smell the country. Burned coal accompanied by the smell of rice and lentils, sometimes alternating with the smell of flowers. Sweet and spicy. Along the road small wooden shops with happy colored little lights show themselves in a permanent invitation to the travelers that pass them. At this hour everyone seems to be prepared to sell some food and water. Or a telephone card.
When we are still some hours away from our destination the bus stops for a while at a small stand where they sell watermelons. A quick calculation tells me that the stacks of melons count up to some fifteen hundred of them. Each as tasty as the other, refreshing, sweet, watery. One smaller stack is placed separately and after inquiring why we learn that this is a local variety that is tastier than the others. We have one cut into parts that we can eat. And so in the middle of a warm Terai night I eat the sweetest and tastiest watermelon I have ever had. After the stop the bus continues and brings us to our destination at the end of the following morning. To attend a wedding after a strange but enjoyable night ride.
Alice © 2011
Het zal 2013 geweest zijn. Mijn vader was in dienst van de overheid. Hij zat in het leger zoals veel van de mannen uit onze stad in het leger werkten. Harderwijk was immers een stad geworden en aan de rand lagen legerplaatsen. Landmacht. Vierentwintig was ik, mijn studie was nog niet afgerond. Politicologie aan de UvA in Amsterdam deed ik en ik had het er naar mijn zin, hoewel de laatste jaren de stad zoveel truttiger was geworden.
Het was begonnen met een verbod op het dragen van hoofddoekjes omdat sommigen dat een religieus kledingstuk noemden. En dat mocht niet meer. Gevolg van de politiek van de vazallen van de koning. De nieuwe koning want de oude koningin was teruggetreden. Het verschil tussen de oude koningin en de nieuwe koning was al snel duidelijk. Nederland werd vooral Holland en alles wat niet Holland was telde automatisch minder mee. Friesland, Groningen, Drente, Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg, het waren allemaal achtergestelde gebieden terwijl toch juist daar het meeste voedsel geproduceerd werd. De provincies waren rijker geworden en hadden vastgehouden aan hun cultuur en taal. Het was zelfs weer in de mode geraakt om traditionele kleding te dragen die honderd jaar eerder gewoon was daar. De Hollanders vonden het maar niets.
De randstad werd afgeschaft door de koning en Noord Holland en Zuid Holland werden samen met Flevoland, Utrecht en Zeeland samengevoegd tot ‘Holland’. Dat het historisch niet allemaal klopte maakte niet zoveel uit. Het ging er om dat er Holland was en de rest van het land. Holland en Niet-Holland. Niet lang daarna werden de ‘dialecten’ zoals onze eigen taalvarianten genoemd werden afgeschaft. Op de scholen werd alleen nog maar Hollands gesproken. Nog weer later mochten we ook de traditionele kleding niet meer dragen, te beginnen met het hoofddoekje dat sinds een aantal jaren weer in de mode was gekomen. De stadse kleding uit Holland werd verplicht gesteld. Er kwamen schooluniformen op de scholen en er werd op gelet dat we ons niet anders kleedden. Bij overtredingen kregen we eerst waarschuwingen en toen boetes. En toen dat niet hielp werden we soms opgepakt. Het werd gevaarlijk om naar Amsterdam en Den Haag en Rotterdam te gaan en traditionele kleding te dragen. Achterhoeks, Fries of Limburgs praten konden we beter ook maar niet doen.
Sommigen van ons pikten het niet dat we zo achtergesteld werden en zochten hun heil over de grens in Duitsland en zelfs België dat de kant van Frankrijk had gekozen en ingelijfd was bij het machtige land. Vlaanderen was Frans geworden en veel Vlamingen waren naar Holland gegaan. Ik denk dat de koning en zijn vazallen geschrokken waren van wat er in het zuiden was gebeurt. Misschien ook dat dat de reden was achter de onderdrukking van alles wat ons in het oosten en zuiden eigen was. In de jaren na 2011 was het allemaal erger geworden. De wet werd gewijzigd en gemengde huwelijken werden niet meer toegestaan. Trouwde je met een niet Hollandse dan werd haar en je latere kinderen het paspoort afgenomen. Ze waren geen Hollanders meer.
