Het verval.

Ik ben geboren in Den Haag. Tegen mijn gevoel in woon ik er ook. Alles bij elkaar genomen heb ik nu 32 jaar van mijn leven in deze stad gewoond. Hoewel de straten me bekend  zijn en ik wel een zekere trots heb op de toch aparte structuur van de stad zal ik Den Haag niet zo snel mijn stad noemen. Dat heeft er mee te maken dat het een stad is van ambtenaren, gezinnetjes en diplomaten. Overladen met ex-pats in de mooiste buurten, mensen die door de aard van hun bestaan geen enkele bijdrage leven aan de stad waar ze wonen. Consumeerders zijn het die me irriteren op een manier zoals toeristen Amsterdammers irriteren.

Stationsbuurt gezien vanaf de verkeerde kant.

Wat ik wel ik mijn stad, om haar nu toch maar even toe te eigenen, op waarde schat is het ongegeneerde chique. Er zijn van die plekken, winkels en bedrijven die een allure geven aan deze stad die in andere steden niet snel te vinden is. Amsterdam mag dan zijn Amstel Hotel hebben maar dat is toch een vooral platvoerse tent vergeleken met Des Indes aan het Lange Voorhout in Den Haag ingeklemd tussen Dennenweg, paleis Voorhout, Sacher in de richting van de Hofvijver en Pulchri en de Kloosterkerk in de richting van het beste, en bij tijd en wijle meest omstreden, Indische restaurant Garoeda aan de Kneuterdijk. Alleen in Den Haag praten we over Indië in plaats van Indonesië. Haagse Indische restaurants zijn geen Indonesische restaurants en zeker geen Indiase zoals veel toeristen en ex pats veronderstellen.

Den Haag is Berlage. Met de beroemde kiosk op het Buitenhof op de kruising van vier denkbeeldige lijnen vanuit de enige mooie bioscoop van de stad, de schilderijengalerij Prins Willem V (het eerste openbare museum in ons land), de Passage en het pand van de Bonneterie. Jeweetwel die truttige kledingzaak die ook in Amsterdam zit maar die in Den Haag eigenlijk pas echt op haar plek is met in de zaak een grote koepel en kleding die bij het ontwerpen al uit de mode is en dus perfect past bij de Haagse chique (met q u e in plaats van het platte chic met een c). Met Berlage’s grootste prestatie in de vorm van het Haagse Gemeentemuseum. De Amsterdamse beurs van Berlage mag dan bekend zijn maar eenmaal het gemeentemuseum gezien hebbend zal iedereen beseffen dat dit het erfstuk van de grote architect is. En met het pand van Meddens. Meddens, de Rotterdamse kledingwinkel die zich ook in Den Haag, Haarlem, Hilversum en Leidschendam gevestigd heeft maar eigenlijk alleen in Den Haag in een passend pand had dat door Berlage ontworpen is.


Berlage’s mooiste: het Gemeentemuseum

Maar Den Haag lijdt aan langzaam verval. Aan een veronachtzaming van de eigen megalomane architectuur uit oude tijden. Veel is verloren gegaan, niet door oorlogen maar door branden en door economisch slechte tijden. Het gebouw van de oliemaatschappij aan de kop van het Malieveld wordt nu bevolkt door de gieren van de nieuwe economie, een advocatenkantoor. Het monumentale kantoor van de Centrale Directie van de PTT is nu opgesplitst en verdeeld over verschillende organisaties. Asta, de andere grote bioscoop aan het Spui, is al jaren gesloten en verworden tot bouwval, de Passage is als het om winkelaanbod gaat marginaal. Gelukkig zitten er een geweldige boekhandel, een onvoorstelbaar goede banketbakkerij, een bijzonder restaurantje uit vervlogen tijden én de beste kookwinkel van de stad want anders zou er geen mens meer over het marmer komen lopen. En nu gaat, om de hoek van de Passage, Meddens sluiten. Een modewinkel die meer dan honderdtachtig jaar bestaat en in een paar jaar tijds in verval is geraakt. Zelf bewerend slachtoffer van de slechte economie maar iedereen die de winkel ziet begrijpt de echte redenen. Collecties die oubollig zijn, extreem hoge prijzen voor kleding die werkelijks niets anders uitstraalt dan slechts de saaiheid van de familie Doorknoper en een winkeluitstraling die je duidelijk maakt dat je er vooral heel veel tijd kwijt bent om dat sjaaltje te verkrijgen. Alsof je aankopen eerst in zo’n ritselpapiertje gelegd gaan worden voordat ze in de draagtas met echte katoenen hengseltjes worden gedaan.


