Zeven vette en zeven magere jaren

‘Zeven magere en zeven vette jaren’ beeld in de tuin van kasteel St. Gerlach in Houthem

Ik ben opgevoed met de Bijbel op school. Tot de middelbare school gingen mijn ouders ook naar de kerk maar het grondpersoneel, zoals mijn vader ze noemde, zorgde met de nodige hypocrisie ervoor dat mijn ouders niet hun geloof maar wel de kerk afzworen. Tussen mijn dertiende en vijftwintigste heb ik geen kerk van binnen gezien. Niet gemist ook trouwens. Eenmaal op mezelf wonend, wat achteraf veel te kort duurde om mezelf te kunnen worden, ben ik weer zo’n gebouw binnengestapt voor een kerkdienst. Zo’n mooie oude kerk, die van Voorburg om precies te zijn. Een prachtige door de protestanten geroofde voormalig katholieke kerk. Met een koor met schitterend koorhek, een geweldig orgel, pilaren waar je je armen omheen kon leggen zonder dat de vingertoppen elkaar raakten.

Maar ik werd wel geraakt. Niet door het geloof maar door de mensen die er waren, de sfeer en de manier waarop er naar elkaar werd omgezien. Na een tijdje werd ik lid van die kerk en werd zelfs actief in de diakonie, ik ben nu eenmaal iemand die liever iets doet dan oeverloos vergadert. Een paar jaar voelde ik me daar welkom en thuis waarbij ik denk dat dat vooral komt door de predikant die er toen stond. Ik zie de man, dominee Boogert, nog steeds voor me. Hij had een ernstig zieke dochter en dat was zijn kruis om te dragen. Het mooie van die man was zijn pastorale kant, hij zorgde oprecht voor zijn mensen. Een goed gesprek was altijd mogelijk en hij liet zich gemakkelijk betrekken bij de moeilijkheden die een mens tegenkwam. Ik was er misschien jammer genoeg niet aan toe om mijn problemen bij hem neer te leggen om over te praten, maar ik had ze wel.

Een aantal jaren later vond ik mezelf getrouwd terug in een ander deel van het land, midden in de Bijbelgordel. Nog steeds actief, nog steeds in een diakonie en nog steeds met een zeer genuanceerde blik op het geloof dat niet het mijne was. Ik heb er aan meegedaan maar ik ging steeds meer de onoprechtheid van de mensen om me heen zien. De aangeharkte tuintjes, de aandacht voor elkaar als het goed ging en het opzij kijken wanneer er echte problemen waren. De ontnuchtering kwam voor mij toen twee lesbische vrouwen hun kindje wilden laten dopen in de kerk. Dat mocht niet en ik begreep het standpunt niet. Of beter: ik kon het niet aanvaarden. Langzaam voltrok zich het demasqué van het instituut, gevolgd door dat van het geloof waarmee ik was opgegroeid.

Nog een aantal jaren later kwam mijn eigen demasqué en kon ik niet langer de schijnvertoning van mijn leven volhouden. De ontkenning van mezelf eindigde en de gevolgen waren groot. Inmiddels is mijn leven veranderd op een geweldige manier. Zelfs toen kon ik nog niet overzien hoe zwaar de weg zou zijn en hoeveel moeilijkheden ik in de jaren van verandering zou tegenkomen. Zelfs toen had ik nog niet door hoe nadrukkelijk het geloof uit mij weg trok. Het zou jaren duren voordat de verandering haar voleinding kreeg en het zal nog jaren duren voordat ik daadwerkelijk kan overzien wat de gevolgen zijn. Want met de verandering begonnen de zeven magere jaren.

Ergens in mijn opvoeding op die zestiger jaren lagere school in die zo veilige en kinderrijke opbouwwijk kwam met enige regelmaat de parabel voorbij van de zeven vette en de zeven magere jaren. Een parabel met een les daarin die ik me nog vaak herinner. Het verhaal ga ik hier niet herhalen of uitleggen, lees daarvoor zelf die Bijbel maar. Kwaad kan het niet. Maar de teneur van die parabel is voor mij een gegeven dat ik herken. Nog steeds. Ergens in dit leven zijn er die periodes van welvaart en rijkdom maar ergens ook zullen die eindigen en gevolgd worden door neergang en soms zelfs armoede. Het gaat dan even niet over gezondheid en zo meer maar vooral over de leefomstandigheden waarin je verkeert. Het is een verhaal met een waarschuwing tegen zelfgenoegzaamheid en zelfzucht, tegen het valse vertrouwen op de kracht van geld en economische status. Tegen de vanzelfsprekendheid waarmee de mens geneigd is de kansen die hij krijgt voor lief te nemen. Het kan je allemaal afgenomen worden door de omstandigheden en de keuzes die je in leven maakt.

