Eerste hoofdstuk NaNoWriMo roman.

Omdat ik er zin in heb publiceer ik hier een voorproefje van de roman die ik nu aan het schrijven ben. Heel hoofdstuk 1 zelfs. Het eerste deel van ‘Eén latte, een cappu en een espresso.’ waarin één van de drie vrouwen die het verhaal dragen niet op de gezamenlijke afspraak in Den Engel komt opdagen. Tot verbijstering van de andere twee want nooit eerder liet iemand van hen verstek gaan op hun maandelijkse koffiemiddag. Hoe het na hoofdstuk 1 verder gaat met Kat(herina), Jolanda en vooral Beth (Eliabeth of Bettie) blijft voorlopig nog onduidelijk. Er moet immers eerst geschreven worden.

O ja, voor het geval dat sommigen zich herkennen in het verhaal: alle overeenkomsten met personen, plaatsen en feiten zijn strict opzettelijk. Maar wees gerust, niemand blijft intact, niemand zal zich exclusief herkennen in de personages en de werkelijkheid is altijd vreemder dan het verhaal.

Hoofdstuk 1. Druilerig

Ik zette mijn iTunes uit, California van Etheridge past zo slecht met dit weer. Striemende regen klettert met een oorverdovend lawaai op de ruiten van mijn kleine etage. Het is weer de tijd in het jaar dat regenjassen en paraplu’s noodzakelijk zijn.  Erg veel zin om van huis te gaan had ik niet want kou en vocht gaan tegenwoordig in mijn botten zitten en jonger ben ik er niet op geworden in die tien jaar. Toch is thuisblijven geen optie want dat zou voor het eerst zijn dat één van ons niet op de maandelijkse koffie komt. Niets heeft ons tegengehouden al die jaren. Weer en wind niet, ziekten niet, vakanties en liefdes niet. Elke maand zijn we er weer. Gek eigenlijk dat het altijd als vanzelf is gegaan, dat er nooit een hik is geweest, nooit een gemiste middag. Soms komt er wel eens eentje laat de krakende en nooit goed sluitende deur binnen maar verstek laten gaan is nooit gebeurt. En ik zal zeker weten niet de eerste van ons zijn die onze traditie doorbreekt. Alles bespreken we op onze koffiemiddagen in Den Engel. Mannen (voor mij vrouwen), verdriet, overwinningen en rampen. Ruzies ook. Als het niet gaat over de ruzies van anderen dan wel over die van ons zelf. In die ruim tien jaar hebben we echter nooit elkaars verjaardag bezocht, nooit elkaars huis gezien, nooit elkaars partners (en dat waren er nogal wat) gesproken, nooit meer gedeeld dan deze middagen. Maar op deze middagen delen we alles. Niets blijft onbesproken. Zo af en toe lopen de middagen uit op avonden en vloeit de wijn vrolijk mee de glazen en de vergetelheid in.

Dus doe ik mijn laarzen aan, pak ik mijn paraplu, mijn handtas en doe mijn lange winterjas aan, loop de trap af, neem de sleutel van het rekje en open de deur. Een windvlaag dringt met bladeren mijn halletje binnen en ik stap snel naar buiten. De deur laat ik in het slot vallen en ik sluit af met het penslot. Diep weggedoken in mijn jas steek ik de straat schuin over naar de bushalte. Bus eenentwintig komt als het goed is over vijf minuten. Het hokje met de zoveelste lingerieposter biedt gelukkig net voldoende beschutting tegen de wind. Niet tegen het opspattende water uit de diepe plas die er voor ligt en waar de meeste auto’s met hun rechterwielen net doorheen rijden. Ik druk me zo ver mogelijk tegen de achterwand van het bushokje aan, de spetters succesvol ontwijkend. De bus is te vroeg en ik ben blij dat ik snel kan instappen. De OV kaart  hou ik schielijk tegen het roze ovaaltje van het apparaat en met de piep nog in mijn oren stap ik verder naar de eerste vrije zitplaats. Net voordat de bus de scherpe draai naar links maakt zit ik. Het is twaalf minuten rijden naar Den Engel, buiten de spits wel te verstaan. Het is alweer een maand dat ik er niet ben geweest en ik ben wel nieuwsgierig of Jolanda die vriend van haar inmiddels al gedumpt heeft en of Beth het bevalt in haar nieuwe baan. Bij de Fahrenheitstraat is de bus volgelopen waardoor de mensen tegen elkaar aangedrukt staan. Een moeder met twee kinderen, aan elke kant één, hangt zowat aan de stang om zich staande te houden als de bus optrekt. Die nieuwe bussen trekken ook zo fel op. ‘I’m sending out a message to myself…’ Etheridge zingt in mijn oren over weer een liefde die uitgedoofd is. ‘… so that I can hear it on the radio so. I will know that I am fine. I will know that I am loved.’ En ik zet mijn iPhone een beetje zachter.

