Jünkerath

Morgen is mijn moeder twee jaar dood. Mijn vader is dat al 11 jaar. Ik ben wees. Ik heb mijn ouders gekend en mijn moeder mij. Of mijn vader mij gekend heeft betwijfel ik want ik heb maar één teken gekregen dat hij me kende. Het blijft ingewikkeld. Zo ingewikkeld dat ik dit verhaal nooit uitgeschreven heb terwijl het zo een belangrijke plek in mijn leven inneemt. Vandaag doe ik dat dan toch maar. Omdat het verhaal me er toe dwingt en ik alleen maar kan volgen wat het verhaal zegt.

Het was 2001. Eind april. Mijn vader, een doorgaans duidelijke en gedecideerde man, was enkele weken eerder in as opgegaan. Onverwacht zoals dat soms gaat bij ernstig hartfalen. Het ene moment belden we nog met elkaar en een dag later was het eigenlijk voorbij. Nou ja, vijf dagen later naar het schijnt. Maar die vijf dagen herinner ik me niet zo goed meer. In dat soort situaties wordt tijd ondergeschikt aan emotie.

Zoals gezegd, de as was uitgestrooid en zijn leven vervlogen en ik wist, dacht te weten, dat mijn kans om hem te laten weten wie ik werkelijk ben samen met die as boven de kille Rijswijkse polder waar het uitstrooiveldje in de buurt ligt vervlogen was. Een uitstrooiveldje. Het woord is nog steeds een even surrealistische als concrete omschrijving van een lapje gras met afrikaantjes er omheen geplant waar de restanten van een leven uitgestrooid worden. En, als er een beetje wind staat, met de wind meegevoerd worden. Enfin, zijn as was dus ergens tussen dat groen en het loodgrijs van de lucht verdwenen. Ontraceerbaar en daarmee was een leven afgesloten. Ik zou de goede man nooit meer zien want in de hemel zoals die me op de lagere school door de juffrouwen Prakken en Kloosterman waren afgeschilderd geloof ik al lang niet meer. Wèl, zo wist ik inmiddels, zou er een gerede kans zijn dat ik iemand anders met de ziel die niet in as gevangen was tegen zou komen. Als in een volgend leven, een reïncarnatie. Want zoals ik niet in die hemel op witte wolken geloof ben ik wel overtuigd dat het einde geen einde maar een begin is.

De volgende dag was een rouwdag. Die daarna ook. En die daarna. Onwerkelijk omdat het gemis van iemand die me zo na stond nog niet te verklaren was. En pijnlijk omdat het moment dat er had moeten zijn nooit gekomen was. Ik had de kans voorbij laten gaan. Gewoon omdat ik er niet aan toe was en dat overigens pas jaren later zou zijn. Dagen vervlogen en het gemis verdween niet. Na een week reedt ik terug van mijn werk in mijn te grote leaseauto en tikte het nummer op de telefoon aan. De vertrouwde stem van mijn vader klonk door de speakertjes van de autoradio. Hij stond nog op het antwoordapparaat en ik had een paar seconden de neiging om iets terug te zeggen. Het ‘hallo pa’ was nog net van mijn lippen gerold toen ik de werkelijkheid van de in elektronica gevangen stem besefte. Ik hing op. Geschrokken. Waar het antwoordapparaat later gebleven is en wat er met die ene opname van zijn stem die zo bewaard was gebleven gebeurt is weet ik niet. Het is in ieder geval verdwenen en meteen bedenk ik me de dwaasheid van de handeling van het wissen van het bandje met die stem. Of het weggooien er van. Mijn ouders zelf waren niet zo van het gedenken. Graven mochten er niet komen want ze vonden het maar verspilling om hun kinderen naar een steen te laten kijken waar ze net een bosje bloemen bij zouden hebben gelegd. Nee, het moest spoorloos zijn. En zo is er niets meer terug te vinden van zowel mijn vader als moeder. Het kind in mij begrijpt dat nog steeds niet maar tegelijk is er wel een soort duidelijkheid in hun keuze die achteraf gezien niet vervelend is. Ik heb het geluid van het antwoordapparaat weggedrukt en ben ontdaan langs de kant van de weg gaan staan. Misschien wel een half uur of zo. Weer een week later was ik gewoon naar bed gegaan en snel in slaap gevallen.

Mooi he? Hij keek me aan met de bekende glimlach die hem sierde als hij het naar de zin had. We stonden op de heuvel in het bos waardoor de kleine rivier de Kyll in een dal stroomde om uit te komen in een klein stadje. Jünkerath. Vanaf de heuvel was het station te zien en onze blik gleed over de spoorlijn die ergens links onder ons het bos uit brak om ergens aan de andere kant van het stadje recht voor ons weer in een bos te verdwijnen. Er scheen een week zonnetje want het had net geregend en het bos rook zoals de bossen in de Eifel ruiken. Ik zat op mijn fiets die ik al sinds mijn dertiende verjaardag had. Een rode Gazelle met te weinig versnellingen naar mijn zin. Hij zat op zijn oude Jüncker Paramount. Mijn zoon rijdt nog altijd op die fiets. Hij zag er geweldig uit, gezonder dan ik hem in jaren had gezien. Niet getekend door roken en alcohol maar gebruind door de zomerzon. Hij wees met zijn rechterhand losjes naar het stadje en mijn ogen volgden de richting die zijn hand aangaf. Ik wist dat we daarvoor naar herten hadden gekeken op de open plekken in het diepe bos. Het was nog vroeg in de ochtend en door de regen hing er een waas in het dal waar het licht doorheen scheen. Je kent dat wel, gefiltert licht waardoor alles zachter en mooier wordt.

Ik keek opzij. Hij stond niet meer naast me. Hij was nergens meer te zien. Verdwenen. En ik werd wakker. Ik heb hem nooit meer gezien daarna. Ook niet toen ik er wel aan toe was kennis te maken met hem. Maar in mijn gedachten is hij er nog en probeer ik het hem te vertellen. Wie ik ben. En waarom. Naar Jünkerath ben ik niet meer terug gegaan. Het stadje en het bos zullen veranderd zijn. De open plek zal niet meer bestaan. En dat verlies wil ik niet ook dragen.

Alice Anna © 2012