NaNoWriMo update.

Op verzoek van wat mensen plaats ik hier nog maar eens een hoofdstuk van ‘Een latte, een cappu en een espresso’. De tussenliggende hoofdstukken komen natuurlijk niet hier, het is immers de bedoeling dat dit boek uitgegeven wordt en dan gaan we niet alles verklappen.

Het schrijven loopt deze voor mij derde NaNoWriMo onvoorstelbaar soepeltjes. Ik hoef amper over verhaallijn te denken laat staan om tekst verlegen te zitten. Alles komt zomaar aanwaaien waardoor ik vooral snel moet tikken om mijn hersenspinsels bij te houden. En zo hoort het. De tussenstand in statistiekjes dan maar?

Als ik zo doorga is NaNoWriMo voor mij dus de zeventiende voorbij. En eerlijk gezegd verwacht ik dat ook. Alleen mijn roman zal fors langer worden dan de 50.000 woorden die voor de NaNoWriMo zege op mezelf gelden. Ik verwacht ongeveer 80.000 woorden nodig te hebben. Dat moet deze maand lukken en met dat getal als doel lig ik netjes op schema.

Nog een stukje lezen over de belevenissen van Kat, Jolanda, Beth en Chaim? Goed dan, hier is een deel van hoofdstuk vijf (ongecorrigeerd natuurlijk!):

Hoofdstuk 5 – Koffers pakken

Iedere dag ontvingen we mail van Beth. Iedere keer vol instructies. Instructies over wat we moesten meenemen, instructies om niet naar de politie te gaan. Instructies over wat we moesten zeggen als de politie ons wilde spreken over de brand. Zelfs de vraag of er nog iets over was gebleven. Met name of er van haar werk uit haar werkkamer nog iets gered was. Ze maakte zich ‘zorgen’ over haar werk wat daar lag opgeslagen. Duidelijk werd dat ze er van overtuigd was dat het huis uitgebrand was waar wij uit opmaakten dat ze niet in het land was en ook niet de mogelijkheid had om te achterhalen dat er geen brand was geweest die geleid had tot ingrijpen van de brandweer. Chaim was grondig tewerk gegaan blijkbaar en vooral ook op tijd er bij geweest.

Ik las de mailtjes en sommige van de opdrachten voerde ik uit, niet alles. Op de zondag hadden Jolanda en ik een discussie gehad of we niet toch naar de politie moesten gaan en de situatie aan hen voorleggen. We hadden besloten om dat toch maar niet te doen want we hadden de brand ook niet gemeld. De politie zou zeker naar het huis gegaan zijn en de resten van het brandje gevonden hebben. Wie weet nog wel veel meer. Ze zouden er achter komen dat wij iets verzwegen hadden of erger nog ons in verband brengen met brandstichting want er waren zeker vingerafdrukken in haar huis te vinden van mij en Chaim. Chaim was het met ons eens geweest.

Woensdag 17 november troffen we elkaar in Den Engel en Leo schoof aan. Het was goed om gezamenlijk een plan te trekken en afspraken te maken over hoe we zouden handelen. Chaim had via zijn oude vrienden in Kathmandu een logeeradres weten te regelen dus dat maakte het mogelijk om niet het hotel te gebruiken dat door Beth gereserveerd was. We besloten om wel in te checken in het hotel zodat Beth het idee kreeg dat we precies deden wat ze vroeg.  We hadden weten te regelen dat we inmiddels de juiste inentingen hadden gekregen via weer een ander vriendje van Chaim. Over de bagage waren we het snel eens geworden.  Minimaal, geen ruimbagage, wel alle drie een smartphone met camera zodat we foto’s en video-opnamen konden maken zonder grote camera’s mee te nemen. Het was ons allemaal duidelijk dat Chaim, Jolanda en ik niet een vakantie tegemoet gingen. Gegeven de poging tot brandstichting waren we beducht op iets crimineels dus we zorgden dat er op verschillende manieren contact kon worden gelegd met Leo en de vrienden van Chaim. Zijn mensen in Nepal hadden al gsm’s geregeld met een lokaal nummer zodat we daar zonder gedoe op de mobiele netwerken konden komen wat natuurlijk alleen in een aantal provinciesteden en de hoofdstad kon want daarbuiten was er geen infrastructuur. We hadden ook alle drie voldoende geld bij ons. Euro’s om te wisselen en dollars. En natuurlijk was dat geld verdeeld over de verschillende tassen en een moneybelt per persoon.