Het gaat niet goed met me sinds ze bij me weg is. Ik was er eigenlijk van het begin af aan al bang voor geweest want ze had me al eerder gedumpt. Maar langzaam maar zeker was ik er in gaan geloven. De verliefdheid had me te pakken gekregen, ze gaf er alle aanleiding voor. Uiteindelijk werden het zelfs trouwplannen na een paar maanden. En ja, de seks was geweldig. Ik had me weer jong gevoeld met een toekomst voor me. Iets wat me de laatste jaren door alle tegenslagen ontvallen was. Door haar was ik van een eenzame vrouw veranderd in een vrolijke vlinder, door haar kon ik alles. Tenminste dat dacht ik. Maar het was me niet gelukt om haar bij me te houden. Op een ochtend was ze na een gespannen nacht gegaan. Zonder veel te zeggen pakte ze haar tassen, stopte haar de avond ervoor gewassen kleren er in, keek me aan en liep de trap af en de deur uit. Dertig stappen naar de hoek waarna ze uit mijn leven verdween. De leegte in mijn huis spiegelde de leegte in mijn hart. Ik had één dag gehuild en toen was het voorbij. Daarna waren er geen tranen meer ondanks dat de druk op mijn borst bleef. Boos werd ik na een paar dagen pas vooral omdat ik geen verklaring had gekregen. Ja, ze wilde zich ontplooien, een toekomst bouwen, groeien als mens. Ik had willen helpen, er voor haar willen zijn maar ze geloofde het niet blijkbaar, wat ik ook zei hoezeer ik er ook voor haar wilde zijn.

De bus reedt de Frederik Hendriklaan in en ik drukte het stopknopje in. Met een slinger zwenkte de chauffeur zijn bus om de dubbel geparkeerde vrachtauto die gelost werd en remde bij de halte. Ik werd bijna van mijn voeten gegooid door de plotselinge stopzetting van de voorwaartse beweging van de bus. ‘I don’t wanna have a threesome…’ Melissa klonk stoer in mijn oren toen ik de bus uitstapte terwijl ik mijn OV kaart in een vlotte beweging tegen het apparaat aan drukte. Het was droog geworden buiten.

‘Hoi Leo!’
‘Kat, hoe istie?’

Ik stak mijn hand naar hem toe met de duim naar beneden en liep door naar het op een na laatste tafeltje naast de bar.

‘’t is er dan?’
‘Ben gedumpt en God mag weten waarom.’
‘O shit. Hoe kan dat nou ineens?’
‘You tell me, ik heb geen idee. Ze is gewoon weggegaan. Zonder verklaring, zonder reden en doe me alsjeblieft een latte als je wilt.’
‘Komt eraan meid.’

Ik pakte de Volkskrant en las dat het nieuwe kabinet het Malieveld wil verkopen. Gekker kan het niet worden in dit land, dacht ik. Zoals gewoonlijk de laatste tijd stond de krant weer bol van de verhalen van kerels in het kabinet en kerels buiten het kabinet die allerlei ellende over de burgers uitstrooiden.

Leo zette een grote kop latte voor me neer.

‘Alsjeblieft, een beetje troost. Ik vindt het echt rot voor je lieverd.’
‘Dank je Leo.’

