Twee ontbrekende stenen.

De laatste tijd houd ik me onledig met onderzoek ten behoeve van een trilogie die ik schrijf. Dat onderzoek naar de hoofdpersonen is een onderzoek naar het verleden. Naar mensen die niet meer leven en waarvan weinig is terug te vinden. Het brengt me naast allerlei uithoeken van het internet naar archieven, musea en begraafplaatsen. Vooral die laatste categorie is fascinerend.

Graven zijn eigenlijk kleine (en soms grote) individuele gedenktekens. Ze geven een beeld van de status van iemand, de liefde van zijn of haar familie en vrienden en bestaan dat ze hadden. Vooral oude begraafplaatsen zoals het recent door mij bezochte Kensal Green Cemetery in Londen voegen daar nog een aantal kwaliteiten aan toe. Er is sprake van mode in grafmonumenten, architectuur zelfs en in zekere zin ook kunst. Menig grafmonument daar is meer een kunstwerk dan slechts een versteende memorie aan de overledene.

Vanavond was er een uitzending van Brandpunt waar aandacht was voor de verhalen van de overlevenden van de watersnoodramp van 1953. De ramp waar mijn vader als soldaat naar toe gestuurd werd om slachtoffers te helpen. Zijn taak was eerst verbindingen maken, later het redden van vee en tot slot het helpen met de ruimen van de kadavers. In de reportage komt ook een begraafplaats voor. Met grafstenen met namen en met telkens dezelfde datum als overlijdensdatum. Dat raakte me.

the gravefoto: Kensal Green Cemetery © 2013 Alice Anna Verheij

Kensal Green raakte me ook. Omdat ik daar tussen die honderden graven wandelde die vaak meer dan honderd of honderdvijftig jaar oud waren. Met bekende namen voor als je een beetje op de hoogte bent met de kunsten, wetenschap en politiek van die tijd. Met engelen, veel engelen en met spreukloze stenen en kale mausolea maar ook met dichtregels, citaten en soms hele toelichtingen op het leven of de persoon die in een stenen bouwwerk of onder een steen is gelegd. Ooit, lang geleden. Zo hier en daar is een nieuwer graf, te herkennen aan het materiaalgebruik of een bosje bloemen. In deze tijd van het jaar vooral kunstbloemen.

Zo een begraafplaats is intrigerend en rustgevend. Het doet een mens nadenken over wat belangrijk is en wat niet. Mij deed die ervaring en de Brandpunt uitzending me ineens tot een ontstellend besef komen. Het besef dat geheel tegen mijn gevoel en wens in er voor mijn ouders geen stenen zijn, geen plaats om te bezoeken, geen graf om bloemen op te leggen of in gedachten bij stil te staan. Zelfs geen urnenmuur. Mijn vader is uitgestrooid op een anoniem veldje en het keitje dat daar als obligaat monumentje bij was neergelegd is allang verwijderd. Van vader geen spoor. Mijn moeder volgde mijn vader, maar niet helemaal. Nog altijd heb ik een asbus in huis welke het mij tot nog toe onmogelijk is om te legen op de juiste plek. Na drie jaar denk ik dat het moment dat ik dat ga doen niet zo ver meer is. De plaats weet ik, ik zal er voor moeten varen.

Ik vind het erg om niet naar een grafsteen te kunnen gaan. Om mijn gedachten daar achter te laten, in fluistering. Ik mis de koude van een granieten of marmeren steen met er in gebeitelde letters die me de data laten zien achter de namen. Het was hun keus om in de anonimiteit te verdwijnen alsof ze nooit bestaan hebben, alsof ze niet wilden dat er nog aan hun gedacht werd. Het was een misvatting want ik denk nog altijd vaak aan ze. Dat zal niet veranderen. Het voelt alsof mijn herinnering twee ontbrekende stenen als last heeft.

Ik bedenk me dat wanneer het mijn tijd is en er de vraag komt wat er met mijn dode lijf moet gebeuren er hopelijk nog kinderen en vrienden zijn die me onder een steen leggen met mijn naam, de data en deze simpele tekst er in gehouwen:

‘Ze probeerde het tenminste.’

Gewoon omdat ik hoop dat er ooit iemand een roos bij me komt brengen. En als het even kan zou een engel er bij ook wel fijn zijn, zo eentje die een beetje met mos overgroeid is en uitgespreide vleugelen heeft waar ik onder kan schuilen als het regent.

In mijn gedachten weg wandelend van dat graf in de kou van de winter met het knisperende sneeuw onder mijn schoenen bevangt me de gedachte dat ik hopelijk nog heel vaak van mening mag veranderen over wat er met mijn stoffelijkheid gedaan mag worden voordat ik onder mijn steen kruip. Uiteindelijk is een graf ook maar een kille plek en ik kan niet zo goed tegen de kou.

