Leraren

De Huffington Post herpubliceerde het verhaal uit de Dallas Post van een Amerikaanse leraar op haar website die 40 jaar lang in het jaarboek op de foto hetzelfde overhemd en dezelfde spencer (zo’n archaïsch armloos truitje) droeg. Het is een prachtverhaal en zoals iemand schreef, het is de leraar die we allemaal gehad hebben op school.

Dit is de man met zijn kleding.

Bij mij heette de man Teerink en hij gaf Scheikunde aan het al lang ter ziele gegane liberale bolwerk van de Thorbecke Scholengemeenschap. De saaiheid van zijn lessen was als die van kledingvariatie van zijn Amerikaanse collega. De lessen van meneer Teerink verliepen in wanorde en dat zorgde voor de nodige hilarische momenten. Ik denk trouwens nog best vaak aan die docenten van die middelbare school. De school zelf werd door ons Colditz genoemd naar het krijgsgevangenkamp uit de gelijknamige BBC televisieserie uit die dagen. Het was een hele rare school achteraf bezien. Drugshandel tierde er welig en volstrekt niet uitwisselbare groepen stadskinderen bevolkten het gebouw. Wat de nodige problemen gaf en de reden was waarom ik het er niet uithield. Pesten werd niet tegengegaan, het werd niet eens geregistreerd door de docenten en in een aantal gevallen door hun manier van lesgeven zelfs versterkt. Zoals mij overkwam in de Franse les van mevrouw van Heijningen. Hoog op de poten Française die getrouwd was met een klein wat dikkig mannetje die meen ik aardrijkskunde gaf. Het was een feeks als je niet goed Frans sprak. Ik sprak die taal slecht.

Dan was er die mevrouw Kerpel. Oud, met tropenkolder, pruik die altijd een beetje scheef zat en stok. Daarmee stamptte ze op de vloer van het lokaal om de meute stil te krijgen. Ze was zo doof als een kwartel dus muiten was een kunst. Maar als Indische dame was ze streng, heel streng. Eigenlijk was iedereen een beetje bang voor haar. Ze maakte deel uit van het KNIL-docentenkorps, mensen die terug uit Indië het onderwijs in waren gegaan en daar hun trauma’s uitleefden op de jeugd die wat hun betreft het nooit goed deed. Het boekje dat favoeriet was bij mevrouw Kerpel heette als vanzelfsprekend dan ook ‘Struikelblokken’.

Wiskunde kregen we afwisselend van Sanders, de man van de knoflook en waarbij je dus pas op rij drie veilig was. De toko om de hoek was in de lunchpauze te dichtbij dus na de lunch was je voorin de klas de pineut. Zijn collega Eelvelt was aardig, lang, slungelig en zat in een spijkerpak dat alle dagen hetzelfde was. Witte tennissokken en sandalen incluis. Van der Deyl, nee: Leo!, was de leukste leraar vond ik. Hij gaf Engels en met een paar in de klas maakte hij theatervoorstellingen voor sociale werkplaatsen. ‘The taming of the shrew’ met derdeklassers is dan een memorabele exercitie kan ik u zeggen.

Zo hadden alle leraren wel iets. Meneer van Veen, de rector, was vooral rectorisch. Afstandelijk en teruggetrokken op zijn kamer. Vermoedelijk lid van de KNIL fractie in de lerarenkamer. Net als die andere aardrijkskundedocent Birkenfeld. De naam als net zo hard als de knal van de bordenwisser die een put in de muur achter in het lokaal maakte wanneer hij met rechtshandige strekworp het ding gelanceerd had in de richting van één van de grootste ettertjes die hij altijd op de achterste rij zetten. Want dan kon hij bordenwissers gooien. Zijn schoolbord was ook eht enige waar nooit een krijtje tegen uiteen gespat is. We keken wel linker uit. Toen wij eens de traditionele 1 april actie bij het naburige oer Christelijke Zandvliet hadden uitgevoerd (’s nacht alle cola en gevulde koeken uit de kantine daar jatten) en de schoolbevolking vandaar ons Colditz probeerde binnen te dringen was Birkenfeld in de deur aan de achterzijde en onze gymleraar (ijshockeyer en dus net zo breed als hoog) aan de voorzijde voldoende om dat grauw terug te laten afdruipen richting Bezuidenhoutseweg.

O ja, van der Valk, die jonge hond. Koppelde niet aan met de Indiërs maar organiseerde wel de fotoclub. Ik maak nog steeds foto’s en daar mag hij best krediet voor krijgen. Natuurkunde vind ik ook nog steeds leuk dankzij hem. En zo waren er een lange lijst van leraren en leraressen, de namen van de meeste ben ik kwijt. De school brak ik na een paar rampzalige jaren af maar ze zitten nog wel in mijn hoofd. De school heeft nog maar een paar jaar bestaan maar ging tenonder aan de gevolgen van herverdeling van stadsvolk als gevolg van stadsvernieuwing en een lerarenkorps dat in samenstel niet veel voorstelde.

En die docent van die overhemden en spencers? Ik had hem in alle klassen en hij gaf Engels, tekenen, scheikunde, muziek en Duits. Het was eer eentje die zijn vak goed verstond maar wiens vaardigheden aan mij niet altijd wel besteed waren.

© 2013 Alice Anna Verheij

Advertenties

Coming out. Of niet.

Voor heel veel mensen is het begrip ‘coming out‘, het ‘uit de kast komen’, een zwaar beladen begrip. Voor diegenen die problemen hebben met andere dan mainstream identiteiten en geaardheden, voor hen die (nog) ‘in de kast’ zitten. Om verschillende redenen waarbij de tweede groep, die kwetsbaar is, mijn sympathie nadrukkelijk heeft.

Maar er is nog een derde groep en voor het gemak van argumentatie richt ik me in deze tekst op de LHBT (Lesbisch-Homo-Bisexueel-Transgender) gemeenschap. De gemeenschap in de sameleving die voornamenlijk bestaat uit hen die zelf wel uit de kast zijn gekomen.

Het probleem wat deze gemeenschap heeft is dat de algemene mening binnen de gemeenschap lijkt te zijn dat uit de kast komen een goede zaak is en dat iedereen die het betreft dat eigenlijk ook zou moeten doen. Om emancipatoire redenen. Want de communicatie van belangengroepen en organisaties lezend en kennend kan zonder meer vast gesteld worden dat ‘uit de kast’ komen een goede zaak is en het niet uitkomen voor sexuele geaardheid of genderidentiteit een slechte. Of in ieder geval een ongewenste. Zij die niet uit de kast komen zijn niet geëmandcipeerd en lijden onder de onderdrukking van hun omgeving. Onderdrukking in de vorm van potentiële afwijzing of erger.

253304_377786638994122_385859700_n

Heel vaak is dat ook zo. Heel vaak hebben ‘andersen’, mijn woord voor zij die niet binnen de algemeen geldende maatschappelijke kaders vallen, het zwaar. Haat-criminaliteit en de mildere vormen van afwijzing zijn aan de orde van de dag en de laatste jaren zijn die zelfs erger te zijn geworden. Zowel in onze westerse maatschappij als in andere samenlevingen zoals de Oost-Europese en Russische.

Zelf overigens, ben ik jaren geleden als toen transseksuele vrouw naar buiten gekomen. In een klein dorpje midden in de knellende Bijbelband van het land. Dat was, zo kan ik u verzekeren, geen pretje. De beschimpingen op straat, de afgewende blikken van mensen die eerder pretendeerden vrienden te zijn en de eieren tegen de ramen zal ik niet vergeten. Kan ik niet vergeten en mijn kinderen denk ik ook niet. Uiteindelijk ben ik de bekrompen hel van het dorpje ontvlucht en in mijn geboortestad gaan wonen. Een goede keuze.