De krant kon me niet boeien maar toch bladerde ik verder. Allemaal nieuws dat eigenlijk geen nieuws was. Politiek gezeur, aanslagen in Bagdad en Istanboel en gezeur van BN-ers over andere BN-ers. Wesley en Yolanthe hebben ruzie met Koefnoen. Lekker belangrijk. Eigenlijk was ik het allemaal zo verschrikkelijk zat. Al dat gezeur van die verwende idioten in dit verdomde land. Misschien moest ik er maar eens op uit trekken, een onbekend land opzoeken en eventjes van de aardbodem verdwijnen. Er was niet zoveel dat me hier hield bedacht ik en toen zwaaide de deur open. Jolanda stapte het toneel op. Tenminste zo zag het er uit. Ze maakte altijd een entree want ze hield er van als ze gezien werd. Ze was lang en had nog steeds een geweldig lijf ondanks dat ze de veertig ruim gepasseerd was. Zoals altijd zag ze er weer geweldig uit. Blijkbaar had ze haar vriend niet de deur uitgezet want de ring zat nog om haar vinger. Afzichtelijk opvallend ding. Jolanda was kunstenaar. ‘Kunstenares’ kon niet volgens haar want dat zijn gewoon vrouwelijke kunstenaars. Een redenering die ik nooit begrepen had. Ze kon geweldig schilderen, smeden, kleding maken, opstellingen en wat dan ook. Zolang ze maar niet hoefde op te treden want dat was niet haar natuur. Liever zwoegen in een atelier in haar eentje dan de spotlights opzoeken. Maar buiten haar werk veel ze altijd op als ze ergens kwam. Mensen wilden bij haar zijn, wilden haar gezelschap. Zelf besefte ze niet dat ze het vermogen had om anderen blij te maken door er simpelweg te zijn. Het vermogen om anderen haar te laten bewonderen zonder er zelf moeite voor te hoeven doen. Zo irritant! Maar we kenden elkaar inmiddels meer dan 15 jaar. Vanaf ons twintigste toen we een tijdje samen op school zaten. Alles hadden we meegemaakt. Vakanties samen doorgebracht, het bed gedeeld ondanks dat ze hetero zegt te zijn, gelachen, gejankt. Elkaar nieuwe liefdes bezorgd door ongegeneerd te koppelen en elkaar opgevangen als het weer eens misgelopen was met die liefdes. Deze keer was het mijn beurt om uit te huilen. Haar lange jas hing op de kapstok en ze was aangeschoven aan tafel toen Leo een cappuccino voor haar neerzette.

‘Je ziet er weer geweldig uit, dame.’
‘Dank je Leo. Jij mag er ook zijn hoor.’

Jolanda tikte hem vluchtig op zijn hand en pakte het koekje van het schoteltje. Op de achtergrond liet Miles Davis zich horen.

‘Zo, en hoe gaat het met jou Kat?’
‘Kut.’
‘O jee. Het is toch niet mis tussen jullie?’
‘Dat is het wel. Zullen we het even over iets anders hebben? Ik vertel je straks wel wat er aan de hand is.’
‘Tuurlijk joh. Weet je wie ik laatst in de stad zag?’
‘Meis ik zou het niet weten. Helderziendheid is me niet aangeboren.’
‘Gossie, beetje sjaggie? Nou ja, ik was dus in de Zwarte Ruiter en daar hing Paul zo ongeveer aan de bar.’
‘Paul?’
‘Ja Paul. Mijn ex weet je nog?’
‘O God, die Paul. Wat heb je gedaan? Rechtsomkeert gemaakt toch?’
‘Welnee, ik heb hem een biertje getrakteerd.’
‘Slet.’
‘Ach, hij heeft het ook niet gemakkelijk. Zijn zaak is failliet gegaan vorige maand.’
‘Verbaasd me niks.’
‘Hé, ik heb geen hekel aan hem hoor. Maar hij zag er niet bepaald geweldig uit. Hij wordt oud.’
‘Worden we allemaal.’
‘Jij niet en ik niet.’

