Gevecht.

Ik ben van nature een vechter. Niet vreemd met een leven zoals ik dat heb gehad tot op de dag van vandaag. Maar ook vechters kunnen moe worden. Ik heb jaren lang twee keer per jaar de balans van mijn leven op dat moment opgemaakt. Om te zien of er vooruitgang was of achteruitgang. Ik ben ermee gestopt. Want er brand een vuur in mij dat die balans onzinnig maakt.

Er is veel waar ik blij mee ben. Vriendschappen, mijn kinderen die ik zie opgroeien tegen de stroom en de wind in tot prachtige mensen waar ik verdomd trots op ben. En er is die vriendin, en nog een paar andere mensen, waar ik zoveel van hou en die me zovaak laten merken dat ik van belang ben voor ze. Dat is hartverwarmend natuurlijk.

En er is een soort levensvervulling. Mijn werk voor mensenrechten, voor de zichtbaarheid van een groep mensen die niet gezien worden maar die veel verloren hebben. Vriendschappen die niet meer onderhouden kunnen worden door de onnoemelijke afstand die er kunstmatig geschapen is tussen hen en hun vrienden en vriendinnen. En familiebanden die opgerekt zijn omdat broers, zussen, ouders, neven, nichten, ooms, tantes en opa’s en oma’s over de wereld uitgestrooid zijn als poedersuiker, zoals een journaliste naar aanleiding van mijn werk schreef.

Maar het is niet genoeg. Het is niet genoeg om gelukkig te zijn en het is onvoldoende om me te binden op de plaats waar ik leef. Natuurlijk, ik ben blij met de bescheiden ruimte in dit huis waar ik mag wonen en de paar spulletjes die me nog resten van een leven dat al vijftig jaar duurt. Maar zo goed als deze plek is, zo beklemd ze me regelmatig. Die beklemming komt door de nu al zeker tien jaar voortdurende druk van een steed penibeler situatie als het om geld gaat. Van betrekkelijke welstand ben ik vervallen tot armoede. Mijn inkomen is in krap zes jaar tijd gereduceerd tot niet meer dan vijftien procent van wat het ooit was. Onvoldoende om naast huur en eten ook nog ziektekostenverzekering, de andere nomale verplichtingen en kleding te kopen. De maanden dat aan het eind van de maand er niet voldoende is om te eten zijn inmiddels zo talrijk dat ik ze niet meer tel. Een dak boven mijn hoofd is niet vanzelfsprekend meer voor me. De armoedegrens is iets dat ik voor mij niet een ongrijpbaar virtueel gegeven is maar een toestand waar ik dagelijks mee te maken heb.

Ondertussen slijt mijn lijf. Gezondheid wordt slechter als er ermoede is. Noodzakelijke behandelingen stel ik uit, want ik kan de lasten niet dragen. Ieder jaar voel ik dat ik slechter ben.

De goede kant is dat de scherpte van mijn bestaan me ook loutert in zekere zin. Met flauwekul hoeft niemand meer bij mij aan te komen en ik walg van de luxe problemen die mensen soms zichtbaar maken maken. De armzaligheid van de maatschappij, de kortzichtigheid en het gebrek aan compassie irriteren me. De leegheid van het bestaan van zoveel mensen ook. Er lijkt welhaast niets mer te zijn dat het intellect mag prikkelen en nog minder dat de cultuur mag versterken. Een maatschappij zonder respect voor kunst, voor cultuur, voor mensen in het algemeen en zwakkeren in het bijzonder verafschuw ik met de dag nadrukkelijker. Zozeer dat ik er geen deel van wens uit te maken. De meeste televisieprogramma’s doen mij mijn maag omkeren en het ongebreidelde egoïsme van de westerse samenleving anno 2012 is in zijn monsterlijkheid zo grotesk geworden dat men niet eens meer ziet dat het monster een monster is. Het maakt dat ik me steeds nadrukkelijker afkeer van deze gestoorde wereld.

Natuurlijk, ik probeer mijn situatie te verbeteren. Want wat moet ik anders. Natuurlijk, ik werk keihard om mijn dromen en idealen te verwezelijken. Ik schrijf mijn romans, mijn gedichten en verhalen, ik maak mijn foto’s en film. En die websites als me dat gevraagd wordt. Ik loop mee met de stroom van lemmingen naar de rand van de rots.

Maar ik stort me er niet af. Ik keer me af van de teloorgang van wat westerse beschaving wordt genoemd maar inmiddels geen donder meer heeft te maken met beschaving. En ik werk er aan om net voldoende bij elkaar te grabbelen om me definitief af te kunnen wenden van een wereld waar ik geen deel van wil uitmaken. Om zodra het mogelijk is af te reizen naar een heel andere plaats waar ik gewoon verder ga met wat ik het liefste doe en beste kan. Schrijven, boeken maken, fotograferen en filmen. Mijn ideale wereld is niet hier, die is ruim tienduizend kilometer zuidoost van mijn kleine kamer. En ik weet zeker dat wanneer ik de kans krijg om me daarheen te verplaatsen om te werken voor een beter leven daar, ik de hardst werkende en meest gemotiveerde zal zijn. Dat westen waar ik dan vandaan gekomen ben zal ik niet missen, zoveel weet ik zeker.

Natuurlijk, er zullen er genoeg achter blijven hier die me dan voor gek verklaren. Ze doen maar. Zij zijn niet mij. Ze leven niet mijn leven en hebben niet mijn dromen. En de meesten leiden hun leven niet alleen maar zijn gebonden aan een ander waar ze bij in de buurt willen zijn. Bij gebrek aan zo’n binding ligt mijn lot in handen van mijn vermogens. Van wat ik kan. Waar dat me brengt, ik weet het niet. Waar ik wil dat het me brengt weet ik echter des te beter. En gelukkig is de wereld tegenwoordig klein genoeg om met die enkeling in het westen waar ik wel een verbinding mee heb, familiaal of vriendschappelijk, die verbinding in stand te houden. Gehinderd wellicht maar wel aanwezig.

Mijn leven is nog steeds een gevecht en ik vertik het om dat gevecht te verliezen. Maar het wordt tijd om een slagveld te kiezen op een andere plaats. En liefst voordat het vuur in mij geblust is. Het enige dat ik nodig heb is die ene kans.

© 2012 Alice Anna Verheij.