Twee vrouwen in Nepal.

In de straat beneden mij rijdt de ene na de andere riksja door het chaotische verkeer dat verder vooral bestaat uit motorfietsen, bussen, vrachtauto’s en minibusjes. Het leven daar beneden passeert me, ik ben er soms een onderdeel van en soms niet.

Toen ik in mijn eigen gedachten nog jong was liet ik het leven passeren zonder te begrijpen je pas leeft als je tot je kern komt. Met weinig jaren achter mijn naam was het niet vreemd om in de sleur mee te gaan. Opgroeien, schoolgaan, werken, trouwen, vader zijn. Een huisje, een boompje in de tuin en een beestje op schoot. Het echte leven beet me dan wel regelmatig maar nooit zo hard dat ik begreep dat ik van mezelf wegliep, al die jaren. Dat ik moest veranderen om mezelf te kunnen zijn. Nog geen tien jaar terug barstte het. Juist op een moment dat alles zo netjes op orde scheen met drie kinderen, een lieve vrouw, eigen bedrijf, de nodige maatschappelijke status en bijpassende rijkdom. Alsof het al die tijd slechts een door oude lijm vastgehouden gebarsten vaas was. De berg met scherven was enorm en het opruimen er van kostte een decennium. Mijn eigen scherven en sommige van hen die me lief zijn. De meeste zijn nu bijeengeveegd op slechts een enkele na. Ach, iedereen heeft wel ergens nog wat onopgeruimde rommel.

Het leven bleek uiteindelijk niet naar mij toe te komen, ik moest er naar op zoek gaan. Jaren deed ik daar over. Ik moest ervaren wat het is om zo goed als alles wat anderen in het leven belangrijk vinden te verliezen en dat dan nog fijn vinden ook. Leren wat èchte vriendschap betekend door anderen in mijn hart toe te laten. Dus ik ben eerst de strijd aangegaan en nadat ik die overleefd had ging ik op zoek. Naar wie ik ben, wat ik in dit leven wil en wat ìk belangrijk vind. Niet wat me aangeleerd was. De zoektocht is nu zelf het doel geworden, de oorspronkelijke vraag verdwenen in een mist van reizen, ontmoetingen en ervaringen. Mijn ouders, bedrijven en oude leven, ze zijn er inmiddels al lang niet meer. De knip in de tijdlijn van mijn bestaan is welhaast volledig geworden, met alleen mijn kinderen aan de goede kant er van. De rest, ‘oude vrienden’, ‘familie’, de meesten bestaan niet meer in mijn leven. Er is een nieuwe familie, er zijn nieuwe vrienden. Sommigen zijn als de zussen en broers die ik nooit had, ook als we elkaar soms maanden niet zien. Er is, ondanks dat ik dàt probeerde niet te vinden, een doel in mijn leven gekomen. Onverwacht is mijn bestaan voller geworden dan ooit. Een ingevulde leegte door een combinatie van toeval, vechten, een duwtje hier, een ideetje daar en hard werk. Ik kijk niet om met tranen maar vooruit met een open blik.

Jaren later zit ik dus, een vrouw van middelbare leeftijd, op het dak van dat huis ergens in Damak, een onaanzienlijk provinciestadje in het uiterste zuidoosten van Nepal en staar naar de mensen in de straat beneden me. Ongeveer vijf kilometer verwijderd van me is een vluchtelingenkamp waar duizenden in bamboehutten een bestaan hebben voorzien van alle gebrek aan luxe. Er wonen vrienden van me. Ik ben nu driekwart jaar aan het werk om mijn eerste film te maken. Ergens onderweg heb ik weer een roman geschreven, mijn vijfde in even zovele jaren en de derde die ik voltooid heb. Ik begin mezelf als schrijfster langzaam te begrijpen. Reizen in Azië is, als je dat alleen doet, niet eenvoudig. De beste manier blijkt vooral om westerse haast en die idiote westerse behoefte aan luxe af te schaffen. De aardigheid is dat, wanneer zo’n reis maar lang genoeg duurt, beide inderdaad verdwijnen in de mist van de trillende dampen in de verten boven rivierbeddingen en door de moesson doordrenkte rijstvelden. Achter me weet ik dat de eerste heuvels liggen van de bergen die uiteindelijk buiten mijn blikveld die Himalayas worden. Maar ik hoef ze nu niet te zien, dat komt later wel. Ze bloeden bij tijd en wijle dikke stromen water door die vooral onberekenbare moesson. De moesson die als een frisse douche regelmatig de dampende hitte doorbreekt om een dag later zich te verstoppen in diezelfde bergen en het land over te leveren aan een onbarmhartig brandende zon, als een slapende draak. De temperatuur loopt regelmatig op tot veertig graden wat het leeftempo vanzelf gedrukt. Het stenen huis bestaat uit drie verdiepingen en staat aan de uiterste rand van het stadje. Traditioneel gebouwd met een centrale trap en ventilatoren in elke kamer. Er is een koude douche en een toilet in het huis, wat hier een luxe is. Achter is ook nog een waterput. Alles dus wat een mens nodig heeft comfortabel te kunnen leven en zich veilig te voelen. Er hangt een groot slot op de deur en als ik alleen ben moet ik die deur op slot houden. Het schijnt dat er soms mensen proberen in dit soort huizen in te breken. De straat ervoor is een zandweg en er is een maar paar uur per dag elektriciteit. En het kost me absoluut geen moeite om me hier thuis te voelen.

