Cortado

Een al ouder verhaal bewerkt en verbeterd.

Een cortado (van het Spaanse cortar, bekend als ‘Tallat’ in het Catalaans en ‘Pingo’ of ‘Garoto’ in het Portugees) is een espresso ‘versneden’ met een klein beetje warme melk om de zuurgraad te verminderen. De verhouding melk:koffie ligt tussen 1:1 tot 1:2 en de melk wordt toegevoegd als de espresso is geschonken. De gestoomde melk heeft niet veel schuim maar veel baristas maken een beetje micro schuim om latte art te maken. Een cortado wordt vaak geserveerd in een speciaal glas met een metalen ring als basis en een metalen handvat.

Plotseling schrok ik wakker. Ik was even weggeweest, tenminste mijn gedachten waren dat. Op het perron voelde ik de wind langs mijn haren suizen, snel gevolgd door een gerommel op afstand dat steeds dichterbij kwam. Luttele seconden later stopte de metro met al zijn lawaai voor me. De deuren schoven open met het bekend klink-schuif-bonk geluid dat alle metro’s in de wereldsteden met elkaar gemeen lijken te hebben. Als een soort overkokende pan liep de trein leeg. De mensen waren zonder uitzondering gehaast en gericht op het eind van het perron. Alsof ze vluchtten voor een onzichtbaar gevaar liepen ze in een moordend tempo naar de tunnels die uiteindelijk vanuit deze spaanse molshoop naar de open lucht zouden leiden. Ik keek het schouwspel met verwondering aan toen ik me realiseerde dat ik in moest stappen. Net op tijd sprong ik de wagon in want ik was amper binnen of met weer een klik-schuif-bonk knalden de deuren achter me dicht. De trein kwam direct in beweging en versnelde. Vijf haltes later zou ik op de Paseo de Gracia zijn.

De rit duurde verbazend kort. Iets wat me in metro’s altijd overkomt. Je denk dat je wel de tijd hebt maar voor je het weet ben je bij je bestemming. Onder de grond gaat reizen meestal in de rechte lijnen die boven de grond niet meer mogelijk zijn. Tijdens de rit zat ik in de hoek van de wagon naast de ingang op de lange bank met mijn rug naar het raam. Zoals meestal de andere passagiers observerend. Ik speelde weer mijn namen spelletje. Voor iedereen bedacht ik een naam die moest kloppen bij de kleding en het veronderstelde beroep van die persoon en toen zag ik haar. Aan de andere kant van de wagon. Ze was een jonge vrouw. Ongeveer even lang als ik maar met ravenzwart haar, donkere wenkbrauwen en vreemd groene ogen. Ze staarde voor zich uit, uitdrukkingsloos. Er was iets met haar, ik voelde triestheid. De ogen waren helder maar toch omfloerst alsof er een mist omheen hing. Ik besloot niet uit te stappen op mijn beoogde bestemming maar haar te volgen. Mijn nieuwsgierigheid maakte dat ik wilde weten wie ze was en vooral waarom ik die triestheid voelde.

Bij Grácia stond ze op en liep naar de deuren. Ik ook. Ze was fijn gebouwd. Slank onder haar halflange jas. Netjes gekleed, dure jeans, gympen. Het haar in een staartje. De wenkbrauwen zorgvuldig geëpileerd en nauwelijks enige make up. Dat had ze ook overduidelijk niet nodig want ze was van nature mooi zoals veel Spaanse vrouwen. Eenmaal uit de trein volgde ik haar op afstand in de hoop haar niet uit het oog te verliezen. Omdat ze blijkbaar niet zoveel haast had ging me dat gemakkelijk af. Bij de hekjes was ik tot vlak achter haar gekomen en haar ogen kruisten die van mij toen ze door het klaphekje ging maar haar blik bleef niet op mij rusten en oogcontact kwam niet tot stand. Ze liep door de trap op waarna ze boven aan de trap op de grens met het gebeeldhouwde plaveisel van de straat even bleef staan. Het hoofd licht omhoog gekanteld leek het alsof ze de lucht opsnoof. Ik verminderde mijn tempo en keek naar de art nouveau patronen in de straatstenen boven. Ze keek schielijk schuin naar links waar een prachtig Art Nouveau pand op de hoek was maar liep toen langzaam rechtuit in de richting van Casa Batlló, het surrealistische woonhuis van de gelijknamige familie dat door Gaudi eerder gebeeldhouwd dan gebouwd was. De balkons die als monsterlijke onderkaken de gevel uitpuilden lieten ramen er boven zien die als grote monden de bedoeling leken te hebben de wereld op te eten.

