Pesten

Een jongen pleegt suïcide. Japin schrijft er meesterlijk over in de Volkskrant, refererend aan zijn eigen jeugdervaringen (http://krant.volkskrant.nl/ipaper-online/print/article/8002/18815/NL/1357114). Misschien is het goed als de schrijvers die uit eigen ervaring weten wat pesten kan aanrichten in een leven er over schrijven. Ik volg Japin’s voorbeeld en deel nu voor het eerst mijn eigen ervaringen, hoe moeilijk dat ook is.

Zelfmoord omdat je jarenlang gepest bent, het is het ultieme gevolg van wat kinderen elkaar soms aan doen. Waar volwassenen oorlogen voeren oefenen kinderen zich maar al te vaak daarin door pesten van zwakkeren. Ik kan het weten. Helaas.

Het zal begonnen zijn in de derde klas op de lagere school. Ik was negen en de kleinste van de klas op Anja na. De kleinste jongen dus in ieder geval. Een beetje iel, erg verlegen, helemaal niet lenig en voetballen bakte ik niks van. Er was ook een grootste jongen, een sterkste, een ondeugendste, een moeilijkste en een populairste. Omdat ik verlegen was stond ik er een beetje buiten. Wat niet meehielp was dat ik heel hoge cijfers haalde behalve voor gym. Ik tekende ook goed. Ik had in die jaren één vriendje, Mauk. Een jongen van Friese komaf. Maar Mauk verhuisde toen ik in de vierde zat en toen was ik alleen. De grootste jongen in de klas pestte me regelmatig, de populairste af en toe, en ik wist er niet mee om te gaan. Dus ging het van kwaad tot erger. Waren de pesterijen eerst nog wat onschuldig, later liepen ze uit de hand. Ik werd in elkaar geslagen en uitgescholden. In de winter van het jaar dat mijn moeder het ziekenhuis in moest voor een zware operatie ging het mis.

Iedere winter lag er ijs op het schoolplein en wij maakten er glijbanen op. Schaatsen kon ik niet maar die glijbaantjes waren wel leuk. De juffen en meesters bleven binnen achter het raam kijken hoe de kinderen in de kou buiten speelden in het speelkwartier. Op een middag hadden we weer een paar mooie glijbanen gemaakt en net voordat we wilden gaan spelen begon het. Ik werd uitgescholden in de hoop dat ik er op zou reageren. Maar ik liep weg. Dat had ik beter niet kunnen doen want voor ik het wist werd ik in mijn rug getrapt en viel. Met mijn hoofd hard op het ijs. Een zware hersenschudding en drie weken in het donker blijven was het gevolg. Ineens wist niemand wie me in mijn rug getrapt had, want de grootste jongen in de klas kon je maar beter te vriend houden.

Na jaren van persterijen op de lagere school kwam de middelbare school. De brugklas was bij mij in de straat. En ook daar ging het mis. Vanaf de eerste dag werd ik gepest en getreiterd. Bertje was het ergste, ik was dagelijks de pineut. Eén keer was het zo erg dat ik in de pauze huilend het schoolplein afliep naar huis. Dat werd gezien en binnen de korste keren zat er een groep van zeker tien brugpiepers achter me aan. Tot in het portiek waar ik woonde werd ik achtervolgd en geschopt en geslagen. Ik ben weken niet meer naar school geweest, doodsbang als ik was.

Ik begon te speibelen. Later dat jaar ging het helemaal mis. Op de terugweg van de gymles werd ik opgewacht door drie oudere meiden. Ook jongens kunnen verkracht worden.

Na het brugklas jaar ging ik naar een andere vestiging van dezelfde school. Maar mijn kwelgeesten verhuisden mee. Het opvolgende jaar werd een hel en het jaar daarna ook. Mijn cijfers waren erg slecht want van leren kwam niks meer. Het waren de jaren waarin mijn toekomst kapot gemaakt werd. Ik ben de tel kwijt geraakt van de keren dat ik geslagen en uitgescholden ben. Ik heb de uitsluitingen niet meer kunnen bijhouden. Het was te vaak en teveel. Na twee jaar ellende ben ik van school weggebleven. Een half jaar later kon ik naar een heel ander soort school aan de andere kant van de stad. Waar het veilig was.

Ik durf te stellen dat als ik niet zo gepest was maar gewoon net als de andere kinderen een normale schooltijd gehad zou hebben ik wèl naar de universiteit had kunnen gaan en ik veel eerder mijn eigen leven had kunnen aanpakken. Het had de weg niet eenvoudiger gemaakt voor me maar zeker wel korter. In zekere zin is wat er in mijn vroege jeugd tekenend geweest voor het vervolg en vormend voor mijn karakter gebleken. Het is pijnlijk te beseffen dat ik beschadigd ben, toen al. Het is nog pijnlijker te beseffen dat die beschadiging nooit helemaal weg zal gaan. Soms zijn er nog de dromen.

Maar het is niet alles kommer en kwel. Het gepest dat ik heb ondergaan heeft in mij een rechtvaardigheidsgevoel tot leven gewekt dat tegenwoordig als een richtsnoer voor mijn leven en in de opvoeding van mijn kinderen is. Het maakt dat ik niet tegen onrecht kan en dat ik besef dat we op deze wereld rondlopen om goed te doen. Niet om anderen te schaden. En nu ik sterker ben kan ik dat ook omzetten in daden. Mijn boeken gaan niet voor niets over de strijd tegen onrecht en uitsluiting. Want waar voor de een er geen andere weg is dan levensbeeindiging is voor de ander er een weg om te vechten tegen het kwaad. Het eerste is begrijpelijk maar ik ben blij het bij het tweede te kunnen houden.

En toch, voor mij geen goede herinneringen aan de lagere en middelbare schooltijd. Sommige tv programma’s als ‘klasgenoten’ kan ik niet kijken zonder dat alles weer boven komt. De middelbare school is afgebroken inmiddels, de lagere nog niet. Om andere redenen heb ik dat gevoel van veiligheid nog steeds niet maar ik kan dat nu omzetten in wat ik doe en wat ik maak.

© Alice Anna Verheij