‘Ik kwam laatst mijn vader tegen.’

de-dikke-van-dale.jpg

Een gesprek dat nooit heeft plaatsgevonden.

’t Was een lome zaterdag. Zo’n dag in het late voorjaar die je vooral aan de zomer doet denken. Ik had niets omhanden. Ik was alleen, geen drukte van kinderen om me heen. Heerlijk om zo zonder doel, zonder wil en zonder last van tijd wat te slenteren door de mooie oude stad. Het strijklicht over de oude bakstenen in al hun schakeringen in de muren van de huizen geboetseerd bleef me boeien. Het stralende wit van de pas gelakte kozijnen en de voorname hoge ramen met fraaie omlijsting, de oude gebeeldhouwde deuren, vaak dubbel uitgevoerd, met het eerlijke koperbeslag. Vandaag kon het me allemaal bekoren. Het was net of de kasseien op de straten en pleinen alleen voor mij gemaakt waren. Het klonk zo lekker om er over te lopen, de houten hakken lieten zich horen op deze vroege morgen.

De warmte liet zich al voelen door mijn kleren heen. Het was pas april en toch voelde het net of de zon mij wilde strelen. De winkels gingen net open en langzaam kwamen er meer mensen op straat. Sommigen gehaast op weg naar de supermarkt of misschien gewoon de bakker of naar een vriend of minnaar. Anderen in alle rust slenterend net als ik. Ieder op zijn of haar eigen tempo en vreemd genoeg allemaal passend in het warrige ritme van de ontwakende stad. De oude kerk met haar vierkante en stevige toren, de geweldige zijbeuken en hoge muren keek minzaam omlaag naar het gewoel van de mensen beneden, voor de zoveelste dag in haar lange leven. Om half tien liet de bassende kerkklok zich horen. Een paar kinderen joelden naar elkaar, ze hadden plezier. Een jong stelletje liep gearmd langs de winkels om bij elke kledingzaak even te blijven staan en vrolijk goed of juist afkeurend tegen elkaar te fluisteren. ‘Vindt je dat mooi?’ ‘Nee joh, veel te rood voor mij lieverd.’ Na een kwartiertje trof ik mezelf aan onder de gietijzeren bogen van de oude markthal achter de kerk. De hoge donkere bogen droegen een houten dak dat ooit wit was maar nu wat vale vlekken en regensporen vertoonde. Het bouwwerk stond er wat verloren bij, de oude functie was vervallen en de nieuwe bestond uit niet meer dan het tonen van hoe het vroeger was. Ik denk dat mijn ouders er nog wel marktkooplui onder hadden zien handelen in hun jeugd als ze in deze stad hadden gewoond. Maar nee, ze kwamen uit een vissersdorp dat in hun jonge jaren al door de aangrenzende stad was opgeslokt. Daar zal vast ook wel zo’n oude markthal hebben gestaan bedacht ik me maar een concrete plek kon ik me niet herinneren.