Het leek er op dat we als een soort detectives op pad gingen en alles overziend schoten we op een gegeven moment in de lach. Een beetje van de spanning, een beetje om alles van ons af te lachen maar vooral omdat het een rare situatie was. We voelden ons The Three Stooges, knullige types die ongetwijfeld in honderd sloten tegelijk zouden lopen.
‘Nou dat is het dan wel denk ik zo. Heb je er een beetje zin in Kat?’
Jolanda keek me met de tranen van het lachen nog op de wangen triomfantelijk aan.
‘Ja nou Watson, moet je luisteren ik denk wel dat we goed moeten deduceren en redeneren en niet vergeten om een vergrootglas mee te nemen.’
‘Ja maar geen pijp hoor mevrouw Holmes. Staat je niet namelijk.’
‘Chaim, shut up. Wij vrouwen zijn wel in overtal hoor.’
‘Ja mevrouw Holmes, zullen we er dan maar een flesje rood er tegenaan gooien? Bij wijze van vloeibaar galgenmaal bedoel ik dan.’
‘Goed idee, Leo doe ons een lekkere en doe zelf mee lieverd.’ Jolanda gaf hem een duwtje richting keuken en Leo pakte een mooie rooie Chileen.
‘Goed dan meiden, leef jullie uit op deze Chileen maar hou het wel netjes he?’ De fles was soepel ontdaan van zijn kurk en de glazen kwamen op tafel. Geroutineerd werden ze volgeschonken.

De woensdagmiddag werd woensdagavond. De Chileen werd een tweetal Chilenen en de vegetarische hapjes kwamen op tafel. Niemand had die avond afspraken dus maakten we er maar het beste van. Chaim bleek bijzonder aangenaam gezelschap en het duurde niet zo erg lang totdat hij plaatsnam achter de piano die sinds een tijdje in den Engel stond. Het was een ouwetje en eigenlijk een soort tingeltangel maar Chaim kon zelfs aan dat ding nog mooie melodieën ontlokken. De avond eindigde na veel wijn in samenzang, iets wat ik al tijden niet meer had meegemaakt. Het voelde goed om met vrienden samen te zingen, Amsterdamse tranentrekkers en oude songs van de Byrds en zo. We kenden allemaal de teksten uit ons hoofd en waar het even schortte aan tekstvastheid was er altijd wel iemand die de rest er bij wist te slepen. Pas tegen twaalven stortte ik me in bed met een licht tollend hoofd, het was lang geleden dat ik enigszins aangeschoten was.