Beneden woon ik met een jonge vrouw. Haar moeder is in Engeland op familiebezoek. Een vriend van me regelde dat ik bij haar kan logeren in ruil voor gezelschap. Babiti heet ze en ze is vaak eenzaam. Ze is bijna dertig en in haar huis wonen op de andere etages nog een paar jonge vrouwen en haar neef, ‘Cousin brother Tibi’. De eerste nacht slaap ik nog in een aparte kamer maar wanneer we een dag later lang gesproken hebben en ze me voorzichtig duidelijk maakte dat ze geen ‘boyfriend’ heeft omdat ze niet met een man wil leven, delen we haar bed. Ze was blij verrast toen ik zei dat ik ‘just like that’ ben en nu hoeven we niet alleen te slapen. We praten vaak lang in het duister van de nacht en ondanks de warmte is het prettig om elkaars nabijheid te voelen. Ze ruikt lekker. We doen samen de was, gaan samen naar de markt en we koken samen. Gebakken rijst met groenten en heerlijke curry’s. Ineens verteld ze dat ze vaak verdrietig is omdat ze graag zo samen zou leven maar dat dat niet kan in haar cultuur. Haar vader is overleden toen ze jong was en haar moeder verwacht dat ze met een goede man trouwt ondanks dat zij ook wel weet dat haar jongste dochter liever met een vrouw leeft. De vriendin die ze had is inmiddels getrouwd en heeft zich gevoegd naar de traditionele cultuur. Ze had geen keus want huwelijken worden hier gearrangeerd. Sinds die tijd is Babiti weer alleen. Aan de muren van Babiti’s kamer alleen foto’s hangen van mooie zangeressen en actrices.

We maken ochtend- en avondwandelingen door de omliggende straten en langs de rijstvelden die een favoriete plek van me zijn geworden. Er iets niets mooiers dan een zonsondergang boven die heldergroene velden die onder een laagje water staan. Na zonsondergang komen er duizenden vuurvliegjes boven de velden dansen in een eindeloze ongeordende groepsdans. Ondanks de klaarblijkelijke aanwezigheid van slangen en de noodzaak om de benen regelmatig te controleren op bloedzuigers, voelen we geen angst tijdens die lange wandelingen. We genieten er van in de wetenschap dat over een week het allemaal voorbij zal zijn. We praten niet over de dag dat ik terug naar Kathmandu moet. Wel vraagt ze me soms of ik me haar zal herinneren als ik in Nederland ben. Kijk ik opzij dan zie ik de kleine vrouw naast me lopen met haar lange in de wind opwaaiende haren die zich vanzelf halverwege haar rug draperen. Ze is mooi. Niet zo frêle als de meeste van haar vriendinnen, met prachtige donkere ogen waar het niet moeilijk is om in te verdrinken. Voor we weer bij het huis aankomen gaan we naar de tempel, puja doen. Het is een Hindoe tempel, klein met een rode puntige koepel er boven die als een muts op het gebouwtje staat. Hij wordt gedeeld met Boeddhisten als Babita. Binnen hangt de zoete geur van bloemen en kruiden. Ik krijg een bloemenkrans van haar, gemaakt van geel-oranje aaneen geregen bloemetjes. ‘We friends’, fluistert ze me toe en de plaatselijke tempelbewaarder, een oude pandit, kijkt ons een even indringend aan met zijn donkere ogen. Babiti’s betoverende lach ontlokt een glimlach aan de streng devote man die verder gaat met zijn religieuze werk terwijl wij om de kern van het gebouwtje lopen en de ‘lord Boeddha’ en de Hindoe goden groeten die ons aankijken. Ik weet dat we de komende dagen we twee keer per dag, in de vroege morgen en na zonsondergang de wandeling naar de tempel zullen herhalen.

De volgende morgen is ze al op wanneer ik ontwaak. ‘Chhia?’ vraagt ze terwijl ze me thee met melk, kruidnagelen en kardemom brengt en ik de slaap uit mijn ogen wrijf. Een uurtje later verlaten we het huis, zij op weg naar de school waar ze werkt en ik op zoek naar een plek om te schrijven. Ik probeer niet verliefd te worden en concentreer me op het lezen van de borden langs de weg in het lastige Devanagari schrift dat ik mezelf probeer eigen te maken. Even later zorgt de kleine ventilator boven me ervoor dat ik niet smelt want de hitte voelt als een loden jas. Weg van alle lawaai vertrouw ik het zoveelste puzzelstukje van mijn leven aan het geheugen van mijn computer toe. Ik denk aan de waarschuwing van een vriendin dat een lang verblijf in dit land Nepal kan betekenen dat er een tweede thuis ontstaat. Ze had gelijk. Even voel ik me verscheurd tussen het verlangen weer in Nederland te zijn, mijn kinderen en vrienden te zien en het gevoel dat dit land hier veel meer is dan een plek die ik bezocht om te filmen en schrijven. Om vier uur zie ik haar weer en zijn we een avond en nacht niet alleen, voor een paar uur weer twee vrouwen in Nepal.

Alice Verheij © 2011

3 thoughts on “Twee vrouwen in Nepal.

  1. durf verliefd te zijn al is het maar voor even , genieten voor de volle 100% is kwaliteit … en dat telt boven kwantiteit – duur – afstanden …
    we hebben toch alleen het moment van nu

    lieve groetjes van een mede reiziger , je verhaal laat mij als zo vaak denkend achter – begrijpend – evaluerend – mee voelend

    liefs Sil

Reacties zijn gesloten.