Het liep inmiddels tegen vier uur en we hielden los van elkaar de deur onbewust in de gaten. Beth was laat.Leo’s Angels werden we genoemd. Door Leo. Ruim tien jaar kwamen we nu bij hem. Vaste prik, eens per maand op de tweede woensdag. Om koffie te drinken en te kletsen, te lachen, te huilen, te roken en roddelen. Soms liep het uit, we hadden geleerd op die woensdagen niets voor de avonden in de agenda’s te zetten. Geen één maand hadden we overgeslagen sinds december 1999. Die laatste maand van het vorige millennium was de eerste van onze vriendschap. Drie vrouwen, zo verschillend. Met eigen levens, eigen liefdes, opleidingen, banen en interesses. Er was niets wat overeenkwam, niets wat ons buiten die koffiemiddagen bond. Het zal de reden zijn waarom we het volhielden al die jaren. Onze middagen waren zo heilig geworden dat relaties en werk er omheen werden beleefd. Jolanda de kunstenaar die barstte van het creatief talent maar in het dagelijkse leven van de ene relatieramp naar de andere foute liefde liep. Beth, eigenlijk Liesbeth, bijna tien jaar jonger dan ik en Jolanda, nooit afgestudeerd, van baantje naar baantje gaand, van vriendje naar vriendje vlinderend en gezegend met een geweldige stem waar ze sinds een jaar haar geld mee verdiende. Altijd jong, altijd wild. Drie vrouwen die niet veel gemeen hadden maar die elkaar op die rare avond in Paradiso in 1999 ontmoet hadden. Om elkaar daarna nooit meer uit het oog te verliezen. Wiens idee het was weet ik niet meer maar we hadden afgesproken elkaar buiten de koffiemiddagen niet op te zoeken. Niet in elkaars levens te mengen. Maar ook om elke maand een middag bij elkaar te komen. Om onze levens op die maandelijkse dag te delen. Zonder interferentie van wie dan ook. En altijd op dezelfde plek bij Den Engel. We hadden het volgehouden en dat was eigenlijk best bijzonder.

Den Engel is in al die jaren nauwelijks veranderd. Leo is ouder geworden. Gescheiden, verliefd geworden en weer getrouwd. Grijzer geworden. Nog steeds prijken er op de muren en bij de bar engeltjes. Gipsen engeltjes. Een vrouwenbuste hoog aan de muur boven de kassa kijkt met ontblootte borsten naar beneden en bewaakt de kas. Schilderijen aan de muren van telkens weer andere schilders. Kleine ronde tafeltjes, Thonet stoeltjes. Geeltinten, bruintinten in een weldadige mix van stijlen die hoe verschillend ook toch bij elkaar passen. Drie kroonluchters spreiden een mild licht en de vitrine met het gebak blijft uitnodigen. Het rekje Boomerangkaarten naast de kapstok wordt trouw gevuld met nieuwe exemplaren en de muziek is net hard genoeg om van de te genieten als je dat wilt maar is zelden op de voorgrond. Op de gebakvitrine ligt elke dag een stapel kranten, vers van de pers en op de lange leestafel is de verzameling bladen aanzienlijk. Voor ieder wat wils. Wil je mens-erger-je-niet spelen? Achter in de zaak kun je het vinden in een stapel spellen en stripboeken. In de zomers zorgt het tuinterras achter er voor dat je niet de behoefte hebt om snel te vertrekken. In de winters zorgen de oude ijzeren radiatoren voor een weldadige warmte. In al die jaren is Den Engel verworden tot één van de weinige vaste waarden in onze levens. In al die jaren heeft de deur nooit goed gesloten en in al die jaren hangt het bordje open/gesloten aan een simpel touwtje aan diezelfde deur. Maar deze dag zou anders verlopen dan anderen. Voor het eerst in al die jaren zou onze traditie doorbroken worden. Wisten wij veel wat voor gevolgen die breuk zou krijgen? We hadden niet eens door dat de tijd vergleed totdat Leo het ons met verbazing in zijn stem vroeg.

‘Komt Beth niet vandaag?’

Leo zette nog een latte en een cappuccino voor ons neer. Jolanda en ik keken elkaar aan.

‘Ik begrijp er niks van’ begon ik.
‘Zou er iets gebeurt zijn of zo?’

