De geur van een piepkleine kleedkamer

De bronzen man voor Theater Pepijn

Met zijn rug staat hij in zijn bevroren bronzen houding vastberaden met de rug naar de Weduwe van Indië, enigszins wijdbeens. Hij kijkt vastberaden of bozig van onder zijn hoedje. Het mannetje voor Pepijn. Omdat zijn gezicht afgekeerd is van de gevel en hij net te ver van de ingang staat zullen zijn ogen niet zin wat er binnen gebeurt en zijn oren niet horen wie er zingt of een conference op het podium zet. Mij heeft hij dus ook niet gezien en niet gehoord. Niet dat het erg is want met bronzen ogen en oren in een bronzen hoofd weet ik wel zeker dat er de hersenen niet in zitten om te begrijpen wat er gisterenavond te beleven was in theater Pepijn. Het Haagse cabarettempeltje in het buurtschap 2005 met zijn panden van voor 1900. Gisterenavond het toneel van de eerste avond van het Haags Cabaret Festival.

Gisterenavond was het zover. Na een half jaar les en oefenen, schrijven, herschrijven, weggooien, de plank mis slaan, aanpassen en leren mochten Erik, Barry, Joao, Sander en ik eindelijk het podium op. Met een generale repetitie die generalesk geleid werd door de onnavolgbare Elisabeth en waarbij iedereen het gevoel had dat het helemaal niet goed ging begon het grote zweten om half acht achter de zware gordijnen bij de bezemkastgrote kleedkamertjes tussen de snoeren, kabels, apparaten en onder de oude posters uit gouden tijden in de Haagse cabaretgeschiedenis. En achter die gordijnen voelde ik me almaar kleiner worden, en nerveuzer. Reken maar dat ik nu weet wat podiumangst is.

De zaal vult zich en de spots gaan aan. Geroezemoes. Er zijn op één na geen vrienden of vriendinnen van me, allemaal te druk met hun eigen leven. Er is geen familie omdat ‘omstandigheden’ het tegenhouden dat ze er zijn. Eén vriendin is er wel, later zie ik haar vooraan zitten. Stilletjes vindt ik het heel erg jammer dat er geen bekenden zijn gekomen, Den Haag is voor veel mensen blijkbaar erg ver of misschien is de band niet zo sterk als die soms lijkt te zijn. Niet dat het iets uitmaakt overigens.

De eerste ons zo bekende pianoklanken beginnen toch nog onverwacht en snel gaat Erik tussen de gordijnen het toneel op. En het gaat goed. Het eerste couplet rolt er probleemloos uit en in duo’s stappen we tussen de gordijnen het podium op. De spots schijnen recht in ons gezicht en pas aan de rand van het podium kunnen we iets van het publiek zien. ‘Ik heb gelijk’ rolt er spetterend uit en we groeien als we bezig zijn. Een tiental minuten later doe ik mijn conference en laat het volgen door een lied van Spigt. Even lijk ik over een zin in het lied te struikelen maar ik zing er gewoon over heen. Alleen de kenners zullen het gemerkt hebben. En die ene zin in het lied die ik aangepast heb en laat verwijzen naar mijn nu zo zieke moeder is alleen bij mij bekend.

Na een uur optreden waarvan het bronzen mannetje niets heeft meegekregen is er dat waar we het allemaal om deden: het applaus. Het is goed gegaan, niemand zakte door het ijs en in de finale kregen we de zaal soepeltjes mee. Vijf amateurs die na veel werk het probeerden in Pepijn. Vijf omdat de zesde er jammer genoeg niet bij kon zijn door haar werk wat haar in Australië bracht. Vijf die verder willen met leren, met nieuwe teksten, met nog beter worden. Die ene vriendin die me manisch noemde toen ik haar Twitterde over mijn belevenis gisterenavond zal nooit beseffen hoever ze van de werkelijkheid af is. Theaterliefde is niet manisch, maar het is haar vergeven.

Voor even in de spotlights in het oude kleine theater achter het bronzen mannetje in de liefste wijk van Den Haag. Op heilige grond waar alle groten gestaan hebben. Stilletjes heb ik in een verloren momentje nog eens goed naar dat podium gekeken. Zo klein, een beetje rommelig maar zo ontzettend theater romantisch. Heel even heb ik mijn er op gelegd want heilige grond moet je aanraken. En de geur van de bezemkastformaat kleedkamer, je moet hem eenmaal geroken hebben om te begrijpen wat dat betekend.

Alice © 2010