Dag zomer.

De kerkklokken verschillend in toon en afstand, ritme en timing, wekken me mild uit mijn droom. Ik droomde dat mijn fiets gestolen was. En mijn tent en slaapzak. In de nacht had mijn hoofd me namelijk op een camping gebracht tussen allemaal onbekende mensen op een plaats die er niet toe doet om iets te doen waarover datzelfde hoofd me inmiddels niet meer kan informeren. Het gevolg was dat ik wakker schrok me afvragend hoe ik de naaidoos van mijn moeder dan naar huis moest krijgen want dat is het soort probleem waar een vreemde droom je zo al voor kan stellen.

De zware oogleden weigerden om zich te laten optillen en mijn lijf vroeg om het rekken van mijn spieren. Zoals je dat doet wanneer je kampeert en de ritssluiting van de tent open doet om te zien dat er buiten dauw op het koude gras ligt. Half zittend in een tot de nek dichtgeritste slaapzak. Ik kantel mijn schuifpui een weinig open en voel de koude novemberlucht naar binnen stromen, mijn slaapkamer in. Over de kant van mijn bed waar een tijdje terug een geliefde sliep en ik ga half rechtop zitten zoals in die tent. Het dekbed dicht om me heen gewikkeld. Zo’n tweepersoons dekbed is gelukkig lekker groot. Minuten later begint na het uitsterven van de eerste klokkenserenade een tweede. Verder weg deze keer, hoger van toon maar dat zal door de afstand komen. In mijn hoofd plant ik de klokken die ik hoor op de stadskaart van mijn herinnering en ga de kerken langs die nu zelfs niet halfvol meer stromen. Al die klokken die zich laten horen om de mensen op te roepen naar het woord te luisteren dat eigenlijk bijna niemand meer wil horen. Ik realiseer me dat ik leef in de nadagen van een tijd waarin waarden van vroeger nauwelijks meer gelden. Het maakt me ondanks mijn eigen afwijzing van die waarden een beetje droevig.

Terwijl de bleek gele zon haar licht door mijn huiskamer strooit met een gulheid die twee schuifdeuren later tot aan mijn schrijvende handen toont denk ik aan gisteren. De avond, het zingen met die lieve man naast me die zoveel getalenteerder is dan ik. Aan een mars met gelijkdenkenden dwars door mijn stad, door de straten die ik allemaal in mijn hoofd stoep voor stoep kan doorlopen. Zelfs met de ogen dicht. Ik denk aan de kracht die we voelden en de zwakheid van het stil protest. Het verdriet van de honderd opgelezen namen, de zachte snikken van enkelen.

De kat trekt een sprintje en ik tel haar nadering. Trip, trip, tripperdetrip, kaboem.

Met een soepelheid die ze schaars vertoont land ze op mijn bed om me kopjes te geven en zich uiteindelijk te nestelen op het voeteneind, net naast het gordijn dat half open haar een blik naar buiten geeft. Een blik op de vogels die langs vliegend een aanlokkelijke prooi lijken maar vandaag mogen blijven vliegen. Slechts het geknars van haar kaken laat me weten dat er nog een roofdiertje in het bolletje wol verstopt zit.

Het is weer zondagochtend. Ingeklemd tussen weken waarin het in toenemende mate druk wordt in mijn agenda en mijn hoofd. Maar niet vandaag, het is de rustdag. Misschien ga ik nog naar Amsterdam maar ik twijfel want misschien is het beter om het verstand voor te laten gaan en deze dag te laten passeren zonder stempel ‘nuttig’ of ‘sociaal’. Misschien kan ik maar beter de afwas gaan doen, stofzuigen en een wasje  draaien. Misschien wandel ik liever over het strand met de jongen die zo snel groeit, de grens naar jonge man over gegaan is en die me zo trots maakt wanneer ik zie hoe hij zijn werk doet. Het strand, niet veel meer dan hemelsbreed een kilometer west van mijn bed. Goed aangekleed de novemberkou voelend om aan het eind onszelf te belonen met hete chocola. Want het mag dan november zijn en de herfst mag dan haar plek in dit jaar opgeëist hebben, in mijn hart zit nog steeds de zomer. De zomer die dit jaar me in het ootje nam door er niet te zijn. Maanden gevuld met ziekenhuis, verdriet en uitvaart. De hersens vullend met donkere gedachten en herinneringen. Ja mam, ik heb ook gisteren weer aan je gedacht. Net als eergisteren en de dag daarvoor. Ik heb je weer gevraagd of je het goed vindt wat ik doe. Of je een keertje wilt glimlachen naar me, van daarboven. Ik denk niet dat je me hoort want toen je nog bij me was moest ik alles al twee keer vragen.

Ik kijk nog even naar buiten, zeg de zomer die er niet was vaarwel en verwelkom de herfst die vandaag me haar zon geeft én verre kerkklokken, zelfs die van die kerk in Duindorp waar ze toen ze jong was knikkerde op de kerkbanken achterin tussen de andere kinderen die zo af en toe op de zondagen dezelfde kleur zonlicht zagen als ik nu. Want koude lucht laat het geluid verder dragen en kleur van de zon veranderd niet over tijd. Dag zomer, het ga je goed. Ik zal je nog wel een keertje tegenkomen.

Alice © 2010

5 thoughts on “Dag zomer.

  1. Niet normaal meer zoals JIJ dit kunt beschrijven.
    (je weet toch nog wat mijn beroep vroeger was??) Heeeeeel lang geleden.
    xx

Reacties zijn gesloten.