Brief aan mijn moeder.

Den Haag , 1 juli 2013

Mam, lieverd,

Op de een of andere wijze, en ik weet niet precies hoe dat werkt, mis ik je ieder jaar meer dan het jaar er voor. Drie jaar geleden was je er nog. Je vocht voor je leven. Nou ja, eigenlijk vocht je om dat leven te laten eindigen. Het was begonnen rond deze tijd in het jaar. Juli zou je in gaan maar niet uit komen. Je was te ziek. Het was alsof je kromp, afnam in proporties tot er uiteindelijk een mens over was die transparant geworden was. Zelfs je ogen.

Het duurde nog geen twee weken maar toen had je gerealiseerd wat je besloten had te doen. Je was verstorven. Ongelijk kan ik je natuurlijk niet geven maar ik moet je wel laten weten dat het de vreselijkste ervaring in mijn leven was. De laatste dagen mocht er niemand bij je komen. We, ik, mochten niet aan je bed komen. Sterven deed je alleen. De laatste adem van pa hebben we niet meegekregen, dat ging te plotseling. De laatste adem van jou heb ik ook niet meegekregen. En dat doet pijn. Heel erg veel pijn. Het is alsof je me ontstolen bent en in zekere zin is dat ook zo. Er is niets zoveel ergers te bedenken dan je moeder langzaam te zien sterven door een rond raampje in de deur van een kil ziekenhuis.

Ieder jaar als juli komt ben je er weer, ieder jaar nadrukkelijker.

Je begrafenis had je ook geregeld, weet je nog? Zo was je. Was het een soort revanche op het leven die je nam? Was het een terechtwijzing omdat wij, je kinderen, niet in staat waren om op een lijn te blijven in onze zo verschillende levens? Was het een verzetsdaad? Was het omdat je niet wou dat iemand iets in jou ogen verkeerds zei? We hielden toch van je? We mochten niet spreken op je begrafenis. Er mochten veel mensen niet bij zijn. Het moest snel en ongezien gaan. Achteloos. Zo voelde het. Maar ja als dochter van je moeder je niet kunnen uitspreken op haar begrafenis is een ontkenning van moederliefde. Voor mij voelde het alsof ik beschuldigd was van een misdrijf dat ik niet begaan had. Veroordeeld tot zwijgen en toezien zonder een kans op hoger beroep. Het was traumatisch die dag. Dat de doodgraver, of hoe heet zo’n man, je naam verkeerd uitsprak was een onvergetelijk en verschrikkelijk pijnlijk moment dat gebeiteld is in mijn geheugen. Maar ook een tekenend moment.

Nog steeds ben ik niet in het reine ermee. Ik kan niet begrijpen dat je me daags ervoor, toen je bewustzijn er nog was, een goed kind noemde, maar me wel postuum mijn rouw ontnam. Gerouwd heb ik toch, natuurlijk. Want mam, ik heb zoveel van je gehouden. Ik kon niet anders dan me in traditionele diepe rouw hullen, zoals ik ieder jaar op je sterfdag zwart draag. Ook straks weer. Je zal het misschien niet altijd gevoeld hebben en gedacht hebben dat ik vond dat je de goede keuzes maakte in je leven, maar dat is voor mij toch echt anders. Waar andere mensen zeggen dat ze geweldige ouders hadden zeg ik dat ook, maar ik zeg er wel bij dat ik vind dat ze grote fouten maakten. Zoals ieder mens in het leven fouten maakt en ik niet in het minst. Waarom dan die onvergeeflijke houding? Die onmogelijkheid om als iemand het verpest had ooit weer tot elkaar te komen. Mij heeft het niet getroffen behalve in die laatste dagen, maar anderen wel. Soms decennia lang. Was het dan echt zo moeilijk om mensen te vergeven? Ik begrijp dat niet. In mijn leven zijn er ook mensen die mij groot onrecht hebben aangedaan of tot in mijn ziel hebben gekwetst. En natuurlijk is er dan boosheid. Maar nooit genoeg om niet na een tijdje de deur open te zetten en te praten als die ander daarom vraagt. Het mentale corset wat je me omgedaan had die dagen was te strak, het benam me de adem en liet me achter met verdriet èn met boosheid en onbegrip voor je keuze. Vergeven is iets wat ik ieder mens toewens als capaciteit, zeker op het sterfbed.

Dat vermogen bezat je niet en dat vind ik tragisch maar ik kan je dat niet verwijten. Het enige dat blijft is het verdriet dat het zo was. Dat je jezelf en anderen zoveel ontzegd hebt terwijl je zo een lieve vrouw was, zo’n schat van een moeder. Het argument dat sommigen gebruikten dat het een gevold van je ziekte was is voor mij niet genoeg. Ik weet dat het niet waar is, ik ken je te goed. Natuurlijk, je was zo ziek die laatste jaren en vooral die laatste maanden, weken en dagen. Hartverscheurend ziek. En precies dat is gebeurt, mijn hart is toen verscheurd en ik ben nog steeds de stukjes bij elkaar aan het zoeken en aan elkaar aan het plakken. Maar er missen stukjes. Er zijn snippers weg en ik weet niet waar ik die moet zoeken. Ieder jaar, als juli komt, zitten de tranen dichter achter mijn ogen. Nu ook weer. Ik heb pijn mam want ik mis je zo verschrikkelijk. Ik mis de dagen dat we elkaar zagen en gewoon pleziertjes hadden, hoe klein ook. En ik mis je te kunnen vertellen wat voor gekkigheid ik nu weer doe. Ik mis dat je trots op me bent, dat heb je me te weinig laten weten en dat maakt een mens onzeker. Dat beschadigt.

Het is hoog tijd dat ik je dit maar eens schrijf want het zit me al zolang hoog. Alle afleiding in mijn leven ten spijt blijft deze tijd in het jaar me in toenemende mate bezwaren. Over zestien dagen ben je weer gestorven. Voor het derde jaar. En voel ik me weer een beetje meer verweesd dan het jaar er voor, want het wordt niet lichter maar zwaarder ieder jaar. Er is te veel onbeantwoord, het gat is te groot. Ik mis je teveel mam. Ik wou dat dat beeld van jou in die kamer, gezien door dat ronde raampje van die vreselijke deur, er niet meer was.

Heel veel liefs, waar je ook bent, ik weet dat je dit leest,

Alice Anna

2 thoughts on “Brief aan mijn moeder.

Reacties zijn gesloten.