In 2012 werd de naam Nederland afgeschat ten gunste van de naam Holland, ondanks hevige protesten in het oosten en zuiden. En toen begon het pas echt. De kledingopstanden werden onderdrukt en sommigen vluchtten weg. Toen enkelen velen werden pakte de regering onder leiding van de koning dat aan als reden om het leger de steden en dorpen in het noorden en oosten in te sturen op zoek naar mensen van ons die getrouwd waren met niet Hollanders. Langzaam maar zeker verdwenen steeds meer vrienden en familie naar het oosten. De grens over. Er kwamen verhalen dat het leger en de politie soms mensen documenten liet tekenen dat ze afstand deden van hun staatsburgerschap en het land vrijwillig zouden verlaten. Naar Duitsland. In oktober 2012 ontstond zo het eerst vluchtelingenkamp, net over de Rijn bij Keulen. ‘s Nachts waren een paar honderd mensen door het leger de grens over gezet en richting Keulen gejaagd.
Vanaf dat najaar in 2012 tot eind 2013 vluchtten er steeds meer mensen de grenzen met Duitsland en Belgisch Frankrijk over. Frankrijk had door de economische crisis geen geld om de stroom mensen op te kunnen vangen en dus werd iedereen die naar het zuiden ging opgejaagd richting Duitsland. Na twee jaar leefden we met wel vier miljoen mensen in grote vluchtelingenkampen langs de grote rivieren in Duitsland en op de hoogvlakte van de Ardennen, zuid oostelijk van Keulen.
En in 2013 was ons gezin aan de beurt. We hadden het zien aankomen. Mijn ouders bleven in het land want die waren te oud om een bedreiging te zijn voor de Hollanders. Maar ik en mijn broers en zussen, we waren met vijf, waren jong genoeg om te vertrekken. Zelf moest ik vluchten achtervolgd door de politie want ik had pamfletten uitgedeeld op de UvA en later op de VU. Ze waren het te weten gekomen en al snel hadden ze achterhaald dat ik er achter zat samen met nog twee studenten. In de nacht zijn we de grens over getrokken en naar kamp Vogelensang gegaan in de Eiffel. Het was een lastige tocht want overal in wat vroeger Nederland was werd gecontroleerd en omdat alle auto’s voorzien waren van apparatuur om die te volgen moesten we op de fiets gaan. De hele nacht zijn we door gefietst om uiteindelijk voormalig België in te trekken. Twee dagen later waren we opgepakt en naar Vogelensang gebracht. We waren er in ieder geval veilig en buiten bereik van de Hollanders.
Het is nu twaalf jaar later, de koning regeert nog steeds met harde hand en een flink deel van het oosten en zuiden is ontvolkt. Er was ‘ruimte’ nodig en de Hollandse cultuur mocht niet ten onder gaan. ‘Eén land, één volk’ werd het beleid genoemd. Iedereen moest Hollander zijn en taal en gewoonten uit de grote steden aannemen. Degenen die het niet deden werden onderdrukt, gevangen genomen, mishandeld, verkracht en soms vermoord. De totale bevolking was afgenomen tot veertien miljoen. De rest was niet Hollands naar de mening van de koning en de regering en het land uit gedreven. En de koning en de regering konden ongestoord hun gang gaan. Andere landen hadden soms wel kritiek maar er werd niet ingegrepen. Sinds aardolie minder gebruikt werd en er veel meer aardgas in het land was aangetroffen was er belang bij om Holland te vriend te houden. Energie was immers van groot economisch belang.
Duitsland was verarmd en dus werd geprobeerd om ons weer naar Holland terug te krijgen maar de Hollanders weigerden die ‘Duitser’ en ‘Fransen’ zoals we genoemd werden terug te nemen. We werden terroristen en criminelen genoemd. Bij de laatste volkstelling werd ook iedere niet Hollandse vrouw en de kinderen van die vrouw niet meegeteld als burger. Sterker nog, ze kregen de notitie ‘illegaal’. En zo leven we nu dus alweer twaalf jaar in de kampen. Zonder toekomst, zonder paspoort op een plek waar geen werk is en met net voldoende eten om te leven. Simpele houten huisjes in lange rijen op plekken waar ontbost is en de grond soms in modderstromen de heuvels af schuift of langs de rivieren die tegenwoordig sneller overstromen. Het leven is keihard in de kampen.