Jolanda pakte haar mobieltje en begon te bellen. Na een paar keer overgaan keek ze met opgetrokken wenkbrauwen naar het apparaatje.

’Wat Is er?’
‘Ik begrijp er niks van. Wil jij even kijken wat Beth’ nummer is? Ik heb het verkeerde denk ik want dit nummer is buiten gebruik.’

Ik scrolde in het adresboekje van mijn iPhone naar Beth. ‘0618971042.’

‘Ja dat heb ik hier ook. Probeer jij eens.’

Ik had het nummer al aangetikt en wachtte op de stem van Beth.

‘Dit nummer is buiten gebruik.’
‘Buiten gebruik inderdaad. Begrijp jij dat? Vaag.’

We keken elkaar aan met verbaasde blikken.

‘Dit klopt niet Kat. Dit klopt helemaal niet. Ze heeft ons ook niet gebeld en dit is niks voor Beth.’
‘Laten we de koffie maar opdrinken en dan kunnen we altijd even langs haar huis gaan om te kijken of ze thuis is. Misschien is ze ziek en heeft ze vergeten te bellen en staat haar telefoon alleen maar uit.’
‘Ik geloof er niks van Kat, ik geloof er helemaal niks van.’

De koffie werd zonder veel interesse opgedronken en Jolanda legde een tientje op het schoteltje van haar cappuccinokopje. Het had geen zin om te blijven en een beetje verontrust waren we wel geworden. Bij de deur draaide Jolanda zich naar me om.

‘Je weet dat dit tegen de afspraak is he?’
‘Jaja maar niet komen opdagen is dat ook. Er zal we iets stoms gebeurt zijn maar ik wil toch liever zeker zijn weet je.’
‘Ik ook, nou kom op dan gaan we even kijken.’
‘Dag Leo.’
‘Dag dames en laat even weten of alles goed is met Bettie.’

Bettie, voor Leo was ze altijd Bettie gebleven. De auto van Jolanda stond vijftig meter naar links. Een protserige Jeep Cherokee uit zesenzeventig. De oude bak voelde aan als een tank maar je zat er wel comfortabel en in lekker hoog boven de rest van het verkeer.

‘Wat is het adres ook alweer?’
‘Balistraat honderdzeventien.’
‘O ja. We zijn er zo.’

Jolanda draaide de auto de Willem de Zwijger op richting Gemeentemuseum. Het was een vrij korte rit door één van de mooiste stukken van Den Haag. Om het Museon heen richting Scheveningseweg. Het Vredespaleis voorbij en linksaf naar de Javastraat. De rijke gevels gleden voorbij en na een kleine tien minuten draaiden we de Balistraat in. Alle parkeerplaatsen waren rond deze tijd al bezet door de bewoners dus we moesten in een het korte doodlopende stukje Javastraat parkeren dat in het verlengde van de Balistraat lag. Achter in de straat was meestal een plekje te vinden want de meeste mensen reden dit stukje Javastraat voorbij. Zo ook vandaag. Met een zwaai draaide Jolanda de Cherokee een vrije parkeerplaats in.

‘Jezus, je rijdt als een vent joh. Gaat ie lekker?’
‘Ach, stoere auto, stoere meid nietwaar?’
‘Sure.’

Ze mikte een Euro in de meter en schoof het papiertje op het dashboard. Snel liepen we de straat uit richting de Balistraat. De kroeg op de hoek was veranderd. De oude gaykroeg die er jaren had gezeten was vervangen door een gelikte yuppenbar. Doodsaai wat mij betreft. Ik ging maar liever naar de Weduwe van Indië tegenwoordig waar een fijnere sfeer hing én die in een gezellig stukje stad lag. Nummer honderdzeventien lag iets over de helft van de straat. Het was een hoog huis zoals alle huizen in de straat. Gesplitst om meer op te brengen. Zoals alle andere huizen ook gesplitst waren. Beth woonde op de begane grond sinds twee jaar. Ik was stiekem verliefd op het huis met de mooie hoge kamers en stille tuin aan de achterzijde. De afwisseling van donkerbruine bakstenen met de witte stenen ronde ramen en de witte daklijsten en de oude maar goed onderhouden kozijnen en deuren maakte dat de buurt een dure indruk gaf. Het was zo’n typische eind negentiende-eeuwse Haagse buurt. De buurt van Couperus waar je verwachtte elk moment Eline Vere tegen te komen in een lange jurk met een koket parapluutje in haar hand.

