Het huis aan de overkant.

Aan de andere kant van mijn raam, voorbij de berkenboom, de stoep en de auto’s aan mijn kant, de straat en de auto’s aan de andere kant, de stoep en een ondiep tuintje staat een huis dat gelijkt op het huis waar ik woon. Hoog, oud, voorzien van kamers en ramen zo hoog als de kamers en ramen in dit huis. Het grootste deel van het jaar zijn die ramen onttrokken aan mijn blikveld door het prettig ruisende groen van de blaadjes van de berk.

Maar blaadjes vallen.

Wie er achter de ramen wonen weet ik niet, ik spreek die mensen nooit. Wel bestudeer ik ze geregeld en dat doe ik soms zelfs wanneer de duisternis buiten de wereld versluierd heeft. Want in de nacht leeft een huis ook. Of de mensen in dat huis. Want er wonen dus wel degelijk mensen, ook ’s nachts. Dat weet ik want ik zie soms lichtjes bewegen door het huis. En in de kamer naast de kamer met de balkondeuren staat een buro waar achter soms in de nacht een man zit te werken. Soms leest hij, soms schrijft hij. Soms staart hij naar zijn laptop.

Geen idee wat hij voor werk doet. Of dat hij wellicht in de donkerte van de nacht bij gedimd licht op zijn laptopje naar porno zit te kijken. Het zou kunnen natuurlijk maar enig ander uiterlijk waarneembaar gedrag om dat te staven is er niet. Ik ga er dan maar vanuit dat hij dan iets anders doet op die momenten.

Maar buiten de buroman is er in het huis weinig anders te ondekken. Op de dwaalichtjes na. Vorige week zag ik ze voor het eerst. Alsof er iemand met een kaars in de hand door het huis loopt van de ene kamer naar de andere kamer, daar een tijdje blijft en vervolgens van de andere weer naar de ene kamer terug. De andere kamer is in dit geval die kamer met de balkondeuren, de ene is een kamer ergens in het achterhuis. En zo gaat dat regelmatig in de nachten. Eerst dacht ik dat er dan vast een klein kind in het huis zou moeten zijn dat regelmatig even de moeder nodig heeft maar dat is het niet. Er gaat voor zover ik heb kunnen waarnemen immers nooit een jonge moeder met kroost het huis in.

Het voordeurgedrag doet me inzien dat er een familie woont. De samenstelling is me nog niet geheel duidelijk maar op grond van wat ik wel gezien heb betreft het een familie met oudere kinderen. Wat het dwaallichtje des te onbegrepener maakt. Maar goed, het huis is het interessants in de nacht zoals zoveel zaken in de nacht interessanter zijn dan overdag. In de derde nacht van het bestuderen van het dwaallichtje dacht ik kortstondig te kunnen ontwaren dat het een lampje betrof dat vastgehouden werd door een vrouw. Vermoedelijk op middelbare leeftijd. Maar de te beperkte observatietijd maakt dat ik er nog niet zeker over ben. Hoewel het lichtje nu zeker een half uur doodstil op één plek bleef. Wellicht neergezet op een tafeltje of kastje maar ook dat was niet vast te stellen. Het is er binnen vrij donker. Na een halfuurtje bewoog het lichtje in een soort plat liggende zes door de kamer alsof er een rondje gelopen werd om vervolgens te verdwijnen.

De verrekijker de volgende morgen bracht enige duidelijkheid want het blijkt dat de kamer aan de overkant op die eerste etage schuin onder mij een kamer en suite is. Het verklaard in zekere zin de zesvormige beweging van het lichtje in de nacht. Maar verder blijft het huis uitblinken in een beperkt zichtbaar inpandig verkeer van bewoners. Ik moet daarbij zeggen dat op dit moment het dunner wordende bladerdek van de berk bij mijn raam nog teveel een obstakel is voor enige gedetailleerde waarneming. De constante beweging van de takken met bladeren (het waait hier altijd een beetje) doet me tijdens het observeren geregeld wat duizelen.

De blaadjes vallen me op dit moment niet snel genoeg.