Vorig jaar is na tien jaar bedelen door de Verenigde Naties China als machtigste land ter wereld er toe over gegaan om mensen uit de kampen naar China te laten komen. In totaal nemen ze driekwart van onze mensen op en geven die een Chinees paspoort. Ik en mijn twee broers die in dit kamp leven zijn binnenkort aan de beurt om naar het noorden van China te reizen. Via Peking richting de grens met Mongolië waar we in de steden en dorpen een nieuwe toekomst krijgen. De eerste introductietrainingen hebben we al gehad en vooral de jongste kinderen die kunnen beseffen wat er gebeurt vinden het spannend. Er leven een flink aan kinderen in de kampen die hier geboren zijn. Maar we gaan niet allemaal naar China. Om redenen die ik niet zo goed begrijp moet mijn oudste zus naar Indonesië en mag mijn jongste broer helemaal niet weg.
Maar ik mag over twee maanden weg. Met een vliegtuig van Frankfurt naar Peking en dan met bussen naar het noorden. Ik ben blij dat ik kan gaan hoewel ik liever in Nederland wat nu Holland wordt genoemd zou zijn. Ik ben er immers geboren. Maar we mogen het land niet meer in en Duitsland heeft ook niets gedaan gekregen bij het buurland. Wel achttien keer hebben ze overleg gehad over de situatie en de Duitsers zijn boos geworden op de Hollanders die blijven weigeren ons terug te laten keren. Dus ga ik naar China. En ik ben er blij om maar ik ben ook bang. Bang dat ik de taal nooit leer. Bang dat ook daar weer buren zijn die ons niet willen. Bang dat ik geen werk vinden kan of alleen heel slecht betaald en zwaar werk. Bang dat zelfs mijn kind weinig mogelijkheden zal krijgen op een goed bestaan. Toch blijf ik hopen dat het goed gaat.
Mijn ouders heb ik al jaren niet meer gezien, ik spreek ze weleens over de telefoon als ze een keer naar engeland zijn gereisd en van daaruit met me kunnen bellen. Maar alleen de stem en het gezicht krijg ik te zien, aanraken kan ik ze niet. Elke keer dat ik ze op het computerscherm zie zijn ze weer ouder en versletener geworden. Mama is ziek sinds een tijdje en het breekt mijn hart dat ik niet naar haar toe mag om haar te verzorgen. Mijn vaders ogen staan nog altijd strijdbaar maar ook somber als ik hem zie op het scherm.
Alice © 2011
Naschrift: het bovenstaande verhaal verwoord vrij exact de gebeurtenissen in Zuid Bhutan in de periode vanaf 1985. Kantelen we de landkaart 90 graden en verplaatsen we ons naar de zuidelijk Himalaya dan is dit wat er gebeurt is. In alle absurditeit is dit ook wat de internationale gemeenschap laat gebeuren. De vluchtelingen zijn de slachtoffers er van. Een ieder die denkt dat een hoofddoekjesverbod terecht, begrijpelijk en niet ernstig is, zou zich beter eens verdiepen in de geschiedenis van Bhutan. Want het is onder andere zoiets banaals als kleding waarmee onderdrukking zich uit. Grofweg een derde van de bevolking van Bhutan kan daar, helaas, over meepraten.
People walking in prayers round the Boudhanath stupa in Kathmandu.
The big white stupa just around the corner smiles in the bright sun while somewhere in the background the monks sing their seemingly eternal mantras. The strangeness of the location and the assembly of dislocated people make it easy for me to blend in. It feels like fading away in a life I have always wanted but were unaware it existed. The nightly cold and early morning wake up call by the horns and drums of the monks in the monastery next door somehow makes my senses alert in way not experienced before. Even my skin feels different.
At the small table just behind me sits a woman from a country I haven’t been able to find out and on the other table behind me is an young man, I suppose he’s American. The three young kids, one boy and two girls sitting at the long table just underneath Mark Twain’s quote obviously know each other for some time. The probably work here as a teacher or in some health care project.
My eyes travel along the bookshelves and find Women’s Wisdom just alongside Dan Brown and a book about the problems of Islam in between LeCarré and Ludlum. Oh, and some Boeddhist books on the other end of the top shelf. The lady behind me answers her phone. It’s a Nokia, as the ringtone tells me. She’s talking Italian. On the lower part of the stupa small children sit and enjoy the warmth of the sun. The monks are still singing their mantra which I somehow don’t hear consciously. I suppose that’s how it’s supposed to work, slowly settling the sounds and words in my brain. Funny enough I feels like I can understand the words although I really don’t. But no, I do. I do understand.