Toch ben ik van mening dat de koers die veel belangenbertigende organisaties in het LHBT domein het op dit punt niet goed doen. Immers, de emancipatiedrang (die ik onderschrijf) vanuit die organisaties is groot. Dat uit zich in de algemen mores binnen de LHBT gemeenschap zoals eerder omschreven: uit de kast komen is goed, er in blijven niet. Daar nu ben ik het mee oneens. De aanleiding voor deze gedachte is het zoveelste facebook berichtje in mijn tijdlijn dat op ‘grappige’ wijze mensen er op wijst dat in de kast blijven, het niet uitkomen voor je geaardheid, niet goed is. Ben je gay of trans dan wordt je opgeroepen om daar voor uit te komen. Organisaties als COC doen dat nadrukkelijk. En dat bevalt me allerminst.

Als het zo zou zijn dat er aangegeven werd dat als je uitkomt voor je geaardheid of identiteit je erg welkom bent dan zou dat mooi zijn. Want dat is zo ongeveer het enige dat echt telt. Als er aangegeven werd dat je steun zou krijgen dan zou dat ook erg mooi zijn. Maar dat is niet wat er staat, dat is niet wat er gesuggereerd wordt. De suggestie is dat niet uitkomen voor geaardheid of identiteit slecht is. En dat is het niet. Integendeel. Als een mens besluit om de dagen te slijten zonder expliciet te zijn over sexuele geaardheid of (afwijkende) genderidentiteit dan is dat immers volledig des persoons. Een mens heeft gewoon het recht om zelf, zonder druk van buitenaf, te beslissen om expliciet te worden of dat na te laten. De sociale en morele druk vanuit de gemeenschap is in dat licht bezien immoreel. Want die druk, het constant drammen op de noodzaak tot coming out, ontneemt mensen het morele recht om dat nu juist niet te doen. Het is normatief en goed beschouwd zelfs contra-emancipatorisch. Het is, zo durf ik te stellen, een vorm van groepspressie op individuen die men niet eens kent en in specifieke situaties zelfs morele groeps repressie. De tolerantie voor mensen die om religieuze redenen hun geaardheid of identiteit niet op straat willen gooien is op zijn zachtst gezegd heel erg beperkt.

Ik ben blij dat ik de keuze heb gemaakt om expliciet te worden over mijn andere genderidentiteit dan welke men dacht dat ik had. Mijn coming out over het feit dat ik lesbisch ben overkwam me eigenlijk meer dan dat ik er ooit over nagedacht had. Het feit dat ik eigenlijk in zekere zin bisexueel ben vind ik zo weinig interessant dat ik niet de moeite neem dat te verhullen nog te bespreken. Voor mij zijn gender en sexuele geaardheid begrippen die fluïde zijn. Ja, ook gender. Ik voel me heus niet altijd vrouw. Ik weet zelfs niet wat het is om me man of vrouw te voelen. Het interesseert me ook niet als het om mezelf gaat, ik ben gewoon wie ik ben.

Toch vind ik beslist niet dat iedereen moet uit komen voor, publiek moet worden over, genderidentiteit en sexuele geaardheid. Wat mij betreft moet iedereen dat gewoon zelf weten en daar keuzes in maken of juist geen keuzes daarin maken. Ik kan me niet verenigen met de morele dwang die er vanuit de LHBT gemeenschap wordt gelegd op die mensen. Sterker nog, ik vind die morele dwang onethisch. Wil je in de kast blijven? Prima, dat is jouw keuzen en dat mag. Wil je dat niet? Ook goed, ook dat is jouw keuze en als je hulp nodig hebt om staande te blijven in de maatschappij die je (deels) zal afwijzen dan verdien je alle hulp. Natuurlijk.

Maar alsjeblieft zeg, laten we gewoon ophouden met die stomme berichtjes die mensen moreel onder druk zetten. Geef mensen echte vrijheid. Vrijheid inclusief het recht op de keuze om niet expliciet te zijn over zaken die nadrukkelijk strikt persoonlijk zijn. Uit de kast komen mag en verdiend steun. Maar het hoeft niet. Echt niet. Wat als die goedbedoelende organisatie ook zeggen.

© 2013 Alice Anna Verheij

Boekwinkel x.0

Vandaag was een literaire dag. Zo eentje die je deelt met een andere schrijfster omdat je samen iets heel moois aan het maken bent op boekengebied. De ontmoeting was deze keer in mijn eigen stad en omdat we veel te doen hebben en het om een heel bijzondere samenwerking gaat is het goed daar tijd, ruimte en de juiste locatie voor te kiezen. Het ging goed en wat er gaat komen zal menigeen verrassen. Mijzelf niet in het minst want iedere ontmoeting is een nieuw laagje op het canvas van ons werk.

Na afloop, en dat is altijd veel te vroeg, kon ik het niet laten even de stad in te dwalen. Een tochtje dat me langs het pand van De Slegte, u weet wel die winkel waar je zo lekker kan scharrelen in de stapels boeken tegen lieve prijsjes. En soms een diamantje vinden. Met dat pand is wat aan de hand. Het is immers een vraagteken. Een groot vraagteken.

Enige tijd geleden viel de zoveelste boekhandelketen om. Nu ja, bijna dan. Selexys, ik heb de naam nooit begrepen, trok het niet meer. Niet vreemd met zoveel peperdure panden op peperdure toplocaties in de grote steden. De vastgoedlasten van de doorgaans redelijk smaalvol ingerichte winkels wil ik niet eens weten, ze zullen astronomisch geweest zijn. Iedere grote stad had er wel een topboekhandel in op zien gaan. Donner in Rotterdam, Verwijs in Den Haag, ach de lijst met namen van ooit prachtige boekwinkels is eindeloos. Stuk voor stuk werden ze in de loop van de jaren door de opkomst van internet, modernistisch sneldenken, postmodernistische Amazon verzendhuizen en een immer afkalvende kwaliteit van het taalonderwijs (en dus de interesse in boeken) opgeslokt. Geketend in een winkelketen. De panden werden groter, luxer en megalomaner. Boeken lagen en stonden geordend en de kans op ontdekkingen van literaraire pareltjes en bijzondere boeken die niet in iedere redelijke boekwinkel te vinden waren nam even rap af als de vierkante meters in de panden met sfeerverlichting toenam. De geur van yuppenkoffie verdrong die van papier en inkt.

De nationale ramsjhandel De Slegte, ooit de nachtmerrie van iedere zichzelf respecterende auteur, verschoof van veredelde koophal van goedkope boeken en vreemdsoortige restpartijen van nog vreemdsoortiger uitgaven aangevuld met stokoude overschotten van privéverzamelingen naar het segment van het luxe design antiquariaat. De laatste incarnatie van De Slegte in Den Haag was de definitieve moedermoord op wat ooit die lekkere scharrelbak was. Het interieur was ineens afgestoft, opgeleukt met Apple-achtig design en de tweedehandsboeken stonden Godbetert geordend in het gelid in de lange rijen uniforme en doodsaaie kasten. Wèg was het gevoel. Ook De Slegte ging het niet redden.

Daarmee werden de designketen en de opgeleukte parelketting van nepparels tot elkaar veroordeeld. De combinatie van beiden is in alle opzichten natuurlijk een enorm verlies voor de boekenkoper maar tegelijk ook de enige weg om te voorkomen dat beiden zouden sterven.

verwijsdeslegte

Ergo, ik wandelde dus het vraagteken binnen. Boven de deur ook als zodanig zichtbaar gemaakt met een logo dat uitstraalt dat ze het ook niet meer weten. Een gevisualiseerde kwetsbaarheid van boekverkopers die aan het eind van hun Latijn lijken te zijn en het vervolgens maar aan het publiek dat zich van de goedkope schoenen van Invito naar de nog goedkopere van Bristol verplaatst vragen:

“Wat in Godesnaam wìllen jullie dan voor boekenwinkel?
Want wij weten het ook niet meer.
En, o ja, wij houden wel van boeken!”

