Wandeling naar Kopan Monastery.

3 maart 2011, Kathmandu, Kopan Monastery.

De wandeling bergop was zeker de moeite waard. Het kleine klooster mocht niet bezocht worden maar het grote Kopan Monastery dus wel. Eerst was een bezoek aan de tanka schilders de moeite meer dan waard. Het vakmanschap van hen is zo groot. Met ongelooflijk detail schilderen zij de traditionele voorstellingen: de Boeddha’s, de mandala’s en de verbeeldingen van de vele verhalen en sagen uit het Boeddhisme. Ik zoek een kleine tanka van redelijke kwaliteit uit en na wat onderhandelen komt er een mooie prijs uit waarna ik de zoon van de schilder het verhaal van vier harmonieuze vrienden uitleg, hij kende het niet wat mij verbaasd. Ik krijg wat te drinken en te eten. Daarna loop ik naar de ingang van het grote klooster. Achter de anonieme poort ligt een prachtig kloostercomplex dat perfect onderhouden is en onvoorstelbaar kleurrijk. De vele tanka’s bij de ingang van het hoofdgebouw zijn indrukwekkend. De rust is er weldadig en binnen de kortste keren ben ik in een volslagen andere dan de mij bekende wereld.

Monniken lopen af en aan en er tussendoor een enkele westerling. Doorgaans zijn zij niet de gebruikelijke toeristen maar mensen die iets zoeken. Rust wellicht of anders juist een impuls tot creativiteit. Op de trap van het hoofdgebouw zit een westerse vrouw te schrijven. Ik ga aan de andere kant van de trap zitten om hetzelfde te doen. Kraaien en andere, vrolijker kwetterende, vogels maken samen met kinderstemmen in de achtergrond en het continue geruis van een watervalletje dat op het plein voor het gebouw is aangelegd kleuren de omgeving met vriendelijk en rustgevend geluid. Het is onmogelijk om hier gehaast te zijn want haast is volstrekt zinloos in deze wereld. Ik ben het hoofdgebouw niet ingegaan omdat mijn reisgenoten nog moeten aankomen hier. Ik ben immers tot mijn grote tevredenheid alleen naar boven gewandeld. De eenzaamheid doet me goed. Eenzaamheid is een verkeerd woord overigens want ik voel me in deze omgeving alles behalve eenzaam. Met verbazend gemak kom ik tot gesprekken met de mensen die ik tegenkom en iedereen heeft een verhaal. De mensen, of ze hier nu wonen of slechts voorbij komen boeien me mateloos. Hoewel het groepje iPhone toeristen uit Australië kan me niet echt boeien. Ze lijken hier niet op hun plaats. Ik daarentegen voel me hier nadrukkelijk wel op mijn plek. Alsof deze plaats hier op mij gewacht heeft. Het zou goed kunnen dat ik hier over enige tijd weer zal zijn, langer en wellicht ook periode hier leven. Aan de andere kant zou ik nog veel liever een nog stillere plaats, een klooster waar geen westerlingen zijn bezoeken om me in mezelf te verdiepen. Gewoon een maand de wereld de wereld laten zijn en een boek schrijven. Het lijkt me een bijzonder eenvoudige taak die ik mezelf graag opleg.

Ik probeer ondertussen een idee te krijgen hou oud dit klooster is maar dat lukt me niet. Alles is netjes onderhouden en heeft een hoge graad van perfectie over zich. De kleuren zijn helder en de schilderingen gedetailleerd. Ze zijn oud maar nog verbazend mooi. Zo hier en daar is het solide marmer van treden gerepareerd met ingelegde stukken wat me de suggestie geeft dat deze plek een paar honderd jaar oud zal zijn. Er voegen zich andre reizigers bij de vrouw en mij op en rond de centrale trap. Meest vrouwen overigens. Vanuit de verte hoor ik de lage didgeridoo achtige bromtonen en de middelhoge tonen van de hoorns van de monniken in het andere ontoegankelijke klooster. Ik voel de tijd verglijden en het is een heerlijk gevoel. Over een paar dagen ben ik weer in Nederland en ik heb geen idee wat ik er te zoeken heb behoudens mijn kinderen en vrienden. Mijn aanwezigheid in dat land lijkt volslagen nutteloos geworden. Het is, zo vertelde de Welshman Lindsay me gisteren voordat hij een lied voor me zong en we samen nog wat Leonard Cohen liedjes zongen, een gevoel dat meer mensen hier hebben en dat als gevolg heeft dat ze een aantal jaren op deze plek blijven hangen. De losvaste bewoners van Boudah waar de grote stupa staat. Misschien wordt ik een tijdje één van hen.

Later in de middag zit ik in de tuin bij de rijk versierde en blijkbaar even rijk gevulde stupa in een hoekje op het harde gras te genieten van de prachtige tuin, de vormen van de struiken, de bloemen die inmiddels bloeien aan de vlinderstruik naast me en de weldadige stilte. Links van me loopt een babbelend groepje Japanners de stilte te verstoren. Het zijn studenten denk ik gezien de unformpjes die gedragen worden. De meisjes van een jaar of zeventien dragen een zakelijk mantelpakje en zijn zonder uitzondering hooggehakt. Het gezelschap valt volledig uit de toon door de kleding die ze dragen en die onvervalst stads is en het gebabbel dat hier op deze plek eigenlijk niet past. De hakjes tikken op de stenen rond de stupa en de onafwendbare cameraatjes worden uit de tassen gehaald om, vreemd genoeg, foto’s te maken van de omgeving met elkaar op de voorgrond. Japanse toeristenfotografie. De stupa lijkt ze te ontgaan terwijl het ding toch bijzonder dominant is. Kortgerokt en hooggehakt vervolgd het babbelgroepje zijn weg waarna er drie jonge monniken ineens langs me rennen naar de stupa en wat rommelen met de boterlampjes om daarna als een haas verder te rennen, het zicht uit. Monnikjes spelen ook.

Op nog geen drie meter links achter mij zit iemand, ik voel de aanwezigheid zoals je de aanwezigheid van iemand kunt voelen zonder te zien. Er is geen geluid meer. Beiden zijn we in onze eigen wereld met onze eigen zintuigen. De persoon achter me leest, zoals de meeste westerlingen hier lijken te doen. Ik schrijf en bevindt me aan de andere zijde van de keten die van gedachte tot boek leidt. Ik stop even later met schrijven en berg mijn laptop op. Misschien moet ik maar eens beginnen aan de wandeling naar de drukte rond de grote stupa beneden in het dal.

Alice © 2011