The joy of locking out the world, easing the mind, soothing the soul is so tremendous that I understand how it can easily be addictive. If one is receptive for it. Funny how the tourists and the dogs seem to be the only ones walking counterclockwise around the stupa. The coffee latte tastes just like home. Home not only is far away, it also feels like that. Looking out the small barred windows I see the little Tibetan women with their colorful striped skirts slowly walking in the crowded but not very noisy street. Maybe I’ll join them, looking for the young Lama Dorji who I met two days ago at the temple near the stupa. His eyes are joyful and curious. I like that and maybe we’ll have another chat. Or maybe I’ll just sit in the sun on the roof. Silent. Listening. I guess no one will see the water behind my eyes.
Jus like any Saturday at the Saturday Café in Boudhanath, the other strange birds behind me are scribbling along or clicking away on their little laptops. Throwing thoughts into another world. Just like me.
Alice © 2010
Vanmiddag ontmoette ik op mijn vaste plek in het winkelcentrum tussen de boodschappen van de Appie en de Aldi Robert Kreis. Aan de Mondriaan-bar achter een omeletje terwijl ik genoot van een cortado met Coebergh.
Ik kan U zeggen, es war mir wirklich ein vergnügen. Er zijn van die momenten dat ik me eerder te jong dan te oud voel. De man heeft Marlene Dietrich nog gezien en gesproken. En Edith Piaf en al die groten die voor mij staan voor een tijd waarin cabaret nog cabaret was en geen scherprechtende beschadigende podiumkunst.
Meneer Kreis, hij is wat ouder dan ik, is zo innemend en zoveel artiest dat tijd en woorden tekort schieten. Met alle intensiteit die te bedenken is ontspon zich een gesprek over Dietrich en Willem Nijholt die ik zo bewonder. Over theater Pepijn en over hoe een grammofoonplatenwisselaar werkt. Over hoe hij schreef voor tante Lien en al die anderen. Over het Berlijn waar ik niet heen durf te gaan omdat ik het graf van Dietrich niet met droge ogen zou kunnen bekijken. Het plezier gonsde zo sterk rond ons dat alles voor even om me heen verdween in een uurtje van bevestiging van liefde voor een kunstvorm die nu zo schaars nog te beleven is. Over het art-deco theater in Berlijn waar hij optreedt. Of ik langs wil komen. Nou reken maar. We spraken over mooie mensen, vrouwen met mooie ogen, artiesten die de harten in gekropen zijn en soms zo tragisch hun eigen leven leden.
Ik kreeg een foto mee die me nu al dierbaar is. Rechtstreeks gekaapt uit dat bijna verdwenen verleden van het Berlijnse cabaret dat ook een tijdje in Nederland zich heeft laten zien. Een man met een hoed, tegenwoordig zouden we het uiterlijk als queer betitelen. Er zijn te weinig mannen die weten wat een Borsalino is en cabaretiers van het grote gebaar kennen we nog nauwelijks. De kans is groot dat ik over een tijdje met Robert Kreis een glas hef, ergens in zijn huis in mijn stad Den Haag. En ik kan U verzekeren, dat zal dan een groot genoegen zijn. En heel misschien komt er dat moment dat het me gegeven wordt om met deze cabaretier die in een uurtje in Mondriaan mijn hart stal een roos te leggen bij het graf van de grote Marlene Dietrich om daarna het glas te heffen. Er is weinig dat zo mooi kan zijn als dat kleine grote gebaar in het besef dat zelfs in deze tijd er altijd nog een paar mensen zijn die begrijpen wat het is om het leven te vieren.
Kijk hier eens: http://www.robert-kreis.com
Alice © 2010
Achter mijn huis is een groot plat dak. Het zal zeker vijftig vierkante meter beslaan en het ligt op gelijke hoogte met mijn balkon. In de zomer zou het bruikbaar kunnen zijn als zonneterras of zo. Nu is het één van die weinige sneeuwvlakten in de stad die nog geheel onaangeroerd haar maagdelijkheid tentoonspreid. Geen verschil tussen verse sneeuw en die er al dagen ligt. Als je heel goed kijkt zijn er de afdrukken te zien van de pootjes van een paar katten. Niet die van mij want die houdt niet van de koude en blijft liever op de hoek van mijn bed tussen de gordijnen door naar dat dak kijken. Uren lang. Naar vogeltjes.