Binnen verschoof mijn emotie van pijnlijke nieuwsgierigheid en drempelvrees via het Ikea interieur naar verbazing, verdwazing en uiteindelijk verweesdheid. Zelden heb ik me zo weinig thuis gevoeld in een boekwinkel. De koffiebar met tafeltjes neemt er een respectabele ruimte in en de kasten hebben als basis een passende rouwkleur. Het hele interieur ademt de sfeer van een boekencrematorium met ingebouwde klantenservice, informatiebalietjes en teveel ruimte tussen de kasten. De collectie boeken is daarbij dermate beperkt dat de lust om te zoeken je snel vergaat want hoewel dat zoeken uitstekend gaat is dat voor wat betreft het vinden bijkans onmogelijk. Een simpele test of er in het antiquariaat gedeelte – passend tweedehands genoemd – ergens een uitgave over koningin-regentes Emma (al is het een Fasseur boekje) te vinden is, stuitte al op leegheid van planken en afwezigheid in het computersysteem. “We kunnen zoeken op titel en woorden in titels” was de toelichting, sleutelwoorden schijnen niet te bestaan in dit boekengraf. Mijn hemel, wat hebben we gedaan in boekminnend Nederland om dit te verdienen?

Toen ik na een half uurtje ernstige verdwazing naar buiten strompelde zonder ook maar een papierbundeling aangeschaft te hebben, ik geef toe de verzameling Moleskine boekjes is groot (maar ook overal te koop) en verleidelijk, keek ik nog èèn keer naar die gevel. Pas toen was het me duidelijk: ze weten het echt niet meer. Mij wordt het koud om het hart om te beseffen dat ik verdorie nog afhankelijk aan het worden ben van dit soort verkoopkanalen. Natuurlijk respecteer ik de commercieel kwetsbare opstelling die de eigenaren van dit bedrijf kiezen. Het getuigt van lef om te laten weten dat je het niet meer weet en daar zelfs een logo op ontwerpt en gebruikt. Maar toch, ik mis de stapels van ‘De Echte De Slegte’ en de chique stilte van Verwijs toen Stam er nog bij was.

© 2013 Alice Anna Verheij

Naschrift: ik ben begonnen om een lijstje echte antiquariaten aan te leggen en een zwarte lijst van boekwinkels waar ik liever niet op de plank sta. Eentje staat er al op. En bij Amazon koop ik sowieso niks meer, ik respecteer de mensenrechten liever.

Je bent minister en je schrijft een brief…

Je bent minister en je schrijft een brief. Over een beleidsgebied waar je verantwoordelijk voor bent. Dat wordt van je verwacht door het parlement want dat wil iets hebben om een beetje een beeld te krijgen van wat je op dat gebied wel en niet gaat of wilt doen.

Zo’n brief schrijf je natuurlijk niet zelf. Je zet er je handtekening onder, dat wel. Wellicht heb je er een serie gesprekken over met coalitiegenoten in het kabinet of misschien dat niet eens. Tuurlijk, je praat er over met je ambtenaren en misschien doe je net nog iets meer en geef je hun aan wat je verwacht dat er in de door hun geschreven brief komt te staan. Er gaat niet één ambtenaar maar een hele wagonlading aan de slag want de minister wil een brief hebben. Vanuit alle beleidsterreinen binnen het ministerie die ook maar iets met het onderwerp van die brief te maken hebben wordt er bijgedragen aan de tekst. Die een verzameling wordt van gemeenplaatsen, algemeenheden, ingetrapte open deuren en zorgvuldig geformuleerde intenties. Soms zelfs een voornemen.

2013-05-12 at 12.51.22

Op een zondagmiddag krijg je het resultaat, je man snijdt ondertussen het vlees voor de maaltijd, en je leest de tekst door. Als rechtgeaarde politica zit het compromisgedrag je in de aderen en dus vind je op een enkel punt na het een heel decent stuk. De opvolgende maandag laat je jouw directeur op het ministerie weten dat er nog wat geschaafd moet worden en op de dinsdag is het voor de bakker. Je eigen beleidsbrief die je vervolgens naar het parlement stuurt.

Je heet Jet Bussemaker en bent minister in een kabinet van schraalhansen en liberaal grijze duiven. Je bent vrouw. Je brief gaat over emancipatie en dus over vrouwen. Je bedenkt niet dat de diversiteit aan vrouwen zo groot is in dit land (en elders ook trouwens) dat je brief bijna per definitie door een flink deel van die vrouwen niet gepruimd gaat worden. Je geeft een interview aan Trouw.

En dan gebeurt het. Trouw zou Trouw niet zijn of er wordt iets uit die brief gelicht, op een verbaal schaaltje gelegd met de spot er op gericht en je wordt om commentaar gevraagd. Je trekt je positivo houding aan en geeft antwoord in alle naïviteit. Je geeft in dat antwoord vrouwen een verbale draai om de oren maar je bent niet specifiek genoeg en je verzuimd om de andere aspecten uit je brief in te zetten voor een afgewogen antwoord. Trouw zou Trouw wederom niet zijn als ze daar geen gebruik van maken en het op het schaaltje liggende onderwerp wordt met jouw antwoord er bij niet alleen in de spotlights gehouden maar ook uitvergroot.

Opeens blijkt dat je een minister bent die ‘vrouwen aanvalt op hun gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef voor hun eigen onafhankelijkheid’, ‘vrouwen aan het werk stuurt in een baanarme arbeidsmarkt’ en ‘vrouwen in een post feministische klem zet’.

Dat was natuurlijk niet je bedoeling. Niemand in de media rept over die goeie passages over onderwijs en zorg en je wordt van alle kanten aangevallen. Verdikkie. Je dacht het nog zo goed gedaan te hebben en eigenlijk vind je ook echt dat vrouwen in het algemeen zich onttrekken aan het organiseren van hun eigen zelfstandigheid. Je bent immers liberaal.

O nee, je bent socialist. O nee, sociaal democraat. Ach jee.

Repareren heeft geen zin en dus kies je ervoor om vooral maar stil te zitten als je geschoren wordt, om maar eens een in dit geval genderscheve uitdrukking te gebruiken. In interviews spreek je je niet echt meer uit, over een paar weken immers is de wind vast gaan liggen en kun je terug naar de zondagmiddagmaaltijd. Je man is tegen die tijd wel klaar met het vlees snijden. Alleen opeens smaakt het niet zo lekker meer en je komt er achter dat hij niet zo goed is in het snijden en braden van het vlees. “Verdorie, ik moet ook alles zelf doen” zegt een stemmetje in je hoofd. Met weemoed denk je aan de tijd dat de media teksten echt lazen en niet iedereen als stuip het proberen af te branden van een bewindspersoon heeft maar probeerde een discussie aan te gaan. En aan hoe je moeder van die lekkere sucadelapjes braadde. Uit nijd gooi je je smartphone in de prullenbak. Dat stomme facebook en getwitter van al die mensen die van alles en nog wat vinden maar niet eens serieus het gesprek met je aangaan en wel direct in hun eigen veroordelende stuip schieten ben je hartstikke zat. Net als het vlees, veel te zout.

En dat op moederdag. Emancipatie, bah!

© 2013 Alice Anna Verheij

Voor wie de brief van Jet wil lezen: 110513_brief_bussemaker

The greatest show on earth.

I went inside. A small square table right in the center of the mirrored wall. Well, all walls were mirrored but I mean the one facing the Boulevard de Saint Germain-des-Prés.

Paris, Café de Flore. I’m chasing the footsteps and memory of Hemingway. Whenever I go to a place he went I feel some sort of personal connection. Unexplainable I guess. He’s not there anymore and I am too young to have been his lover. If I could have been I probably would have been. Anyway, Café de Flore in the Parisian center of literature and philosophy. Simone de Beauvoir sat here too. Maybe just like me but probably not alone but with Sartre sharing one of these small tables. And a café creme or more likely a glass of wine.

cafe de florePhoto: ‘Café de Flore’ © 2013 Alice Anna Verheij

Hemingway wrote that people who do not allow themselves the hugely overpriced coffee at Café de Flore are missing out on probably the greatest show on earth. I happen to agree. Because this café certainly is an ongoing show. More than it’s equally interesting neighbour Les Deux Magots, which I tried out the day before. One simply has to go in and sit at one of the tables and watch. Watch the waiters moving around. The place is lively even when only a handful of the 40 tables on the gournd floor are occupied and the rest of the guest are outside enjoying the terrace and the spring. The real show is inside. Through the open doors just before lunchtime you will find no less than 20 waiters running in and out with filled and emptied trays. Outside the peak hours their number deminishes to ‘just’ 12 and even they are sometimes pausing to chat with each other lively. But never for long. The waiter flirt with the women, the have a good eye for beauty looking at how the respond when challenged. The Amrican girls don’t notice it. The interior of the café is very art nouveau-ish. Light, lots of glass, squared shapes and ornaments and those little tables placed in an invisible grid in such a manner that it’s possible to travel full speed in between them with filled trays. The chairs are Thonet chairs in the variety with the 6 bars in a waiver shape at the back in between the elongated back legs. Little arcs in between the legs give them enough strength to withstand long term use by gravitational people.