Die nacht werd ik wakker van lawaai op straat bij mijn voordeur. Iets wat ik nooit meemaakte in de buurt waar ik woon en ik schrok me natuurlijk rot. Eerst dacht ik nog even dat het Trommeltje was die in huis aan het donderjagen was maar dat bleek niet zo te zijn toen ik het zachte knorren op het voeteneind van het bed hoorde. Ik stond zachtjes op en sloop tussen de openstaande schuifdeuren door de gang in. De klapdeuren boven aan de trap waren gesloten maar ik kon wel door de kier kijken. Omdat het binnen donker was en buiten de straatlantaarn behoorlijk wat licht over straat strooide kon ik zien dat er iemand voor mijn deur stond. Mijn hersens gingen als een razende tekeer en ik besloot eerst terug de huiskamer in te sluipen om uit het raam aan de voorkant naar beneden te kijken. Ik moest kunnen zien wie daar voor mijn voordeur stond. Maar het enige dat ik kon zien was een figuur met een lange jas en een baseball cap op. Ik kon zelfs niet zien of het een man of vrouw was. Het was in ieder geval iemand die niet al te groot was. Ik zag ook dat hij of zij met een gereedschapje in de hand mijn slot aan het bewerken was, blijkbaar was het penslot of al open of niet gezien omdat het gaatje in de deur hoger zat en niet erg opviel. Zeker niet in het donker. Ik besloot de telefoon te pakken en de politie te bellen. Het duurde precies vier seconden voor ik iemand van de meldkamer aan de lijn kreeg.
‘meldkamer 112 Haaglanden, zegt u het maar.’
‘Met Kat Verduin, er wordt ingebroken bij me. Iemand probeert de voordeur open te maken.’
Ik gaf meteen mijn adres.
‘Wij verbinden u door met de politie.’ Amper een seconde laat klonk er een mannenstem die me vertelde dat de melding duidelijk was en er een auto onderweg was.
‘Alleen als U vermoedt dat de insluiper het slot open krijgt willen we dat U alle lichten aan doet en lawaai maakt. De insluiper zal dan vrijwel zeker schrikken en er vandoor gaan. Onze collega’s zijn over ongeveer twee minuten ter plaatse. Blijft U aan de lijn en blijf mij vertellen wat U ziet en hoort.’
‘Zo te horen is het slot open maar hij komt niet naar binnen. Ik denk dat hij doorheeft dat het penslot nog op slot zit.’
Ik keek weer voorzichtig het raam uit en zag dat de man, het was inderdaad een man, in een heuptas aan het grabbelen was naar ander gereedschap. Het penslot was dus inderdaad nog op slot.
Ik wilde net doorgeven wat hij aan het doen was toen hij omhoog keek en me zag staan.  Ik trok mijn hoofd terug maar ik hoorde een vloek, wat gerammel en iemand wegrennen. Toen ik weer durfde kijken zag ik de man de straat over rennen richting de begraafplaats. Nu kon hij volgens mij de sloot niet over daar dus moest hij richting kinderboerderij gaan en dat deed hij ook.
‘Hij heeft me gezien en rent nu de straat over naar de kinderboerderij.’
‘Onze collega’s zijn bijna ter plaatse’ zei de centralist en inderdaad zag ik op hoge snelheid een politiewagen van de kant van de moskee de straat inrijden. Ter hoogte van de kinderboerderij schoot deze schuin de straat over en twee agenten sprongen er uit en renden richting het hek van de kinderboerderij. Ze verdwenen uit zicht en van de andere kant kwam er nog een politieauto aanrijden. Een agent stapte naar mijn deur toe en ik ging direct naar beneden en opende de die.
‘Goedenavond mevrouw, mag ik binnenkomen. Pertersen is de naam.’
‘Natuurlijk, kom binnen.’

Ik werd bijna een uur doorgezaagd maar vertelde wijselijk niets over Beth. Het was de agenten niet gelukt om de man te pakken te krijgen. Ze hadden hem wel zien rennen maar hij was in staat geweest om toch de sloot over te komen de steile wand van de begraafplaats te beklimmen. Daarna waren ze hem uit het oog verloren. Ze zullen nog een uur op de begraafplaats rondgekeken hebben en ze maakten foto’s van mijn sloten en deur.  Het slot bleek intact te zijn, het was met een loper geopend en het penslot was onaangeroerd naar hun idee. Al met al was het goed afgelopen en ik kreeg te horen dat ik de volgende morgen moest verschijnen op het bureau aan de Fahrenheitstraat om aangifte van poging tot inbraak te doen. Voor de agenten vertrokken vertelde een van hen me dat er de laatste tijd een golf aan inbraken in de buurt was geweest. Verschillende keren achterom en af en toe door een voordeur open te breken.
Toch werd ik er niet geruster op en ik had midden in de nacht toch nog Chaim gebeld maar die nam niet op. Jolanda wel en die vroeg of ze moest langskomen. Dat was natuurlijk lief maar onnodig want die insluiper zou echt niet meer terugkomen. Wel besloot ik op te blijven en dan maar in de huiskamer te gaan zitten met gedempt licht aan en een goed boek.

Die nacht gebeurde er niets meer.

Alice © 2010