Op een paar plaatsen kan je, als je nog beter kijkt, ook de afdrukken van de pootjes van vogels zien en soms een wat onduidelijk sleepspoor dat meer ruimte vraagt.
Ik kijk net als mijn poes graag naar dat dak. Sinds twee dagen wordt het oppervlak gedeeld én bevochten door een rode kater die in permanente staat van staakt het vuren leeft met mijn poes, een duif die single is en twee eksters die met elkaar spelen. Het kleine grut van kleumende mussen tel ik niet mee. De meest intrigerende bewoners zijn toch wel die zwart-witte geestverwanten van kraaien. Ze zijn een brutaal duo en ze houden van plagen zo te zien. In dit jaargetijde immers houden vogels zich vooral bezig met een algehele winterdufheid en een doorlopende jacht op voedsel. Zo niet deze twee.
Kijk, daar komt hij (hij is de grootste van het stel) met een glijvlucht naar de rand van het dak. Amper twee seconden later is de ander er in een poging op precies dezelfde plek te landen, een sleepspoor in de sneeuw achterlatend wanneer de uitgespreide staart aan het eind van de glijvlucht wat losse sneeuw doen opstuiven zonder die te raken. Aangekomen op de bestemming vliegt de eerste op om op een tak te gaan zitten kijken. Nummer twee vliegt op naar de tak met als gevolg weer een glijvlucht van de eerste naar een ander deel van het dak. De rituele dans herhaalt zich nu al meer dan een uur voor mijn ogen. Het is het spel van elkaar aantrekkende en afstotende geliefden. Zo te zien zijn ze al lang een stelletje, eksters zijn dat levenslang en kunnen wel dertig jaar worden. De zwarte vogels met de helder witte tekening en brutale houding komen al een tijd op dit dak. Ik begin ze te kennen. Andere vogels (mits kleiner) worden getolereerd als vluchtelingen door mensen. Grotere, zoals de meeuwen die hier vlak bij zee zo vaak pogen neer te strijken, worden van het dak verjaagd. Het koppel verdedigd haar territorium. Komt de kat in de buurt dan laten ze die even schrikken om zich snel uit de voeten te maken. Ongrijpbaar voor de snelle maar toch altijd net te trage indringer.
Zo af en toe merkt één van de twee iets op en gaat op een metertje afstand er van zitten om met kleine sprongetjes en gespreide vleugels zijwaarts steeds dichterbij te komen. Totdat de lust gewekt is of niet. In het eerste geval wordt de schat gepakt en meegenomen, in het andere verdwijnt de interesse. Tenminste, zo vergaat het in de maanden voor het nestelen. In deze tijd is de interesse beperkt tot voedsel vinden en spelen. Eksters zijn van die vogels die je niet hoeft te voeren, ze vinden altijd genoeg. ‘Een vliegende kraai vangt altijd wat’ gaat immers in letterlijke zin ook voor de ekster op. Het duo op mijn dak is een krachtig stel dat het territorium beheert en bewaakt gedurende een groot deel van het jaar. Ik kan me natuurlijk vergissen maar het lijkt wel of ik ze elke maand wel een paar keer zie hier.
Nog steeds gaat het spel tussen de twee mooie vogels door. Elkaar achtervolgend en plagend. Heel af en toe zitten ze even bij elkaar, om te genieten van elkaars gezelschap wellicht. Door mijn hoofd speelt dat oude volksgeloof dat deze vogels allerlei kwade eigenschappen toedicht. Misschien omdat ze door hun soms agressieve gedrag wanneer ze kleintjes hebben zo op ons lijken? Maar ik denk, nu ik deze twee zie spelen, ook aan dat ene hoopvolle bijgeloof: één ekster brengt je onheil, twee brengen je geluk. Gisteren zag is ze voor het eerst deze maand en stilletjes hoop ik ze nog heel lang samen te zien.
Alice © 2010

foto: Lucas – ik met de proefdruk van mijn debuutroman.
Duizend is een getal als alle andere. Het is een aanduiding voor het gebied dat zich ergens tussen de negenhonderdnegenennegentig en de duizendeen bevindt en als enige in dat gebied een geheel getal is. Ongebroken maar wel deelbaar. De aard van het getal is speciaal omdat zo goed als de gehele mensheid het leven georganiseerd heeft in machten van tien. Wetenschap, economie, tijd, de machten van tien beheersen ons leven als niets anders ter wereld. We denken ermee, praten volgens de lijnen van die getallen en leiden ons leven langs de macht van het getal. Kinderen gebruiken duizend en miljoen om iets aan te duiden dat groot is, of veel. Iets wat zo groot is dat je er niet echt bij kunt.