A napkin is draped over the left arm and the tray rests on the right hand. The skirt is whiten and long ending just above the well polished shoes covering black trousers. The vest is as black as the trousers are and the shirt is toothpaste white. A black bow-tie is standard. Waiters really are waiters here. Their smile is tempting and inviting and has just about the same color as their shirts, independent of their age. Interesting. Although there’s the 20 of them running around they form a group of 50 on the café’s payroll. They accept tips with a slight nod and a smile, but tips are rarely given. I suppose the prices prevent people to give tips. In their wallet the waiters seem to have enough change to prevent them from unneeded walks to the cash register inside. Their walking route is twofold. The ones from the side terrace follow a high speed trail with a double wave making them zigzagging in the café, the ones from the Boulevard terrace have just one corner to handle. Both streams end at the right side of the mirrored fake wall behind which the kitchen is located. The connect with the line of waiting waiters who are emptying their trays, passing the orders and refilling their trays with earlier orders to deliver them to the guests after another high speed wave walk to the terrace or inside the café. The cutomers inside the café are left alone. There are just a few of us sitting at a few of the tables. The others are reading a newspaper or a book. I am writing, it’s quiet and I realize that there’s no music distracting us. A stranger stares outside with his mind wandering of to a place unknown.

The café creme is delivered on a silver platter. The cup and saucer, coffejug, milk jug and glass filled with water are all imprinted with ‘Café de Flore’. I guess they’re some sort of collectors item and I presume that because of that they are renewed very frequently. They look brandnew. The whole café is a time machine. From my table position I imagine that the view hasn’t changed much in the past eight or nine decades. There’s an unmatched level of perfection in displaying the past in a beautiful manner, even better then in that other time machine opposite the church. The mosaic of the tiled floor with the little waiver shaped in yellow and brown tints, the dark wooden chairs and tables, the tomato red seats, the mirrored walls divided by marble elements, the copper of theframes around the mirrors and off the illumination and the creamwhhite of the ceiling and the two lonely pillars in the middle of the café split the space in a darkish but interesting underworld and a light upper world. The murmur of talking people is everywhere all the time. Some people are silent.

Around lunchtime the number of inside customers quickly rises to the level that most of the little tables get occupied with cups, saucers, plates, glasses and cutlery. The noise level rises equivalently. The waiters still smile, no matter how hard they have to work. In retrospect I agree with Hemingway’s words. Visiting Paris without having coffee at the Café de Flore is worse than not seeing the Eiffeltower in Paris’ skyline when looking down from the Sacre Coeur. The patron at the door never smiles but shows a presidential expression overseeing his world of customers and waiters. His hands are almost permanently folded in front of him. When I finally leave we greet. A bientôt. I will come back soon I hope.

© 2013 Anna Ros

Kan boeddhisme wel bestaan in het westen?

OLYMPUS DIGITAL CAMERAfoto: Boeddhistische stupa in Boudanath, Nepal © 2011 Alice Anna Verheij

Ik heb een tijdje gewerkt en geleefd in Nepal, dat zal bekend zijn. Voor diegenen met dergelijke ervaringen is het ook ongetwijfeld bekend dat het Boeddhisme daar net zo alomtegenwoordig is als het Hindoeïsme en dat de versmelting van beide onderling en met het dagelijks leven overal voelbaar is. Die versmelting met het dagelijkse leven is dusdanig dat het ook duidelijk zal zijn dat alle aspecten van de samenleving zich ook in het Boeddhisme manifesteren. Je hoeft er maar een tijdje te zijn om te gaan inzien dat er geen grens is tussen filosofie, religie en het leven. Althans in de beoefening ervan. Maar ook zaken als onachtzaamheid, zelfzucht, discriminatie, sexisme, xenofobie, misogynie en zelfs geweld zijn onlosmakelijk verbonden met zowel dat dagelijkse leven als de beide religies.

Azië is wat dat betreft een groot verschil met de rest van de wereld en zeker met het westen. In het westen wordt Boeddhisme door veel mensen gezien als verlicht, geweldloos en zelfs verheven. Maar de werkelijkheid is dus anders. Heel anders.

Waar in Azië met name het Boeddhisme zich steeds vaker gewelddadig manifesteert (denk aan Bhutan dat Hindoe’s het land uitgejaagd heeft door etnische zuivering en Birma / Myanmar waar monniken moslims uit hun huizen jagen en vermoorden), manifesteert datzelfde Boeddhisme zich in het westen als een religie die zichzelf omgeeft met onechte mystiek, onterechte verering van individuën en flagrante onoprechtheid. Het is niet moeilijk om met eigen ogen te zien in welke mate ook deze Boeddhistische wereld geleid wordt door simpele menselijke emoties als egoïsme en zelfverrijking. Je hoeft er slecht een tijdje voor rond te lopen in Nepal of India en goed om je heen te kijken om het contrast met de situatie in Nederland te zien. De vrolijke kleuren van de gebedsvlaggetjes kunnen niet verhinderen dat onoprechtheid zichtbaar is.

Ook in Nederland.

Sinds langere tijd volg ik de discussies rond Zen-scholen en leraren, de Boeddhistische Omroep BOS, het Boeddhistisch Dagblad, het BUN en een lijstje met andere drieletterige organisaties die zich voordoen als de bewakers van die Boeddhistische leer in Nederland. De wijze waarop in Boeddhistisch-Nederlandse kring mensen elkaar zwart maken als het om leiding en sturing van de eigen organisaties gaat is schokkend. Net zo schokkend als de arrogantie van dergelijke organisaties, het gebrek aan transparantie en het opkloppen van het eigen belang.

Wat mij steeds meer verbaasd is de structurele discrepantie tussen het gedrag van mensen en de filosofie of religie die ze zeggen aan te hangen. De verloochening van de eigen waarden die ze anderen voorhouden als essentieel is opvallend. Niet alleen bij Christelijke politieke partijen en kerken, moskeebesturen en ‘belangenorganisaties’ maar dus ook bij dat ogenschijnlijk zo verheven Boeddhisme. Er is nog steeds niemand die mij kan of wil verklaren waarom zelfs een man als de Dalai Lama weigert zich uit te spreken over de etnische zuivering in Bhutan zoals uitgevoerd door zijn eigen geloofsgenoten. Net zo min als dat niemand lijkt enige zelfbeheersing te betrachten als het gaat om andermans beleving van de filosofie of religie waar men toe behoort. Je hoeft er slecht de artikelen over die BOS, BUN en Zen-leraren maar over te volgen.

Wat wel duidelijk is wat mij betreft is dat georganiseerde filosofische en religieuze stromingen uitblinken in het zichzelf ongeloofwaardig maken voor hen die zich er in verdiepen. Zou het dan toch zo zijn dat filosofie en religie alleen in de individuele beleving gevrijwaard kan blijven van corruptie? Zou het dan ook zo zijn dat wanneer meerdere mensen gezamenlijk een filosofie of religie zeggen te omarmen dat er altijd sprake zal blijken te zijn van het afkalven van de voor die filosofie of religie kenmerkende normen en waarden? Ongeacht over welke filosofie of religie dat gaat? Gewoon omdat de mens nu eenmaal zichzelf corrumpeert?

Want als dat zo is, dan kan een mens maar beter atheïst zijn.

© 2013 Alice Anna Verheij

Eindigt vanavond mijn strijd?