De slome onthulling van het huis uitgespreid over de weken in dit jaargetijde is tergend en iets doet mij vermoeden dat die traagheid van het bladverlies zo is uitgedacht in verband met de nacht van 31 oktober op 1 november, Allerzielen, wanneer die onthulling wellicht pas voltooid zal zijn. Het zou mij niets verbazen dat berkenbomen in straten met oude huizen daar speciaal op geprogrammeerd zijn. En dus ook dat op die komende 31e oktober er in de nacht een feest van dwaalichtjes in dat mysterieuze huis zal zijn, de bewoners hebben ogenschijnlijk meer Halloween dan met Allerzielen bedenk ik me. Wellicht vergis ik me. Misschien een soort nachtelijke orgie van nachtcreaturen, mensen met de mij zo bekende morbide voorkeur voor nachtbraken en die in een geheime samenkomst de geesten komen plagen of eren. En dat ze allemaal een kaars in hun hand hebben tijdens het lopen of zweven. Wellicht zweven ze namenlijk. Naarmate die nacht nadert wordt het ook eerder donker waardoor de ongeziene voorbereidingen meer tijd krijgen en dat komt de kwaliteit van het schouwspel waar ik nu welhaast zeker van ben dat het zich aan mij zal gaan ontvouwen alleen maar ten goede.

29 oktober is het volle maan. Ik merk in de dagen voorafgaande de volle maan, de tijd van de wassende maan, dat ik van onbehagen naar opwinding verschuif om na volle maan weer terug te zakken naar een op depressie gelijkende toestand van versuffing. Iedere nieuwe maan is daarbij een kenterpunt, zoals eergisteren. Dat lichtje bewoon nu, terwijl in de kamer er naast om drie uur in de nacht de man in het zwakke licht van een bescheiden burolampje zich over zijn werk boog. Hij schreef. In een schrift. Het beeld van een schrijvend mens is zeldzaam tegenwoordig en het hanteren van een pen heeft daardoor iets archaïsch over zich en iets rustgevends maar ook iets bedreigends. Het gaat trager dan het inkloppen van woorden op een toetsenbord. De man zat in opperste concentratie te schrijven. Naast hem een glas dat ik herkende als een whiskeyglas. De beperkte vulling van het glas en de kleur van de vloeistof maken dat ik geloof dat er inderdaad whiskey in zat. Een uur lang observeerde ik de man, zelf slapering wordend. Het dwaallichtje in de kamer naast hem stond soms lage tijd stil en dan weer bewoog het met een constante snelheid in een soort cirkel in de kamer. De beweging soms even onderbroken alsof er stilgestaan werd. Om dan weer te landen op dezelfde plek in de kamer als vanwaar het vertrokken was. Er staat dus inderdaad een tafeltje. Nadere beschouwing overdag bevestigde me in die conclusie want er staken wat bloemen boven het onderste paneel van de balkondeur uit wat inhield dat er een vaas stond. En daar staan doorgaans tafeltjes onder.

Na een uur was er in de pose van de man nog niets gewijzigd. Net voordat ik mijn nachtelijk voyeurisme wilde beeindigen echter knipte het burolampje uit. Vrijwel tegelijkertijd begon het dwaallichtje te bewegen en verdween buiten beeld. Een zwak schijnsel ter hoogte van waar ik de suitedeuren wist, echter bleef zichtbaar. Even later was er een schimmenspel in dat nauwelijks bestaande licht. Alsof twee mensen met elkaar stonden te praten. Of te zoenen. En toen viel ook dat schijnsel weg. Toen ik mijn zware gordijnen dichttrok om mijn kamer in het maximaal haalbare duister te hullen bedacht ik me dat het prettig is dat niet alle huizen gordijnen hebben of niet een ieder ze gebruikt.

Er is een gerede kans dat ik vannacht toch weer eventjes kijk hoe het in het donkere huis ter overzijde is. En of ze als een beetje opschieten. En dat gefladder daar, was dat een vleermuis? In deze tijd van het jaar?

© 2012 Alice Anna Verheij

2 thoughts on “Het huis aan de overkant.

Reacties zijn gesloten.