Vandaag schrijf ik mijn duizendste tekst op deze plek. Soms waren het korte teksten, soms niet meer dan een verwijzing naar iets wat ik de moeite van het vermelden waard vond. Iets wat ik niet verwacht had te bereiken hier. Ik begon dit schrijfproject, want dat is het, om verschillende redenen. Om mijn leven van me af te schrijven, als permanente therapie. Maar ook om me te uiten op een andere manier dan ik in mijn vorige leven gedaan heb.
Deze plek van duizend verhalen heeft me veel opgeleverd. Het heeft me vriendschappen gebracht en zelfs liefdes. Schrijven hier heeft me ook veel gekost in termen van tijd en inzet maar het heeft me ook veel opgeleverd. De balans is positief ondanks dat soms een vriendschap wellicht teloor ging als gevolg van het geschrevene, iets wat bijna elke schrijver wel eens heeft meegemaakt. Ik heb geleerd te schrijven als dagelijkse arbeid en in alle eerlijkheid weet ik niet hoeveel gedichten er hier door me gepubliceerd zijn, of liedjes, verhalen en columns. De vergaarbak is met duizend teksten te groot geworden om even snel iets in te kunnen vinden zonder zoeksysteem, sleutelwoorden of zonder zelf te weten wat ik ooit schreef. Zonder dit schrijfproject zou ik nooit romans geschreven hebben, nooit gedurfd hebben er een uit te geven, nooit literaire salons georganiseerd hebben, nooit op het podium hebben gestaan, nooit die mooie mensen hebben leren kennen die nu deel van mijn bestaan zijn en zelfs nooit de liefdes hebben gekend die mijn deel waren en soms nog zijn.
Mijn Writers Block is het tegendeel van wat de naam suggereert. Het is een neurotische dwarsdoorsnede van mijn oeuvre dat in de afgelopen vierenhalf jaar is ontstaan. Het is de bron van mijn huidige schrijfwerk en in zekere zin een bron van mijn bestaan. Die dwarsdoorsnede van mijn schrijfwerk is dus ook een dwarsdoorsnede van mijn leven of zelfs van mij. Lees je mijn teksten, dan ken je mij. Misschien niet helemaal maar dan zeker voor een flink deel. Want er is weinig – hoe persoonlijk ook – dat hier niet passeerde in woorden.
In de loop van de jaren ben ik gaan ondervinden dat anderen hier komen om te lezen. De meesten zullen nooit melden wat ze vinden van mijn teksten. Enkelen doen dat echter wel, ze reageren hier of mailen me en dat is altijd boeiend. Zelfs bij negatieve reacties is dat zo, hoewel ik me gelukkig prijs dat ze een kleine minderheid vormen. Mijn duizendste tekst hier schrijf ik vooral voor wie het leest en voor diegene(n) die ik lief heb en natuurlijk past eigenlijk alleen een gedicht.
Duizend teksten geef ik je
een miljoen woorden zelfs misschien.
Duizend verhalen, gedichten,
liedjes en denkbeelden om te zien.
Duizend tekens van mijn liefde
soms blij, soms boos of verdrietig.
Duizend emoties en gedachten
al die woorden maken me nietig.
Want ik ben het niet die hier schrijft,
het is mijn hart dat liefde bedrijft.
Voor wie dit leest en zich verbonden met me weet, ik hou van jou.
Voor mijn taal: ik hou van je en uitgeschreven ben ik nog lang niet.
Alice © 2010
Ik kijk regelmatig naar wat oudere films. Afgelopen nacht was dat ‘Dog Day Afternoon’ uit 1975 met Al Pacino in de hoofdrol. Ik heb altijd al een zwak gehad voor deze acteur die, omdat hij volgens ‘de methode’ werkt, met hart en ziel in zijn rol duikt. Hij is zijn rol. In Dog Day Afternoon is er nog een extra laag omdat de film gebaseerd is op de werkelijkheid en die is weer gevoed doordat in die werkelijkheid de hoofdpersoon de dag voor wat er gebeurde naar ‘The Godfather’ had gekeken en daardoor het idee kreeg om de volgende dag een bank te beroven. Pacino die een bankovervaller inspireert wiens rol hij vervolgens drie jaar later speelt. De werkelijkheid is soms een film.