Vanavond om kwart over acht vergadert de Tweede Kamer plenair over wat de wijziging van de transgenderwet wordt genoemd. Hier kun je er meer over lezen. Het is voor mensen als ik een historische vergadering, in potentie. Voor mij kan het betekenen dat ik na die vergadering eindelijk de erkenning krijg voor wie ik ben, iets dat mij tot op heden door de Nederlandse Staat onthouden is.

Als het goed gaat vanavond zal ik over enige tijd een nieuw paspoort kunnen halen aan het loket van de gemeente waarin bij geslacht een ‘V’ staat in plaats van het injuiste ‘M’. Ik hecht daar waarde aan omdat ik nu eenmaal als vrouw door het leven worstel. Zelfs mijn lijf is aangepast en toch is de juridische wijziging er nooit gekomen.

tgflag

In het kort is (en hopelijk was) mijn strijdpunt dat ik weiger me te onderwerpen aan een wet waarbij van mij geeist wordt dat ik met een doktersattest aantoon onvruchtbaar te zijn. De huidige wet immers schrijft gedwongen sterilisatie voor transseksuelen voor. Dat is uiteraard een grove schending van de mensenrechten want die Universele Rechten van de Mens schrijven voor dat een staat de fysieke integriteit van een mens niet mag (laten) aantasten. De overheid heeft simpelweg het recht niet om een dergelijke voorwaarde te stellen. Waarbij nog komt dat voor die wijziging een gang naar de rechter nodig is die vaak niet betaald kan worden en onnodig duur is. Tot slot mag een ander dan zelfs nog bezwaar aantekenen wat er op neer komt dat zo ongeveer iedereen het recht heeft op dit moment om tot juridische aanranding over te gaan bij transseksuelen. Want wat heeft een ander ermee te maken of ik als mens onvruchtbaar ben.

Natuurlijk hoop ik dat het huidige wetsvoorstel geaccepteerd wordt en de wet aangepast wordt naar een meer humane wet. Waardoor mijn lijdensweg eindigt en ik in de toekomst verschoond zal blijven van de bijna dagelijkse post van overheid en overheid gerelateerde organisaties die me aanschrijven als ‘dhr’ in plaats van ‘mevr’. Ik zal niet langer door de telefoon en aan het loket moeten uitleggen bij de meest banale handelingen dat ik toch echt A.Verheij ben en ja dat ik een vrouw ben en niet een man zoals op het scherm van de ander staat vermeldt.

Maar ik wantrouw de politiek diep. Ik wantrouw de parlementariërs die jarenlang mijn groep mensen bedrogen heeft, veronachtzaamd heeft en onze rechten geschonden. Ik wantrouw de partijen die vaak riepen maar nooit waarmaakten en ik ben bang voor de woorden van kamerleden die om wat voor reden dan ook dit wetsvoorstel tegen willen houden. Die woorden immers, als ze vallen, zullen in mij snijden, mij kwetsen, mij weer opzij zetten.

Misschien valt het mee. Misschien komt het goed. Misschien eindigt mijn strijd. Vanavond zal ik er zijn, op de publieke tribune. En als ze die wet niet wijzigen zal ik me laten horen, ook als de kamerregels dat verbieden.

© 2013 Alice Anna Verheij

Het is maar een film…

Vannacht keek ik naar de film ‘Exit’. Een Telefilm uitgezonden door de NCRV. De film gaat over Amadou uit Guinee die als jongetje vluchtte voor het geweld in zijn land, zijn broer vermoord zag worden, de huizen afgebrand worden. Amadou heeft in de verhoren tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De moord op zijn broer was op een zaterdag, of een zondag. Het kind Amadou wist het niet precies meer.

Later blijkt zijn verhoorambtenaar van Es dat gegeven van onduidelijkheid gebruikt te hebben om zijn asielverzoek af te wijzen. Jaren later. Amadou was bijna gediplomeerd verzorgende inmiddels. De jonge man Amadou is één van een groep van vijf mannen die ‘uitgeprocedeerd’ zijn. Ze worden uitgezet naar Guinee. Op basis van Europese laissez passez’s en zonder de noodzakelijke Guineese documenten. Hij weet, zij weten alle vijf, dat ze in Guinee direct in de gevangenis gegooid zullen worden en waarschijnlijk vermoord.

De film laat het verzet zien van de vijf mannen in een bus op het vliegveld van Rotterdam. Bijna lukt het ze om de uitzetting te voorkomen. Maar van Es, een soort NSB-er apres la lettre, liegt ze uiteindelijk de bus uit waar ze zich in verschanst hadden. De mannen worden met veel geweld overmeesterd en alsnog in het vliegtuig uitgezet. Later zal blijken dat ze in Guinee inderdaad direct de gevangenis in gegaan zijn waarna er niets meer van ze vernomen is.

Amadou en zijn vier kameraden zijn door de staat uitgezet en indirect mogelijk vermoord. Het hele proces rond de uitzetting is een schokkende aaneenschakeling van mensenrechtenschendingen uit naam van de Nederlandse staat. Het meest schokkende is nog wel dat de film gebaseerd is op waarheid. Op feiten. Op situaties die daadwerkelijk voorgekomen zijn en nog steeds voorkomen. Het is een felle aanklacht tegen de onmenselijkheid van het vreemdelingenbeleid en de mentale en fysieke gewelddadigheid van uitzettingen.

Een normaal mens kan niet zonder walging naar de film kijken.

En toch, ‘het is maar een film’ zullen sommigen zeggen. Daarmee het gegeven van deze film en de grauwe werkelijkheid van staatsterreur tegen individuen die vermalen worden door de IND regels en procedures, marechaussee en politiegeweld, leugens en bedrog en de handen van ambtelijke slachters als de IND-er van Es uit de film.

Een normaal Nederlander kan niet zonder diepe schaamte naar de film kijken.

Toch zullen er mensen zijn die blijven volhouden dat de regels gehandhaaft moeten worden, hoe oneerlijk ook en hoe mismaakt de uitvoering van die regels ook geworden is. Ze zullen zwijgend toekijken net als de politiemensen die in de film worden uitgebeeld en die de vuile handen zijn van een overheid die zich vershuild achter wetten en regels waarbij alle menselijkheid opzij is gezet.

Een normaal mens kan niet zonder tranen in de ogen naar de film kijken.

Maar er zullen er altijd zijn die beweren dat het land vol is, dat er geen plek is voor de vreemdeling, de asielzoeker, de uitgeprocedeerde. Mensen die het ongeluk hadden geboren te zijn en geleefd te hebben in een land vol geweld en gevaar en die dus hebben moeten vluchten. Die het overleefd hebben maar alles verloren, inclusief hun rechten. Want die mensenrechten lijken mooi op papier maar ze worden met te groot gemak geschonden  door de uitvoerders van wetten en regels.

Het is maar een film…

Inderdaad. Het is maar een film. Maar wel eentje die mensen zou moeten aanzetten tot nadenken, tot meer menselijkheid en meer begrip voor de situatie waarin zovelen verkeren. Een film die als een grote ‘J’accuse’ tegen de praktijk van uitzettingen mag worden, moet worden gezien. Een film die wat mij betreft door iedereen moet worden gezien. Al is het alleen maar omdat het duidelijk maakt hoe gewelddadig onze ‘rechtsstaat’ werkelijk is. En hoe ver recht verwijderd is van de werkelijkheid.

Maar het is een film.

Die me doet schamen Nederlander te zijn.

Die me boos maakt.

Die me doet walgen.

Die me alle respect voor de Nederlandse rechtsstaat doet verliezen.

Die me met bewondering voor de regie, productie en cast vervult.

En dat bij een ieder zal doen die met open ogen blijft kijken.

‘Exit’ is gemaakt door:

Cast: Emmanuel Ohene Boafo, Romijn Conen, Werner Kolf, Goua Robert Grovogui, Adam Kissequel, Tony Bola-Audu, Hubert Fermin, Juda Goslinga, Sara De Bosschere. Regie & scenario: Boris Paval Conen, producent: KeyFilm, omroep: NCRV

EXIT1

© 2013 Alice Anna Verheij

A phone call

trein

Train. The Hague to Amsterdam. The thing was on time. Oh, and there actually was some sunshine out there to guide me. To keep me awake. Of course I didn’t take a book with me, after all it’s less than an hour to Amsterdam. I hate reading books when I’m sure that there isn’t enough time to finish at least a couple of chapters.