De lichten waren uit. Sterker nog, de rolgordijnen waren naar beneden waardoor het huis er uit zag of de bewoonster voor lange tijd vertrokken was. De stilte in de straat onderstreepte de afwezigheid van Beth op een vreemde manier. We gluurden naar binnen door de kieren tussen het witkatoenen rolgordijn en de kozijnen. Binnen konden we in het inmiddels schaarse licht, het was al vroeg donker, zien dat alles opgeruimd was. Over een paar stoelen waren lakens gedrapeerd ten teken dat Beth inderdaad weg was en blijkbaar van plan was dat voor langere tijd te blijven. Ik keek door de brievenbus naar binnen en zag een stapeltje enveloppen in wanorde op de vloer van de hal liggen.

‘Ze is niet thuis hoor.’

Geschrokken draaiden we ons om. De man achter ons was ouderwets gekleed met een lange kamgaren jas en een Borsalino op zijn hoofd. Glimmend zwart gepoetste schoenen. Hij zag er Joods uit.

‘Ja dat zien we. Sorry dat we zo naar binnen gluren maar we zijn vriendinnen en hadden een afspraak met haar.’
‘Dat zal dan lastig worden. Voor zover ik weet is ze vorige week donderdag vertrokken. Waar naar toe weet ik niet. Wel raar hoor want gisteren en eergisteren kwam de post nog pakketjes voor haar brengen. Ze heeft mij ook niet gezegd dat ze weg zou gaan en ik zorg altijd voor haar kat Mimi als ze even een tijdje weg gaat. Ik heb nog gekeken maar Mimi is er ook niet en de antieke meubeltjes heeft ze afgedekt. Ik haal nu eens in de paar dagen de post maar van de mat om te voorkomen dat inbrekers zien dat het huis verlaten is. Maar de lakens durf ik niet weg te halen natuurlijk. Ik ben trouwens Chaim van nummer honderdvijftien.’
‘Oh eh aangenaam. Ik ben Kat en dit is Jolanda. Wij kennen Beth al heel lang en elke maand spreken we met elkaar af. Vandaag kwam ze niet opdagen vandaar dat we maar even langs haar huis gegaan zijn.’
‘Ah, zijn jullie de koffiedames? Leuk kennis te maken. Ze had het weleens over jullie. Niet altijd vlijend hoor.’

Jolanda en ik keken hem verbaasd aan.

‘Geintje. Sorry hoor, Joodse humor dames. Maar ik denk niet dat ik jullie verder kan helpen.’
‘Ik denk ook van niet. We gaan er maar weer vandoor dan. Als U iets van Beth hoort wilt U me dan bellen?’ Ze grabbelde in haar te grote tas naar een visitekaartje. Die had ze altijd in grote getal in haar tas bij zich.
‘Zal ik doen dames. Tot ziens dan maar.’

Chaim tikte tegen zijn hoed en liep naar zijn voordeur. Wij groetten terug, keken elkaar even aan en haalden de schouders op. Eenmaal terug bij de auto keken we elkaar vragend aan over het dak van de Cherokee.

‘Ik vertrouw het niet Kat.’
‘Ik ook niet. Kom. Zullen we maar even wat eten bij mij dan?’
‘Eh, we zouden toch niet bij elkaar over de vloer komen? Nou ja het is toch een rare dag vandaag. Ik trakteer op roti als jij een goeie afhaal weet.’
‘Fahrenheitstraat Jolan.’
‘Fahrenheitstraat it is.’

We stapten in en deden onze gordels om. De Cherokee startte met het nodige geronk.

Hoe het verder gaat? Ik weet het een beetje en over een tijdje jullie misschien ook. Willen jullie volgen hoe het me vergaat met NaNoWriMo? Blijf hier komen lezen en je weet het.

Alice © 2010