Een synopsis van de werkelijkheid:
John Wojtowicz, een in zijn buurt populaire biseksuele man en Vietnam veteraan, was (in tegenstelling tot in de film) al een tijdje gescheiden toen hij Elizabeth Eden ontmoette. Liz Eden was een transseksuele vrouw die geld nodig had om een operatie te ondergaan. Ze waren in 1971 getrouwd maar omdat Lix nog niet geopereerd was, was het huwelijk nog niet legaal (het same sex marriage bestond immers nog niet). Omdat ze beiden geen geld hadden en in Brooklyn levend ook geen kans hadden dat bij elkaar te schrapen zocht John een uitweg. Op 21 augustus 1972 keek hij naar ‘The Godfather’ met Al Pacino in de hoofdrol wat hem op het idee bracht om een bank te beroven de volgende dag.

Links de werkelijkheid, rechts de film.
Op 22 augustus stapten John, Salvatore Naturile (een boefje van amper achttien jaar) de Chase Manhattan bank op de hoek van East Third Street en Avenue P in Gravesend, Brooklyn binnen. Hun maat Robert Westenberg (niet de Broadway acteur) was door een politieauto geschrokken en had zich al uit de voeten gemaakt voordat de overval begon. Veertien uur hielden ze het personeel gegijzeld, John was baliemedewerker bij een bank geweest en wist hoe het er aan toe ging maar werd toch verrast door de aanwezigheid van politie even later. Heel veel politie. Omstanders hadden niet al teveel op met al die politie en kozen de kant van de bankrovers. Het geheel werd een media event.
De afloop was in werkelijkheid precies zoals in de film te zien is. Na veertien uur krijgen ze de auto met vrijgeleide om naar JFK (het vliegveld) te rijden. Op het tarmac van JFK eindigt het verhaal. De FBI agent die de auto bestuurde weet een pistool dat in zijn autostoel verborgen zat te pakken en dat door John over het hoofd was gezien toen hij de auto vluchtig inspecteerde. Sal(vatore) werd zittend tussen de gegijzelden in door het hoofd geschoten en John gaf zich over. Hij kon niet anders.
De film zelf is in veel details een getrouwe weergave van die werkelijkheid van de 22e augustus 1972 en dat is eigenlijk verrassend. Verrassend omdat de film gebaseerd is op een script dat gebaseerd is op een verhaal in ‘Life’ dat weer vooral aan de hand van getuigenverklaringen is geschreven. John, in de film Sonny Wortzik, was in de film nog getrouwd in plaats van gescheiden. Salvatore, Sal in de film, was slechts achttien en niet in de dertig zoals acteur John Cazale toen was. Wat wel klopte was dat Sal ook in werkelijkheid een onzekere labiele jongen was die na jaren van ‘heropvoeding’ rondzwierf en van tevoren tegen zijn maten had gezegd liever dood te gaan dan in de gevangenis te belanden. Of, zoals de film suggereert, John/Sonny dat ook aan de politie verteld had waardoor die er voor kozen om deze jonge knul neer te schieten, zal een raadsel blijven. Het geld dat de jonge Sal uit de overval hoopte te krijgen kwam er niet en zijn jongere zusjes zouden niet bij de pleegouders weggaan.

John en Elizabeth tijdens hun huwelijk een paar maanden voor de overval.
De Liz uit het verhaal kreeg haar geslachtsverandering, betaald met het geld ($7500) dat John voor de filmrechten kreeg. Ze stierf aan de gevolgen van AIDS een jaar nadat John vrij kwam. John kreeg twintig jaar waarvan hij er veertien uitzat. Hij overleed in 2006 aan kanker, levend van de bijstand. De gegijzelden hebben later allerlei getuigenissen van die veertien uur in de bank afgelegd waarbij opvalt dat ze zich regelmatig rot gelachen moeten hebben tussen alle spanning door. Al Pacino heeft geen oscar voor de rol gekregen, die hij speelde vlak na de slopende opnames van ‘Godfather 2′. Onterecht, want de manier waarop hij de jonge bankovervaller neerzette is magistraal. Achtentwintig jaar later is alles geschiedenis, zelfs de film.
Alice © 2010