Anyway, time was flying in absolute boredom. The landscape was absolutely boring. The people in the train were totally uninteresting except for that girl who sat three seats away. I liked her hat, a bowler at the perfect size. Problem was that she looked so cool that it wasn’t fair. The good news was that her shoes didn’t match. Thank the Lord for cool girls who make fashion errors. Makes me feel human. We stopped at Leiden station, a concrete, steel, aluminium and glass structure in ultimate uglyness. Silently I requested Al Qaida to bomb the place. Stations like that should be destroyed. A.S.A.P..

Phone rings in my bag. I don’t notice it.

Train moves again, cityscape Leiden slides along my window. It’s ugly from here, which is strange for a city that really is quite nice.

Phone rings again. I notice.

Front pouch of bag zips open and there’s my daily junk. I frantically search through the chaos I created when leaving home cursing myself for not being organized enough to have a nicely ordered and accessible bag.

Phone rings again. Got it.

I let the white devil slide from it’s cover and thumb-slide the sucker to answer the call. I don’t recognize the number. I mean, the phone doesn’t recognize it and as such shows a number in the display. I never recall phone numbers if they’re not connected to either lovers or friends. I answer.

“Morning, Alice speaking?”
Man says: “Shouldn’t you be at Katwijk to file charges for abuse?”
“I didn’t abuse anyone.”
“You’ve been abused, haven’t you?”
“Not in Katwijk, I never go there.”
“But you’ve just been released from hospital…” Man asks with a doubtful voice.
“For some months.” I answer truthfully.

I decide to play him. He obviously isn’t that smart and I hate guys on the phone without the decency to say their name when I answer. Same goes for women.

“We’re waiting for you here you know.” The man sounds a bit agitated. I love it.
“Oh dear, that’s a nuisance. So, you want to be abused?”
“Err, what do you mean?” Man sounds confused.
“Well if you are than charges can be filed of course.”
“Yes, but…” Man sounds totally confused now.

Silence. For 10 seconds. Voices in the background.

“Err, you are Mrs. Verdoorn?”
“No, I’ve been having a different name for years.”

Silence.

“Oh, I must have the wrong person.”
“I am quite alright but certainly not yours.” I answer the guy. He still doesn’t laugh. Fucker.

Silence.

“Err, well err. I mean. Err…”

– click –

I smile as the train rolls into Amsterdam Lelylaan station. I grab my stuff, put on my cap noticing the girl with the bowler following me with her eyes and a big smile. I wave her a kiss and leave, she miles back at me. It’s gonna be a great day.

© 2013 Alice Anna Verheij

Zoals het klokje thuis tikt.

Jaren terug, ik was nog getrouwd en woonde heel ergens anders, hadden mijn ouders wat te vieren. En dus kocht ik een kado voor ze dat ik wel bij ze vond horen; een Engelse tafelklok. Het viel in de smaak en jarenlang tikte de klok de seconden, minuten, uren, dagen en volle manen weg. Tot allebei mijn ouders gestorven waren.

De klok is naar mij terug gekomen zoals dat wel vaker gebeurt met erfstukken. Lange tijd vond ik het geen mooie klok maar dat had meer te maken met de inrichting van de appartementen waar ik woonde. Deze week echter verhuisde ik een etage naar beneden, naar een ruimere kamer met een balkonnetje, glas in lood ramen in de schuifdeur naar de suitekamer en een plafond met een mooi profiel dat nu eens niet op een rare manier afgekapt is. De klok die ik al menigmaal op de nominatie voor verkoop had gezet verhuisde mee. Net als mijn kat.

Deze keer heb ik een zwart marmeren schoorsteen die smeekt om de klok. Het uurwerk is in ere hersteld, opgewonden, gelijk geregeld afgestoft. Letterlijk. De eerste nacht schoot ik geregeld wakker van het geluid dat zich om het kwartier met lengende melodie laat horen om op het hele uur te ontaarden in slagen. Ik hoor de klok van mijn ouders weer. Deze keer in een kamer waar ik extra aandacht heb besteed aan een sobere maar smaakvolle inrichting. Het is een ruimte waar je graag wilt zijn en waar het getik van de klok niet afleidt maar juist aantrekt. Huiselijkheid.

Engelse tafelklok

 

De klok op de schoorsteen is niet origineel Engels maar een exemplaar van Warmink Klokken uit Enschede. Het bedrijf bestaat niet meer voor zover ik weet. Niet dat me dat iets uitmaakt overigens.

Hoe dan ook, mijn huis klopt. Of beter: tikt. Na een tijdje went men aan de kwartierssignalen van het uurwerk. Nog even laten en het is vooral een warme emotie voor me waarbij de gedachten aan mijn ouders zich regelmatig opdringt. Goede gedachten gelukkig. Het bijzondere van een klok is dat ik er geen negatieve gevoelens bij kan hebben als ik de seconden hoor wegtikken. Misschien, heel misschien, ben ik hier een beetje op mijn plaats.

© 2013 Alice Anna

Machines

Ik heb een technische opleiding gehad. Sommigen zal dat verbazen, anderen niet. Nog altijd heb ik iets met techniek. Maar dan wel zichtbare techniek. Fijnmechanica. Ik hou van de inventiviteit, het geklik en geratel en geschuif dat die mechanica in zich heeft en die voldoende zichtbaar is om er de werking van te doorgronden.

En ik schrijf.

Mix die twee gegevens, liefde voor het mechaniek en liefde voor het woord en je krijgt een typmachine. Of, in beter Nederlands, een schrijfmachine. In deze tijden van computers, laptops, iPad’s en wat dies meer zei, zijn dat apparaten met een geruststellende duidelijkheid.

Eenmaal jezelf verdiepend in wat er ooit gemaakt is op het gebied van schrijfmachines dringen zich modellen, ontwerpen en mechanieken op met iconische kwaliteiten. De techniek is maar al te vaak van een bijzondere esthetische kwaliteit. Puurheid en functionaliteit gevat is vormen en werking die bewondering afdwingen voor de inventiviteit van de ontwerpers en bouwers. Dus slaat de neiging tot verzamelen toe. Voor iemand die niet bepaald materialistisch is een geweldige ondeugd.

Mijn vader had ooit een in Nederland gemaakte Remington. Het slappe plastic omhulsel had een strakke vorm die goed in de zeventiger jaren paste. Het ding was een genot om op te typen maar er ontbrak een tabulator. Wat nogal onhandig is. Ik speelde er mee toen ik klein was, het geluid zit nog altijd in mijn oren. De machine is jammer genoeg verloren gegaan. Maar die herinnering he? Sinds een tijd staat er een loeizwaar apparaat in mijn kamer, een Underwood 5. Hèt stijlicoon van de oude typemachine. Herkenbaar voor iedereen en zelfs zo bekend dat menig schrijfmachine pictogram gebaseerd is op de vorm van die Underwood.

underwood 5

Underwood Model 5 uit 1910

Maar daar houdt het dus niet mee op. Na een goed jaar tegen die geweldenaar aangekeken te hebben, en ondervonden te hebben dat typen niet bepaald een genot is op het bakbeest (die toetsen moet je echt heel ver indrukken), wordt het tijd voor iets portabelers. Enter the Remingway Portable #1. Dè machine voor de oerverzamelaar met het gaafste mechaniek ooit. Om hem draagbaar te houden gedraagt hij zich als een convertable, een machine als een cabrio met automatische kap. Hendel aan de rechterkant omzetten en omhoog komen de armpjes met lettertjes en een plaat die het mechaniek afdekt. Je moet het zien om het te geloven.

