Dan mot je maar niet met van die ouwe zooi rondkarren.

Soms hoef ik alleen maar te luisteren naar de wereld om me heen om precies te weten waar ik ben en me daar heel prettig bij te voelen. Zoals vanmiddag in lijn zeventien van de Elandsgracht naar station Lelylaan. Het begint winters te worden. Mijn jas is te dun en de kou te scherp. Kortom ik had op de halte staan blauwbekken en bepaald langer dan ik gehoopt had. Wel een stief kwartier had het geduurd voordat de GVB tram verschenen was achter het beton van de Europarking vandaan. In een poging een kans op een fatsoenlijk plekje te vinden had ik de betrekkelijke bescherming van het bushokje (zoals in mijn hoofd tramhokjes ook heten) verlaten zodat ik voorin kon instappen. Het duurde slechts één halte voor ik de beloning kreeg van een uitstappende passagier. Het comfort van het niet meer een lekker jong ding zijnd leverde me een zitplaats op. Het was stervensdruk in de tram en bij zo ongeveer iedere halte werd in boterachtig Surinaams verzocht om toch vooral door te lopen naar voren, naar het midden of naar achteren. Een soort verbale pingpong door de conductrice in het achterdeel van de tram die, als je maar lang genoeg meereed, je het besef wel moest geven dat ze een spelletje speelde om de passagier dan weer de ene en dan weer de andere kant op te sturen.

Op een zeker moment voegde de Surinaamse equivalent van tante Lien er aan toe dat het vol was omdat er twee trams uitgevallen waren en ze toch liever had dat iedereen mee kon rijden. Of de mensen de instapdeuren maar vrij wilden houden. Naast me stond een Amsterdammer van ergens in de vijftig en op zijn typisch Amsterdams kwam zijn repliek er adrem uit.

‘Dan mot je maar niet met van die ouwe zooi rondkarren.
Waarom koop je dan niet eindeluk een paar nieuwe?’

Zo ongeveer de helft van de wagon schoot in de lach. De andere helft keek nors, stuurs of geërgerd voor zich uit maar niemand reageerde boos of zo. En ik wist ineens dat ik weer in Amsterdam was. De forse Turk naast me begon in al even smeuïg Turks-Amsterdams over hoe fijn hij de stad vond. Al die lieve mensen, waar vindt je dat nog? Vroeg hij zich af.

De rest van de tramrit verliep soepeltjes en nu eens een keer niet met de bloedvaart die in Amsterdam maar al te vaak door de trambestuurdes wordt gehaald maar met een decent en vlot gangetje. Zonder het gebruikelijk al te plots optrekken en tot stilstand komen. Derkinderenstraat voorbij was Lelylaan in zicht gekomen en omdat het druk was besloot ik niet naar achteren te lopen maar naar voren. De voorste deur was immers dichterbij en ik hou niet van het gedrang om naar een uitgang te komen.

‘Is het ok als ik er hier uit ga?’ vroeg ik.
‘Jij altijd schat, as je de deur maar achter je dicht doet.’

Mensen vragen weleens waarom ik Amsterdam prettiger vindt dan mijn eigen stad. Waarom ik zo graag in ‘020’ woon. Misschien maakt dit het allemaal duidelijk.

Alice © 2010

2 thoughts on “Dan mot je maar niet met van die ouwe zooi rondkarren.

  1. Ik ging laatst met de bus van Rijswijk richting Wateringen. Net iets te laat kwam er een vrouw van een jaar of 40 aanrennen. “Schoonheid, rijd jij ook door naar Maassluis?”, vroeg ze aan de ook al niet al te jonge mannelijke chauffeur. Mensen lachten even, maar niemand reageerde negatief.

    Pijnzend vroeg ik me af of dit in Amsterdam nu net zo goed zou kunnen als in Den Haag…😉

    Mensen zijn mensen, waar ze ook wonen. Sommigen hebben humor, andere alleen een humeur…

    Groetjes,

    Frederique

Reacties zijn gesloten.