Ik wandelde wat verder en liep langs een paar winkels met winkelruiten die met de bocht van de straat meebogen. Mooi grote en voorname ramen met er achter vooral boeken en in één winkeltje zilveren sieraden. In de hoek van de etalage van de sieradenwinkel zag ik het in een oogopslag liggen. Ovaal en van donker goud. Achttien karaats denk ik en versierd met uitbundig filigrein over de bolle binnenkant. Het was er maar eentje en er was een klein gouden ringetje aan gesoldeerd, waarschijnlijk om er voor te zorgen dat ie als hanger kon worden gedragen. Niet origineel meer dus maar onmiskenbaar uit het geboortedorp van mijn ouders. Een klein prijskaartje aan een dun draadje vermeldde ‘€750’. Zo duur waren die dingen dus al tegenwoordig. Misschien weet de handelaar niet eens wat het is. ’t Glom prachtig in zijn voornaamheid en toch mistte het iets. Het hadden er natuurlijk twee moeten zijn. Twee ‘boeken’ op een zilveren ‘ijzer’ bedoeld om de kanten kap over te spannen. Oud klederdrachtsieraad, incompleet en eenzaam. Een beetje misplaats in dit zilverwinkeltje. Maar toch van een mystieke schoonheid. Het bracht herinneringen terug aan mijn moeder die nu zo oud was en net zo eenzaam en misplaatst als het gehalveerde sierraad. Mensen zijn soms net sierraden bedacht ik me. Als ze oud zijn worden ze in een hoekje weggelegd om er af en toe naar te kijken. Snel schudde ik de gedachte van me af, het was geen dag voor schuldgevoel. Het was eigenlijk gewoon koffietijd en in mij riep iets dat het hoog tijd was om een rustig café te zoeken om maar eens te genieten van een goede warme kop cappuccino. Zou ik er appelgebak bij nemen? Natuurlijk. Het duurde niet lang of ik vond een ongetwijfeld zeer oud etablissement dat me wel beviel. Mooi pand, gezellig interieur, geen truttige kleedjes op tafel maar ook niet te trendy. Het was aangenaam warm binnen. Langs de muren boekenkasten en allerlei dingen die een aangename huiselijkheid uitstraalden. Ik slenterde langs de lange toog en koos een tafeltje uit waar ik met mijn rug naar de muur kon zitten en de zaak goed kon overzien. Niks fijner dan mensen kijken. Het jonge meisje kwam al snel naar me toe met haar nu nog schone witte lange schort voor.
‘Wat mag het zijn mevrouw?’
‘Cappuccino graag. En een appelpunt.’
‘Komt er aan. Slagroom er op?’
‘Nee hoor.’
Ze trippelde vlot weg en ging aan de slag met het grote glimmende koffieapparaat. Ik bladerde zonder gedachten door de krant die op tafel lag maar legde die ook snel weer weg. Slecht nieuws allemaal en politiek en lange ingewikkelde verhalen. Niet geschikt voor zo’n mooie zaterdagochtend. De zon scheen buiten uitbundig en maakte de stad vrolijk. Na een paar minuten kwam het meisje met de koffie en het appelgebak. Lekker warm gemaakt. Ik pakte het boek uit mijn tas dat ik had meegenomen om uit te lezen en raakte al snel geboeid in het verhaal. De belevenissen van de vrouw van de zeeman en de manier waarop dat was beschreven spraken me aan. Ik verdween steeds verder in haar leven.