Mijn zeven magere jaren begonnen met de keuze voor mezelf. De neergang is dramatischer geworden dan ik kon voorzien en inmiddels ben ik op het punt dat zelfs zoiets ogenschijnlijk vanzelfsprekends als het kunnen blijven wonen in mijn huurappartementje niet meer zeker is. Van welvarend naar behoeftig, het is een rare weg die ik bewandel. Bij tijd en wijle laat ik me erdoor onderuit halen. Alle problemen die er zijn, het continue gebrek aan geld om te leven, het wegvallen van mijn inkomen, het wegvallen van een deel van mijn sociale leven (want dat is duurder dan je denkt) en het moeten vechten om te overleven. Ik word er geen vrolijker mens van, wel een cynischer mens. Nog niet verbitterd gelukkig want ik heb zo mijn manieren ontwikkeld om die zeven magere jaren (die er misschien wel tien of meer zullen zijn) te overleven. Een strategie.

Claude Monet schilderde met ‘The London Parliament’ de kleuren in mijn hoofd.

Ik heb geleerd te aanvaarden. Te accepteren dat ik niet meer de mogelijkheden van vroeger heb, niet meer dat hoge inkomen, niet meer die welvaart en stap voor stap begint me duidelijk te worden dat het allemaal een farce was. Een schijnwereld vol met nutteloze zaken. Nog steeds heb ik verhoudingsgewijs veel spullen, veel materie maar dat zal zomaar weg kunnen vallen. Het kan me afgenomen worden want als je de financiële middelen niet meer hebt zal je ook geen goederen meer mogen hebben in deze maatschappij. Natuurlijk leef ik in een land waar er een ondergrens is maar die ligt lager dan de meeste mensen denken. Echt heel erg vind ik het inmiddels niet meer om met minder toe te moeten, de grootste belemmeringen zijn dat ik mijn kinderen niet kan bieden wat ik zou willen en dat ik me niet meer kan ontplooien zoals ik wil. Tenminste niet nu.

Wat me mijn huidige situatie mij oplevert is dat ik heb leren vechten. Met de moed der wanhoop soms maar dat is niet belangrijk. Het gaat er om dat ik nog steeds ondanks alles de kracht heb om weer op te staan en dat ik voldoende creativiteit heb om mezelf weer opnieuw uit te vinden. Ik zit regelmatig bij de pakken neer, zeker. Maar ik kijk dan naar die pakken ellende, neem er af toe eentje en verzin een list om er vanaf te komen. Soms lukt dat, soms niet. Maar ik blijf niet meer de hele tijd zitten. Ik blijf nadenken over wat er wel kan, niet over wat er niet kan. Telkens vind ik weer oplossingen die, zelfs al is het maar tijdelijk, me weer overeind helpen. En het allerbelangrijkste, ik blijf vechten voor de mooie dingen in het leven. Genieten van mijn kinderen, van kunst, van een mooi gedicht, verhaal of lied dat ik gemaakt heb. Van vriendschappen of van een Literaire Salon die ik georganiseerd heb en waar ik in economische zin geen spat beter van wordt maar die me wel het genoegen geeft iets moois te maken voor anderen.

Ik ben er nog gelukkig en ik weet dat de kracht van die parabel over de zeven vette en zeven magere jaren niet alleen zit in de waarschuwing dat er zeven magere jaren komen in het leven. De kracht zit hem ook in de overtuiging dat ook die jaren voorbij gaan en dat er daarna een ander soort balans voor in de plaats komt waarin je gelouterd door de ontberingen van die magere jaren als mens sterker bent geworden. Ach, het komt wel goed denk ik dan maar. I’ll survive. Het is niet gemakkelijk en ik zou het graag anders zien maar ik blijf toch telkens maar weer opkrabbelen en doorgaan. Soms even lig ik onderuit, een beetje groggy van weer een tegenslag, maar lang duurt dat niet. Ik mag dan niet meer de mogelijkheden hebben die ik vroeger had, ik mag die kans op een fortuin dat het leven zoveel gemakkelijker maakt niet hebben maar ik heb wel mijn veerkracht.

