De laatste en de eerste tram.

Ik woon in een stad met trams. Dat heb je niet in alle steden. Sterker nog, het is een kleine minderheid van steden waar je trams tegenkomt. Wanneer je in zo’n stad niet al te ver van de trambaan af woont dan herken je het distinctieve geluid van zo’n stadse spoorwagen.

Bij mij direct om de hoek rijdt lijn twaalf. Tenminste, tussen twee minuten over zes in de richting Hollands Spoor bij de eerst passerende tram tot tien over half twee in de nacht de andere kant op naar de remise. Waar ik de hele dag de trams niet gewaar wordt vallen mij steeds vaker die eerste en die laatste tram op. Die klinken namenlijk anders dan de trams van de tussenliggende ritten.

Het lijkt een mysterie waarom dat zo is maar het is goed beschouwd heel wel te verklaren waarom de klank van die eerste en laatste tram zo afwijken van alle andere. De oorzaak ligt in mijn vaste overtuiging in een drietal belangrijke aspecten van stadse trams.
Het ene is het tijdstip. Want hoe druk ook de stad kan zijn, op de uren van die eerste en laatste tram is het doodstil buiten en dan is de klank van de voorbij rijdende tram minder verstoord door ander verkeer. Er is zelfs amper nog verkeer te bespeuren op die momenten.

Marconistraat-Copernicusstraat

De kop van de Marconistraat uitlopend op de Edisonstraat waar lijn 12 rijdt.
foto: © 2012 Alice Anna Verheij

Maar dat is niet alles. Het heeft in het geval van lijn twaalf bij mij om de hoek ook te maken met de ligging van mijn kamer aan de voorkant van het huis hoog boven de straat niet ver van de kop van de straat. De huizen bij die kop van de straat zijn net zo hoog als het huis waarin ik woon en mijn straat eindigt in een T-kruising met aan de andere kant van de straat een gevelrij van gelijke hoogte als die in mijn straat. Die T-kruising is als ware het een klankbord waarbij de kop van de Marconistraat het klankgat is en mijn straat zelf de klankkast. Wanneer in de vroege of late stilte een tram voorbij rijdt dan galmt het geluid van die tram in reflectie via de lange gevelrij van de Edisonstraat rechtstreeks mijn straat in. Tramgeluid draagt ver en kondigt zich ook op een specifieke manier aan. De aankomende tram klinkt als glijdend metaal over een metalen oppervlak. Waar bij treinen spoorbielzen zijn die ritmisch dreunen wanneer de trein er overheen rijdt, heeft een tram dat niet. Er zitten geen onregelmatigheden op de rails die de hele dag door geslepen en gepolijst worden door de stalen wielen van de trams. Dus klinkt een tram alsof er ijzeren blokken over een ijzeren plaat geschoven worden, van zacht in de verte tot luid bij de kop van mijn straat naar wederom wegstervend op weg naar de volgende halte. Maar er is nog meer wat die eerste en laatste tram zo anders maakt in geluid.

Dat is de rijsnelheid.

Ik denk dat zowel bij de eerste als de laatste rit de tramconducteur in een andere emotie zit bij het besturen van zijn tram dan op de andere ritten. Er zijn nauwelijk passagiers in die eerste tram. De remise van de Lijsterbesstraat is maar een paar haltes weg en de kans dat er op zo’n vroeg tijdstip al passagiers bij de tweede halte in de tram kunnen zitten is heel erg klein. De conducteur heeft zijn wagen nog helemaal voor zichzelf. Iets dat de rest van de dag niet meer voorkomt. De man of vrouw achter de knoppen heeft de machine helemaal voor zichzelf. Het lijkt mij dat zoiets een weldadig gevoel van macht en controle geeft op die eerste rit. Er is nog amper verkeer op het vroege uur dus die macht wordt niet verstoord door andere verkeersdeelnemers. Het is het uur dat de tramconducteurs op het eerste deel van de eerste rit van de dag de keizers en keizerinnen van de stad zijn.

Bij de laatste rit is dat anders maar net zo specifiek. De tram is aan zijn laatste haltes bezig en steevast zijn er controleurs opgepikt door lijn twaalf en de andere trams die in de remise eindigen. Aan het eind van de werkdag in de eerste uren van de nacht verzamelen de trams met hun conducteurs en controleurs zich in die remises waarna de mensen naar huis gaan. Zo’n laatste rit is dus een ritje met meer collega’s dan passagiers in de wagen. Gedurende de rit, zo ongeveer vanaf een halte of drie voor het Copernicusplein bij mij om de hoek, verplaatsen de controleurs zich al pratend ontspannen naar voren, naar de werkplek van de conducteur. Ik stel me zo voor dat ze eenmaal in de remise ook door de voorste deur van hun tram uitstappen. Zo’n collega- en vriendenrit is anders. De spanning van de dag is er af en de dienst zit er op. Dus wordt er lekker doorgereden en ook dan is er amper ander verkeer in de uitgestorven straten. De stad slaapt immers al grotendeels.

Op een enkele schrijver na misschien die een tram voorbij hoort komen en zich afvraagt waarom de bestuurder van een tram conducteur genoemd wordt en nooit net als de bestuurder van een trein machinist.

© 2012 Alice Anna Verheij