Ik weet niet waar het door kwam maar op een onbepaald moment keek ik op en zag een oude man binnenkomen. Hij zei niets, keek even om zich heen, en liep toen traag door. Ik verstarde. Dit kon niet waar zijn, dit soort dingen gebeurt niet echt. Bedriegen mijn ogen me? Maar de man liep gedecideerd door en op twee tafeltjes afstand keek hij me recht in de ogen, weemoedig. Ik kon mijn ogen niet van zijn ogen losmaken en na drie stappen stond hij bij mijn tafeltje. Het zonlicht achter hem benadrukte zijn silhouet. Hij was het, ik herkende hem uit duizenden. Zonder aarzeling en zonder te vragen ging hij op de stoel tegen over me zitten. Zijn jas legde hij over de nog vrij stoel op de mijne.
‘Ik mag hier vast wel zitten toch? Mevrouw?’
Ik kon niets zeggen, mijn kaken kwamen niet in beweging, mijn tong bleef op zijn plek.
‘Ken je me dan niet?’ vroeg hij.
‘Jawel, maar dit kan toch helemaal niet? Je bent toch al lang overleden?’
‘Dat is zo, maar dat wil niet zeggen dat ik toch graag nog met je wil praten.’
‘Zeg me dat… dat mijn ogen me bedriegen, dat je het niet bent, dat je niet hier bent…’
De tranen stonden in mijn ogen inmiddels en ik voelde me wee worden.
‘Je ogen zijn prima en ik ben het wel, je vader. En ik ben ook hier, nu, met jou aan deze tafel. Om met je te praten want dat wou je toch zo graag?’
Ik voelde de tranen in mijn ooghoeken zich opdringen maar kon me inhouden. Ik was duizelig.
‘Neem nou eerst je koffie eens en eet van je gebak. Straks is het koud en anders eet ik het op. Hoewel… er zit geen slagroom op.’
‘Ja pa, als je het maar laat hoor. Laat je wel vaker mensen zo schrikken?’
‘Welnee, dit is speciaal voor jou. Jij wilde dit en ik vindt het hoognodig om je de mogelijkheid te geven met me te praten waar we het vroeger om de een of andere reden ooit over konden hebben. Het is goed.’
‘Was je niet verbaasd me te zien? Hoe herkende je me? De meeste mensen van vroeger herkennen me echt niet hoor.’
‘Ik ben je vader, weet je nog? Natuurlijk herken ik je. En ja, ik was wel verbaasd een vrouw te zien, hoewel ik natuurlijk van de verandering weet. Het gaat je goed zo te zien want je ogen stralen iets uit wat ik vroeger nooit zag. Of ik moet het gemist hebben.’
‘Je hebt veel gemist denk ik. Dat is geen verwijt hoor, je moest immers voor je gezin zorgen.’
‘Toch had ik er moeten zijn om je te helpen toen het nodig was. Hoewel ik niet geweten zou hebben wat te doen. Een vader wil zijn kinderen toch gelukkig zien. Het doet pijn achteraf te weten dat je dat nooit helemaal was.’
‘Het was de tijd, pa. Het zou toen toch niet gekund hebben, een zoon die dochter wordt. Hoe had dat gelegen in de buurt en op school, wat had je de collega’s op het werk moeten vertellen? Nee het had te moeilijk geweest.’
‘Toch is het jammer, je bent een leuke vrouw om te zien. Zitten de mannen niet achter je aan?’
‘Doe niet zo gek zeg! Ik ben vijfenveertig hoor, de meeste kerels zoeken het jonger. Dat weet je best. Maar ik voel me wel heerlijk natuurlijk.’
‘Heb je geen spijt dat het zolang heeft moeten duren dan voordat dit kon?’
‘Soms wel.’
‘Niet altijd? Je hebt zoveel gemist, zoveel moeilijkheden gehad.’
‘Nee spijt heb ik zelden. Ik hou niet van omkijken. Nieuwe dingen vindt ik belangrijker. Wat achter me ligt kan ik toch niks meer aan veranderen. Vandaag en morgen, dat kan ik zelf bepalen.’
‘Ik geloof je niet helemaal, dame.’
‘Nou ja als het vijfentwintig of dertig jaar eerder was gebeurt had ik het wel beter gehad natuurlijk. Het had het misschien gemakkelijker gemaakt. Maar misschien ook niet hoor. Weet jij veel hoe de mensen toen gereageerd zouden hebben? Misschien was ik nog wel veel meer getreiterd.’
‘Ik denk het wel. Er kon niet zoveel in die tijd. Trouwens ik denk dat ik niet geweten zou hebben wat ik met de situatie moest aanvangen. Ik was nooit zo goed in die dingen. Je moeder was daar beter in.’
‘Misschien ook wel niet. Het is nu immers ook ontzettend moeilijk voor haar.’
‘Maar hoe is het je nu vergaan in die paar jaar? Is het niet ontzettend moeilijk om dit te doen?’
‘Klinkt gek misschien, maar eigenlijk niet dus. Het is voor mij een vorm van thuiskomen in mijn eigen lichaam, mijn wezen. Ik had nooit verwacht dat het zo vertrouwd zou voelen. Maar dat kan je jezelf vast niet voorstellen.’
‘Ach weet je, daarboven maakt het niet uit of je man of vrouw bent. Het is er wat raar geregeld maar om de een of andere reden bestaat het onderscheid niet meer.’
‘Hoe is het daar dan? Is het mooi? Ken je iedereen en is alles goed?’
‘Daar mag ik niets over zeggen. Je komt er wel achter als het jouw tijd is.’
Er viel een vreemde stilte, alsof de tijd even een pauze nam.
‘Koffie misschien?’
‘Dat heb ik niet meer nodig. En roken ook niet meer trouwens. Wel een wat drastische manier om er vanaf te komen, maar het heeft wel gewerkt.’
‘Ja, het kwam wel als een donderslag zeg. We wisten wel dat het niet goed zat maar dit heeft niemand aan zien komen.’
‘Ik ook niet. Het was zover voordat ik er erg in had.’
‘Het was wreed, vooral voor de kleine meid.’
‘Ja ik weet het en dat heb ik heel erg gevonden. Maar ook dat heeft een reden hoor. Ze komt er wel achter als ze opgroeit. Je hebt trouwens mooie kinderen. Ik mis ze soms wel en dan neem ik even een kijkje.’
‘Dat meen je niet, kan zoiets dan?’
‘Jawel maar ik mag er niet over praten. Het zou jullie levens veranderen.’
‘O.’
‘Zul je op ze letten? Op iedereen? Ze hebben je allemaal nodig weet je.’
‘Maar natuurlijk. Ik kan toch niet zonder ze? Maar waarom vraag je dat?’
‘Geen vraag. Het is een opdracht van je vader.’
‘…’
‘Het is nog wel een vreemde aanblik om je zo te zien.’
‘Ja, het is wennen hé?’
‘Het past bij je, je bent veel echter nu, die vreemde laag die je om je heen had is er niet meer. Het is wel goed zo denk ik.’
‘Meen je dat? Ik was toch je zoon waar je zo trots op was.’
‘Ik ben nog steeds trots.’
‘Echt?’
‘Als je het maar uit je hoofd laat ooit terug te veranderen.’
‘Pa, dat kan niet meer. Al zou ik het willen. Sommige dingen zijn onomkeerbaar, dat moet jij toch zeker weten.’