Tijd om de kachel nog maar wat hoger te zetten dus. Tsja, graniet of marmer, zou het wat uitmaken en die engel, moet die zitten of staan?

© 2013 Alice Anna Verheij

Advertenties

Gezocht: steen.

Ik zoek een steen. In een vierkante blokvorm van zo’n 50x30x30 centimeters of daaromtrent. Om op in te hakken.

Het zit zo. Al heel erg lang beweegt mijn kunst zich in drie dimensies. Immers schrijven, schilderen, tekenen, fotograferen en filmen manifesteert zich in het platte vlak waarbij het tijdelement of een equivalent de derde dimensie vormt. En ook al heel lang heb ik de behoefte om me te wagen aan een vierde dimensie. Om het platte vlak verlaten en mijn kunst ‘beetpakbaar’ te maken. Liefst op basis van een materiaal dat mij fysiek uitdaagt. Steen dus. Omdat het vormen daarvan vergt dat ik mijn handen laat werken.

Het is een behoefte aan compensatie voor die andere kunst die vooral ‘hoofdkunst’ is in de zin dat mijn brein bepalend is voor wat er gemaakt wordt. Bij schrijven is dat net als bij het tweedimensionale visuele evident. Daarbij speelt in mijn werk esthetiek een grote rol en het mezelf uiten in dat platte vlak met een door mij gewenste esthetische kwaliteit vergt veel van mijn hoofd. Om niet scheppend ten onder te gaan daarin wil ik dus vooral met mijn lijf aan de slag. Niet in de zin van het verbeteren van dat eigen lijf maar het gebruiken er van. Te beginnen met mijn handen die wat mij betreft dus aan het werk moeten. Maar ook door na te denken over dat lijf en of en hoe ik dat weer kan gebruiken als inspiratie voor wat ik wil maken.

Gisteren was ik op een plek in de stad die nu ineens mijn atelier is geworden. Tussen andere kunstenaars in en toegankelijk wanneer het mij uitkomt. Zoals het hoort in een atelier. Waar ik zonder dat iemand ook maar enig kader zet vrij kan werken. Hoe dat tot stand gekomen is dat er nu dus die atelierruimte is, is niet van belang anders dan dat het een geboorte is vanuit de betrokkenheid van iemand in mijn directe omgeving op mij en vice versa. Chemie schijnt dat genoemd te worden hoewel er geen vermenging van stoffen plaats heeft gevonden anders dan endorfine, adrenaline en dergelijke.

En dus zoek ik een steen van omschreven proporties. Zodat ik daar op in kan hakken en die steen veranderen in een lijf. Ergens in mijn hoofd tuimelen beelden over elkaar in een worstelend verlangen om zich te zien landen in die steen. Alsof de fascinatie voor anatomie die ik al lang ken nu eindelijk maar eens gevisualiseerd moet worden. Vandaag ga ik dus naar stenen kijken en misschien vind ik er één.

Ik weet niet zoveel van steen en nog minder van de techniek van het beeldhouwen en – hoewel de kunst academen het niet met me eens zullen zijn – is dat denk ik een voordeel. Een voordeel omdat er een risico in zit dat verkeerd houwen kan betekenen dat de gekozen steen in het proces van het beeld vormen een vorm aanneemt die niet mijn bedoeling is. Het punt is dat ik geïntrigeerd ben door de nadrukkelijke eenmaligheid van de handeling van de beeldhouwer. Waar de schilder en boetseerder zich nog kunnen corrigeren is dat de houwer niet gegeven. De splinter eenmaal van de steen gehakt laat zich niet herstellen en daarmee is het houwen van een beeld een uiting die zo puur is dat het wat mij betreft een waagstuk is dat ik graag aan ga.

Woensdag moet de steen er staan, omringt met de juiste beitels, hamers en dergelijke. Mezelf kennende gaan er platte vlak interpretaties vooraf aan het plaatsen van de beitel tegen de rots omdat ik nu eenmaal altijd vanuit een plan werk. Ik zal wel zien hoe me dit vergaat. En of het beeld in mijn hoofd zich laat vormen in steen. En misschien – heel misschien – laat ik zo af en toe eens zien hoe de steen zich onder mijn handen vervormd tot dat wat het onafwendbaar moet worden.

Ik weet niet eens hoe zwaar een steen is van het formaat dat ik in mijn hoofd heb en welke steensoort zich door mij laat temmen maar gelukkig maakt het niet uit als ik alsnog schrijf in plaats van hak in mijn atelier.

Alice © 2011