Berlage’s pand voor Meddens

Persoonlijk heb ik nooit een voet over de drempel van de Meddens vestigingen gezet, afstotend als ik het Meddens modebeeld vind en afgeschrikt door de aanblik van de prijskaartjes in de altijd doodsaaie etalages. Toch voelt het wegvallen van dit bolwerk van truttigheid als een verlies. De winkel in Berlage’s pand hoorde bij de stad, zo gelegen tegenover het Binnenhof. Vanuit Dudok kan je als je bij de ramen gaat zitten de clientèle van Meddens de winkel in en uit zien lopen. Het is de snelste manier om het begrip ‘rechtse bal’ te kunnen koppelen aan het uiterlijk van mensen. Het verlies van de zaak zal voor de VVD ongetwijfeld als een donderslag zijn aangekomen want zelfs Tommy Hilfinger wordt in deze winkel nog als te frivool gezien. De website van Meddens had immers een pagina ‘kledingetiquette’, kom daar maar eens om in de hoofdstad!


Voor wie de etiquette niet kent.

Nee, Den Haag vervalt. Met de introductie van tramtunnels met houten vloeren die ieder jaar gelakt moeten worden en muren die er uitzien als die van een Italiaanse grotto, met de high risers rond het Centraal Station die tezamen meer Manhattan maken dan het Manhattan aan de Maas, met een overdaad aan dameshak onvriendelijk plaveisel verspreid door het winkelgebied (probeer maar eens met hakjes rond de Haagse Toren te wandelen) en met de opkomst van urban chic rond de Grote Markt (die eigenlijk juist klein is), met al die modernismen en verworvenheden is de stad haar ziel snel aan het verliezen.

Slechts een wandeling over de pleintjes (Anna Paulowna, Prins Hendrik, et cetera) en een flaneer poging op het Lange Voorhout of de Frederik Hendriklaan doen je nog het gevoel krijgen in Den Haag te zijn. Het zijn de restanten van een tijd die voorbij gegaan is. Nog bestaande en levende herinneringen die me laten weten wat het is om Haags te zijn. Tot uiteindelijk ook die onontkoombaar eens zullen vervallen en vervormen onder de planologische orgasmen van weer een nieuwe wethouder van stadsvernieling. Het Haagse verval, het is geen weemoed maar juist liefde want dat verval maakt alles zo waardevol.


De nieuwe onhaagse Haagse skyline

Alice © 2011

One thought on “Het verval.

  1. Alice,

    Wat een heerlijk verhaal. Over ‘s-Gravenhage. Over chique. Maar ook over verval. En dat is in Den Haag van alle tijden. Wie herinnert zich de oude Schedeldoekshaven nog, of de prachtige statige panden aan de Bezuidenhoutscheweg (met “ch”), Maison Krul. Van “Haegsche Dingen en Dingen die voorbij gaan” en de Haagsche Courant? En ja, gelukkig zijn er ook nog mooie gebouwen zoals Hotel des Indes (alleen de naam al) maar ook Maison de Bonneterie.

    Maar dat is wat steden doen, zich aanpassen aan de huidige tijd. Je hebt het over de tramtunnel als voorbeeld. Dat is een goed voorbeeld. Ik herinner me namelijk ook de dagelijkse uren durende files in de Grote Marktstraat. De smerige diesellucht in de binnenstad. Miljarden geparkeerde auto’s OP het Lange Voorhout.

    Niet alles is een verslechtering. Ik mis dat oude Den Haag van mijn jeugd, zoals ik mijn jeugd mis. Maar om in een “beschermd stadgezicht” te wonen? Lijkt me niets aan. Den Haag, met haar lege paleizen, lééft. En ik woon er graag.

    Maar een mooi verhaal is het, ik heb ervan genoten.

Reacties zijn gesloten.