Het zou fijn zijn als er zo langzamerhand een einde komt aan mijn zeven magere jaren maar het verschil tussen de Bijbelse parabel en het echte leven is dat het getal zeven arbitrair is dus wanneer het weer beter zal gaan is niet te voorspellen maar dàt er een keerpunt komt wel. Tot die tijd vecht ik voor wat ik waard ben in de hoop dat als deze tijd ooit achter me ligt ik niet zo dom zal zijn te vergeten wat het is om gevloerd te zijn.

Dit gedicht ‘Maar morgen sta ik er weer’ beschrijft mij en is de basis voor een liedje me dezelfde naam dat ik in het programma ‘Van de barkruk gevallen’ van mijn alter ego Anna Reiziger heb opgenomen. (Die rare dame beweert notabene dat zij het geschreven heeft.)

Ik doe wat ik kan, ik lach en creëer,
ik schrijf en zing maar huil niet meer.
Soms krabbel ik weer een beetje op
en schreeuw mijn schreeuw: stop!
Soms steiger ik, en ren en vlucht
kijk even om, denk na en zucht.
Ik doe wat ik kan, ik lach en creëer,
ik schrijf en ik zing en val erbij neer.
Geen draak kan van me winnen,
geen dief ontneemt me de zinnen.
Geen mens ontneemt me de woorden
geen slag mijn stem vermoorden.
Want ik doe wat ik kan, ik lach en creëer,
nu lig ik, maar morgen sta ik er weer.

Het wordt hoog tijd dat ik de laatste stappen maak om thuis te komen bij mezelf. Afscheid nemen van het leeuwendeel van mijn bezit en afreizen naar een plek waar ik kan doen wat ik moet doen, mijn roman en toneelstuk af schrijven. Want op dit moment maakt dat alleen me gelukkig. Ik twijfel nog wat te doen maar vraag me tegelijkertijd af waarom ik nog weifel.

Alice Verheij © 2010

3 thoughts on “Zeven vette en zeven magere jaren

  1. Als ik je een boekentip mag geven: lees eens “De Creatiespiraal” van Marinus Knoope. Volgens mij zul je er veel in herkennen en kun je een paar denkbeelden goed gebruiken om de 7 magere jaren (nog iets) sneller door te komen. Ik heb het je al eerder gezegd: je bent een sterk mens.

    • Hoi Irene,

      bedankt voor je lieve compliment en zeker ook voor je suggestie. Ik ben nu al ruim een half jaar zeer serieus bezig om mijn zangstem te ontwikkelen en om van gedichten tot liedjes te komen. Allemaal in het kader van mijn kleinkunstprogramma. Ik heb al op het Haags Kleinkunst Festival gestaan en ga zeker het komende seizoen vol er tegenaan om op de andere festivals op te treden. Ook korte optredens.
      Mijn programma ‘Van de barkruk gevallen’ omspant inmiddels een stuk voor de pauze van een half uur conferences en liedjes en een stuk na de pauze met een tiental aan elkaar gesproken liedjes over bekende overleden en soms ook vermoorde Nederlanders van Pissuisse via Mathilde Willink tot Harry/Henriëtte Wiersinga.
      Vanaf augustus ga ik onder leiding van Elisabeth Boor met dat materiaal aan de slag om het programma te perfectioneren voor het podium.

      Je begrijpt dat ik de klik heb gemaakt om hier verder mee te gaan. Ik wil ook graag liedteksten schrijven voor anderen en denk ook dat ik dat wel kan. Voorlopig het liefste hertaling in de stijl van onder andere Jan Rot en Michel van der Plas, mijn voorbeelden.

      Zou jij het leuk vinden om eens samen met mij wat van die liedjes uit te proberen? En misschien een keer op te treden in mijn Haagse Literaire Salon. Mij lijkt dat een heerlijk avontuur!

      groetjes,
      Alice

Reacties zijn gesloten.