De vrouw sloot in de korte rij bij de kassa aan om naar binnen te gaan. Ik deed hetzelfde. Vijf minuten later stonden we in de lobby van het huis bij de kaartcontrole te kijken naar de waanzinnige schepping van de wellicht waanzinnige Spaanse architect. Ze bleef niet staan en nam geen audiotour maar liep rustig en beslist het huis in. Geen kamer bekeek ze, geen moment bleef ze staan. Doelgericht liep ze de trap op en het kostte me moeite om niet op te vallen toen ik achter haar aan liep. Op de eerste etage schoot ze het smalle gangetje door en liep naar de achterkant van het huis. De terraskamer had twee pilaren dicht bij elkaar staan vóór de terrasdeur. Eigenlijk staan ze een beetje in de weg maar hebben wel het effect dat het is alsof je door een soort poort moest gaan om op het terras uit te komen. Het terras had daarom iets mystieks gekregen. Alsof het een heilige plaats was waar je eigenlijk niet zomaar ongvraagd mag zijn.

De vrouw liep ineens langzaam in gedachten verzonken, alsof ze mediteerde. Zonder op te kijken liep ze tussen de twee zuilen door. Bleef op de drempel staan, keek omhoog en sloot de ogen eventjes. Toen kantelde ze haar hoofd langzaam weer naar voren en strak kijkend liep ze in een rechte lijn de terrasdeur door het licht in. In een schuine lijn liep ze over de tegeltjes naar de andere kant van het terras waar een ijzeren hekwerk staat dat sierlijk is gesmeed.

Bij het gietijzeren hek op de hoek bleef ze staan. Ze boog haar hoofd en huilde. Zachtjes zodat de omstanders het niet opviel. In haar hand had ze een stapeltje foto’s dat ze tussen het raster van het hek propte. Nog even bleef ze staan voordat ze zich omdraaide om langzaam terug te lopen naar de donkere terraskamer. Zonder me op te merken passeerde ze me op nog geen meter. Het verdriet sprak uit haar ogen maar het was stil verdriet. Alsof er iets was afgesloten. Ik schaamde me dat ik haar zo bespiedde maar het beeld van de vrouw dwong me haar niet los te laten. Op een eerbiedige afstand volgde ik haar de kamer weer in, de gangen van het huis door, via het trappenhuis naar de kamer met de plafondbogen. Ze bleef er even op een bankje zitten en ik besloot naar haar te gaan zitten. Stilletjes zaten we een tijdje tot ze me aankeek.

‘Why do you follow me?’
Ik voelde me betrapt en tegelijk had ze het me op een zo vriendelijke manier gevraagd dat ik niet anders dan eerlijk kon zijn.
‘Because you make me wonder. I sense sadness. I’m so sorry, I don’t want to intrude or make you feel uncomfortable.’
‘I don’t mind, it’s been a strange day all along. Would you like to drink a cortado with me? I can use some company now. Since you’ve been following me a while I suppose you owe me that.’

De kracht van deze vrouw overviel me en ik bevestigde dat ik mee zou gaan. Ze intrigeerde me en haar gezelschap was niet onaangenaam. Ik voelde me wel schuldig dat ik me zo in haar leven ingedrongen had maar ze liet het blijkbaar toe en was er niet boos door.

Een kwartier later zaten we op de Paseo bij Tapelia achter een cortado. We zwegen een tijdje. Ik durfde niet als eerste wat te zeggen.
‘I had to do this you know.’
‘I don’t understand. Do what?’
‘Destroy them. The pictures. They hurt.’
‘How come?’
vroeg ik.
‘Past time, past life, past pain.’
‘I don’t understand.’
‘You’re not supposed to my dear. You’re not supposed to.’
‘I’m sorry, I don’t want to…’
‘Don’t be sorry. You’re ok. Thank you for the cortado.’

Ze glimlachte naar me, stond op en kuste me op het voorhoofd.
‘Thank you.’
Ze pakte haar jas en liep het restaurant uit, de hoek om. Het leven in, mij achterlatend.

Alice © 2010