‘Mevrouw, wilt u nog een kopje koffie misschien?’
Het meisje keek me vragend aan met haar bruine ogen.
‘Uh ja. Ja, geef er nog maar eentje.’
In verwarring keek ik om me heen. De stoel voor me was leeg. Er lag geen jas meer over mijn jas op de stoel naast me. Was ik ingedommeld door het zonnetje dat naar binnen scheen en me loom maakte? Hé, wat kan dit weer gekke dingen met je doen. Ik voelde me nog steeds een beetje duizelig en keek op mijn horloge. Het was al bijna half twaalf, ik zat hier dus al ruim een uur. Dat kan toch niet zo lang? Nou ja, nog even een bakkie en dan snel naar buiten. Een frisse neus zal me goed doen. Zomaar indommelen in een café…

‘Alstublieft mevrouw, uw koffie.’ Op kopje stond “Café Gijs” en ik moest glimlachen.
‘Mag ik zo de rekening van je?’
‘O, maar die heeft die meneer daarnet al betaald hoor. Ik moest u nog zeggen dat het wel goed was.’

Januari 2007 – © (M)alice

3 thoughts on “‘Ik kwam laatst mijn vader tegen.’

  1. Beste Alice
    Het thema is leuk, de uitvoering vind ik minder. Dat komt door het volgende: je hebt veel te veel tijd genomen om de omgeving te beschrijven zoals de huizen in de oude stad, de dingetjes die je ziet. Het is niet spannend want je beschrijft de dingen zoals iedereen ze ziet . Ik scan er als lezer direct overheen en neem ze niet serieus in me op. De dialoog is heel persoonlijk, bevat juist weer allerlei elementen die alleen interssant zijn voor degene die ze zelf heeft meegemaakt, of voor iemand die net zoiets heeft beleefd. De algemene inleiding en de persoonlijke dialoog horen als het ware niet bij elkaar. Probeer dit verhaal eens in een half A4 te schrijven, en maak het vervolgens spannend met meer onverwachte gebeurtenissen. EDUARD

  2. Thanks Ida.

    Zelf vindt ik nog wat spanning missen. Op sommige punten is het wat veilig en voorspelbaar. Misschien moet ik conflict inbouwen.

    In mijn hoofd is een geheel zwart toneel met op de achtergrond vage projectie van lichtbeelden en geluiden van de ontwakende stad.
    De binnenkomst in het café geeft een scenewisseling en er staan dan slechts een tafeltje en drie caféstoeltjes. Hier op de achtergrond de geluiden van het langzaam drukker wordende café (geroezemoes, glazen en kopjesgerinkel, een espressoapparaat).
    Het stuk eindigt met slechts het geluid van iemand die een café verlaat en de inmiddels drukke stad in gaat.

    Het is een solovoorstelling denk ik met de vader als voice-over (of iemand onzichtbaar in de achtergrond) en alleen zijn jas die over de stoel ligt als teken van zijn aanwezigheid. De hoofdrolspeelster is alleen en slechts de serverster laat zich een tweetal keren zien.

    Het kan natuurlijk ook anders maar ik heb een heleboel beelden hierbij.

  3. hee, alice, mooi gegeven, we kunnen er zeker iets mee!!
    ik krijg er mooie beelden bij!!

Reacties zijn gesloten.