Dozen met tranen en een Eifeltoren.

Er komt een moment in je leven dat je beseft dat er een dag komt zoals vandaag. De dag dat de laatste dozen uit het huis van je ouders gehaald moeten worden. Het is een besef dat je dan zo snel mogelijk laat voor wat het is, een droef toekomstbeeld. En dan ineens is het zover. Dozen wachten in een kamer van een flat op een etage van een gebouw in een straat in wijk van de stad waar ik geboren ben.

In het kleine kamertje staat de stapel met daarin de restanten van haar leven en dat van mijn vader. Dozen vol gedachten, herinneringen, dingen en zoete tranen. Ik loop er heen, schuif de stofzuiger opzij en kijk naar het logeerbed waar ik zo vaak op geslapen heb de laatste jaren. Vaak op dagen dat het in mijn leven moeilijk was. Een bed gestalt in voormalige veilige haven. De klok in de doos, ooit door mij gegeven, slaat niet meer en tikken doet hij evenmin. De veer ontspannen want een luisteraar is er niet meer. Foto’s in lijsten in papier in dozen. Een schilderij. Twee mensen kijken mij aan en buiten mij zijn er niet veel die weten dat zij het zijn. Moeder en vader, zo lang geleden gevangen in olieverf op doek.

Achter mij snikt mijn zoontje, mijn tranen willen niet opwellen maar hij heeft ze nog. Ach zo’n jongen van bijna twaalf mist een oma meer dan ik zelf ooit gedaan heb. Een leven in dozen geladen op een karretje. Spullen waar ik eigenlijk geen weg mee weet maar die ik ook niet zomaar weg kan doen. Een koperen Eifeltoren, ik speelde er mee en zie de autotjes nog onder de poten doorrijden. Een pop in klederdracht gemaakt me aandacht door de handen die me nu verlaten hebben. Ineens valt me op dat het huis geen geluiden meer heeft en ook geen geur die ik herken. De sleutels zijn niet meer nodig en liggen in een hoek op een stapeltje naast een envelop die nooit meer geopend wordt.

Het is de laatste keer dat ik in dit gebouw ben. De reden hier te zijn bestaat niet meer. De winkels aan de overkant van de straat zullen mij niet meer als klant zien. De wegen zal ik nog zelden over rijden en dan met een andere bestemming dan deze. De trams die hier rijden zullen mij niet meer vervoeren. De zilveren armband om mijn linkerpols knelt een beetje maar toch voelt de warmte er van weldadig, ze was niet voor mijn pols gemaakt maar zal er nu vaak te vinden zijn. Daar in die ene doos zit de naaimachine, de naald er nog in en in het bakje spoeltjes met door haar gewikkeld garen. Het beeld van die vrouw vol concentratie gebogen over weer een lap stof bij het licht van het kleine lampje met het vriendelijke geratel van het mechaniek dringt zich in mijn hoofd op. Ik kan er een denkbeeldige kop thee met een beschuitje met suiker naast zetten. Alleen in mijn gedachten.

De laatste keer in het huis van mijn moeder, het valt niet mee zo’n zielloos karkas te moeten legen. Gelukkig gaat ook dit voorbij om nooit meer terug te komen. Eigenlijk wens ik dat ik zelf nooit zo’n huis zal hebben vol met spullen. Dat mijn twee zoons en mijn dochter dit niet hoeven doen. Niet door dozen met tranen hoeven waden maar ik weet dat in deze wereld bijna geen mens bezitloos is dus het zal hun waarschijnlijk niet vergund zijn. Hopelijk treffen zij dat mocht het zover zijn gekomen een doosje vol liefde. Net zoals ik in die laatste doos tot mijn geluk aangetroffen heb.

Het is over. De klank van de deur die dichtvalt echoot nog in mijn oren als ik uren later een kopje koffie drink.

Alice Verheij © 2010