Remington Portable 1   (NE42659) 004

Remington Portable 1 uit 1926

Dat wordt gedichten tikken en misschien neem ik hem weleens mee onderweg in plaats van mijn Macbook, gewoon voor je lol. Ook deze machine is er eentje waar menig beroemde schrijver de toetsen van beroerd heeft. Een overzichtje van schrijvers en hun machines volgt even verder op in dit stukje. Tsja, en als er dan twee schapen over de brug zijn, dan is het hek van de dam. De dame wordt verzamelar. (Dat er in de kamer naast mij nog een kast met een tiental machines van anderen staat is echt niet van invloed hoor, echt niet. Heus niet.) Het mooiste schaap dat over die dam aan komt stormen staat nu nog in Limburg te wachten om opgehaald en naar mijn stal gebracht te worden. De Hermes 3000, de Porsche onder de schrijfmachines en op de fifties Underwood die nauwelijks nog te vinden is na misschien wel de mooiste machine die ooit gemaakt is. Het ontwerp ziet er uit als een Porsche 911 met rondingen op de juiste plekken, een kap als een motorkap en toetsen die gillen om mijn handen. Dit is ie:

hermes 3000

Hermes 3000 uit 1961

Op zo een machine wil je uren tikken. Verhalen, gedichten, liedjes en dan af en toe ‘vroemmmm’ roepen. Ja, ik ben knettergek natuurlijk en volslagen hulpeloos maar ik vind dit zo mooi. Bijna net zo mooi als die machine die nergens meer te vinden is: de Underwood DeLuxe Quiet Tab. De ’54 Chevrolet onder de schrijfmachines. Ik heb hem niet maar ik wil hem wel!

underwood

Underwood DeLuxe Quiet Tab uit 1954

Hoe dan ook, al dit typgeweld is onvergelijkbaar veel mooier dan de elektrische draak die op mijn bureau staat maar die zo lelijk als ie is hartstikke lekker typt, de afgrijselijke Smith Corona XL1850 uit de nadagen van het pré PC tijdperk. Het ding doet het maar het doet mij niks. Het mechaniek hoor je maar klinkt zo plastic als de fantasieloze kast. Het wonder van het mechanisme verstopt in een monterlijke uitdossing.

scxl1850

Smith Corona XL 1850 uit Joost-mag-weten welk jaar.

Mocht nu iemand die Underwood hebben staan in haar fifties jurkje, doe me dan een plezier, aai haar over het bolletje en geef haar weg. Aan mij!

O ja, die schrijvers. De Hermes 3000 was de machine waarop onder andere Stephen Fry, Rosamunde Pilcher en Jack Kerouac schreven (Kerouac alleen zijn laatste drie romans en niet ‘On the road’). De Underwood 5 werd beroerd door onder andere Douglas Fairbanks, MFK Fisher, George Perec, Erle Stanley Gadrner en (jawel) Tom Waits. De Remington Portable 1 door Ernest Hemingway en Blaise Cendrars (Franse modernist) en nog een heleboel andere bekende, minder bekende en volslagen onbekende auteurs.

Het zal duidelijk zijn dat ik natuurlijk graag een brug sla naar het heden (of de toekomst) en dus erg geïnteresseerd ben in dit geweldige 21e eeuse model:
ipad-typewriter

© 2013 Alice Anna Verheij

Aan een bankdirecteur.

snsnreaal

Goed dan.
Je bent bestuurder geweest bij een bank.
Die je vervolgens mede ten gronde hebt gericht.
Je krijgt een bonus en neemt die aan.
Dan ben je een graaier.
Je wordt ontmaskerd en die bank wordt intussen gered.
Mensen roepen je op je bonus – die je niet verdiend hebt – terug te geven.

Ondertussen volgt een hoorzitting over de teloorgang van die bank.
Maar daar wil je niet bij zijn.
Wat doe je dan?
Precies, je vlucht het land uit.
Geld zat immers.
En zegt dat je bang bent voor bedreigingen…

Maar misschien, heel misschien besef je dat je een hypocriet bent.
Zonder ruggengraat.
Die geen verantwoording wil afleggen.
Voor het feit dat je de mensen bestolen hebt.
Maar dat kan je niets schelen.
Je hebt immers niets misdaan.
Je bent immers niet strafbaar.
Zo lijkt het.

En je neemt er een goed glas op.
En hoopt dat het overwaait.

© 2013 Alice Anna Verheij

Rood op oranje.

Vandaag is een rare dag. Wakker worden lukte niet zo goed. O ja, de koningin viert haar laatste verjaardag als koningin. Toch wel bijzonder bedenk ik me. Direct gevolgd met de gedachte dat het dus een oranje dag is. Op oranjedagen kleed ik me rood. Ik ben nu eenmaal ietwat tegendraads. Niet per sé een anti-monarchist of zo maar toch houdt me die rare job rotation tussen prinsen, koninginnen, prinsessen en koningen wel bezig. Na koffie, douche en weer koffie reorganiseerde mijn agenda zich als vanzelf. Leuke mensen op de rol vandaag en na het shuffelen van tijden en dagen, morgen dus ook.

In het rood, met hoed op want ik blijf het wat koud vinden, dan toch maar er op uit. Niet volledig helder volgt de routine van het opladen van het kaartje dat me naar de stad moet brengen en de rode tram die ik pas registreer als rode tram wanneer ik er in zit.
En dan op de Lijnbaan zie ik vanuit mijn ooghoek een hagelwitte koets aankomen. Zo’n lage met een baar er op. Pront op die baar een doodskist van het roodste rood dat je kunt bedenken. Als een uitroepteken geplaatst. In plaats van de schok van de aanblik van een lijkkoets veer ik op. Langzaam verschuift het beeld van rechts naar links achter langs de raamstijlen van de tram die op dat moment gelukkig bij de halte wacht. Een enkeling om me heen ziet het ook en verbazing is zichtbaar op hun gezichten.

Ineens weet ik het. Als ik ooit ga wil ik dat. In een knalrode kist door de straten gereden worden. Wel met een zwarte koets want met wit heb ik nooit zoveel gehad. De lange neus die de rode kist trekt naar de levende omstanders verraad een karakter dat me bevalt. Wie er in ligt heb ik geen idee van maar bij mij overheerst de glimlach en ik weet wel zeker dat precies dat de bedoeling geweest zal zijn van het mens dat langs mijn tram wordt gereden. Het kan niet anders dat er een passioneel romanticus ons nog even wat wou laten weten.

En dan rijden we de hoek om. Mijn dag is weer goed.

© 2013 Alice Anna Verheij

rode kist

Vandaag is een oranjedag.
Op dit soort dagen ben ik rood
en draag ik een hoed.
Zelfs de tram is zo rood als ik.
Hoe passend.

Halverwege rijdt er onverwacht
– want zo komt de dood meestal –
een hagelwitte lijkkoets.
In de tegengestelde richting.
Hoe passend.

Er op staat de knalrode doodskist,
als een lange neus naar het leven.
Dat een doodskist me blij kan maken.
Mijn hoed zet ik af.
Hoe passend.

Twee ontbrekende stenen.

De laatste tijd houd ik me onledig met onderzoek ten behoeve van een trilogie die ik schrijf. Dat onderzoek naar de hoofdpersonen is een onderzoek naar het verleden. Naar mensen die niet meer leven en waarvan weinig is terug te vinden. Het brengt me naast allerlei uithoeken van het internet naar archieven, musea en begraafplaatsen. Vooral die laatste categorie is fascinerend.

Graven zijn eigenlijk kleine (en soms grote) individuele gedenktekens. Ze geven een beeld van de status van iemand, de liefde van zijn of haar familie en vrienden en bestaan dat ze hadden. Vooral oude begraafplaatsen zoals het recent door mij bezochte Kensal Green Cemetery in Londen voegen daar nog een aantal kwaliteiten aan toe. Er is sprake van mode in grafmonumenten, architectuur zelfs en in zekere zin ook kunst. Menig grafmonument daar is meer een kunstwerk dan slechts een versteende memorie aan de overledene.

Vanavond was er een uitzending van Brandpunt waar aandacht was voor de verhalen van de overlevenden van de watersnoodramp van 1953. De ramp waar mijn vader als soldaat naar toe gestuurd werd om slachtoffers te helpen. Zijn taak was eerst verbindingen maken, later het redden van vee en tot slot het helpen met de ruimen van de kadavers. In de reportage komt ook een begraafplaats voor. Met grafstenen met namen en met telkens dezelfde datum als overlijdensdatum. Dat raakte me.

the gravefoto: Kensal Green Cemetery © 2013 Alice Anna Verheij

Kensal Green raakte me ook. Omdat ik daar tussen die honderden graven wandelde die vaak meer dan honderd of honderdvijftig jaar oud waren. Met bekende namen voor als je een beetje op de hoogte bent met de kunsten, wetenschap en politiek van die tijd. Met engelen, veel engelen en met spreukloze stenen en kale mausolea maar ook met dichtregels, citaten en soms hele toelichtingen op het leven of de persoon die in een stenen bouwwerk of onder een steen is gelegd. Ooit, lang geleden. Zo hier en daar is een nieuwer graf, te herkennen aan het materiaalgebruik of een bosje bloemen. In deze tijd van het jaar vooral kunstbloemen.

Zo een begraafplaats is intrigerend en rustgevend. Het doet een mens nadenken over wat belangrijk is en wat niet. Mij deed die ervaring en de Brandpunt uitzending me ineens tot een ontstellend besef komen. Het besef dat geheel tegen mijn gevoel en wens in er voor mijn ouders geen stenen zijn, geen plaats om te bezoeken, geen graf om bloemen op te leggen of in gedachten bij stil te staan. Zelfs geen urnenmuur. Mijn vader is uitgestrooid op een anoniem veldje en het keitje dat daar als obligaat monumentje bij was neergelegd is allang verwijderd. Van vader geen spoor. Mijn moeder volgde mijn vader, maar niet helemaal. Nog altijd heb ik een asbus in huis welke het mij tot nog toe onmogelijk is om te legen op de juiste plek. Na drie jaar denk ik dat het moment dat ik dat ga doen niet zo ver meer is. De plaats weet ik, ik zal er voor moeten varen.

Ik vind het erg om niet naar een grafsteen te kunnen gaan. Om mijn gedachten daar achter te laten, in fluistering. Ik mis de koude van een granieten of marmeren steen met er in gebeitelde letters die me de data laten zien achter de namen. Het was hun keus om in de anonimiteit te verdwijnen alsof ze nooit bestaan hebben, alsof ze niet wilden dat er nog aan hun gedacht werd. Het was een misvatting want ik denk nog altijd vaak aan ze. Dat zal niet veranderen. Het voelt alsof mijn herinnering twee ontbrekende stenen als last heeft.

Ik bedenk me dat wanneer het mijn tijd is en er de vraag komt wat er met mijn dode lijf moet gebeuren er hopelijk nog kinderen en vrienden zijn die me onder een steen leggen met mijn naam, de data en deze simpele tekst er in gehouwen:

‘Ze probeerde het tenminste.’

Gewoon omdat ik hoop dat er ooit iemand een roos bij me komt brengen. En als het even kan zou een engel er bij ook wel fijn zijn, zo eentje die een beetje met mos overgroeid is en uitgespreide vleugelen heeft waar ik onder kan schuilen als het regent.

In mijn gedachten weg wandelend van dat graf in de kou van de winter met het knisperende sneeuw onder mijn schoenen bevangt me de gedachte dat ik hopelijk nog heel vaak van mening mag veranderen over wat er met mijn stoffelijkheid gedaan mag worden voordat ik onder mijn steen kruip. Uiteindelijk is een graf ook maar een kille plek en ik kan niet zo goed tegen de kou.

Tijd om de kachel nog maar wat hoger te zetten dus. Tsja, graniet of marmer, zou het wat uitmaken en die engel, moet die zitten of staan?

© 2013 Alice Anna Verheij

Terug naar een oude jeugdliefde.

Ik ben een romanschrijfster en onverbeterlijk romantisch. Dat laatste was ik altijd al en dat eerste sinds een aantal jaren. Het is buiten de gebruikelijke uitdagingen heel erg leuk om romans te schrijven. Zeker voor mij omdat ik zonder concessies mij kan wijden aan het schrijversvak en mijn leven zo ingericht heb dat de belemmeringen om dat te doen minimaal zijn. Iets wat ik anderen ernstig ontraad overigens want het betekend wel leven in minimale omstandigheden. Mijn thuis is een kleine kamer op twee hoog voor.

De charme van mijn manier van het schrijven van romans is dat er veel onderzoek nodig is. Heel veel onderzoek. Mijn eerste gepubliceerde roman bracht mij op de wallen tussen de prostituees en in een vage club en mijn tweede in vluchtelingenkampen in Nepal. Ervaringen die mijn denkwereld ernstig hebben veranderd en mij voor een flink deel ook vrijgemaakt hebben van conventies, de moraal van (een deel van) mijn opvoeding en angsten die zinloos en onzinnig zijn.

De roman waar ik nu aan werk is in veel opzichten een omslag in mijn werk aan het worden. Ten eerste is het een roman die niet in het heden maar in het verleden speelt en toch geen historische roman is. Daarnaast is dit het boek waarin veel autobiografische elementen verwerkt worden door ze te projecteren op een van de personages. Daar komt nog bij dat het niet één boek is maar drie, een trilogie. Dat laatste was niet de bedoeling maar gegeven dat boeken in zekere zin zichzelf schrijven een logische uitkomst van een goed half jaar onderzoek op thematiek, locaties en personages. Maar er is nog iets.

Londen Januari 2013

Lachrymae (‘Tranen’) is in zekere zin ook een terugkeer naar een periode in mijn jeugd die zeer complex was maar waar ik gelukkig ook goede herinneringen naast de hele slechte heb. Die goede herinneringen hebben in sterke mate te maken met de jaren dat ik meerdere keren per jaar in Londen was. Ik had er een sport- en penvriend en we hebben veel tijd samen doorgebracht. Hij te gast bij mijn familie en ik bij zijn familie. Goed, hij woonde eigenlijk in Surrey en strikt genomen dus niet in Londen maar Morden is wel zo ongeveer het uiterste puntje van Surrey en voor de onbekende simpelweg zuid Londen. Een gezin in een kleine arbeiderswoning in een arbeiderswijk waarvan de vader postbode was en de moeder de twee zoons opvoedde. Een zeer Engels gezin ook.

Ik dwaal af. Mijn nieuwe werk brengt me terug naar Londen. Naar Kensington en Holland Park om precies te zijn en naar Burlington House (en natuurlijk de Burlington Arcade). Plekken in die stad waar ik vaker ben geweest maar in die tijd nog geheel onwetend van de reden waarom ik er nu terugkeer. Ik heb altijd erg van Londen gehouden. Toegegeven, Parijs is romantischer en tintelt meer. Maar Londen was en is een heerlijke stad met een geheel eigen sfeer. Of sferen eigenlijk. Deze keer heb ik een opdracht voor mijn bezoek. Ik ga er zoeken naar wat er nog over is van de geschiedenis van een paar vrouwen, schilders, beeldhouwers en dichters uit een vervlogen tijd. Een tijd waarin er nog de koetsen reden die langzaam vervangen werden door auto’s, een tijd met een zo op het oog strakke moraal maar een evenzo duidelijke hypocrisie die mensen er toe bracht om in het min of meer verborgene zich te onttrekken aan die moraal. Ondeugd zoals dat in Engeland kan zijn. Mijn vrouwen (het zijn er drie) leefden aan dat randje van de maatschappij waar de kunstenaars te vinden waren. De schrijvers en dichters, schilders, beeldhouwers, de eerste beroepsfotografen, acteurs en actrices, de zangers en zangeressen. Niet te vergeten ook de modellen voor de schilders, beeldhouwers en fotografen die niet zelden ook actrices en zangeressen waren of veaudeville of burlesque sterren. Of gewoon prostituee, want er waren in die tijd enorm veel dames die alleen op die manier een eigen bestaan konden opbouwen en onderhouden. Courtisanes, maitresses en hoertjes bevolkten de stad in grote getale want er was nu eenmaal heel wat emplooi voor ze. Zo niet mijn vrouwen, zij waren model en actrice of model en naaister. Een aantal van hen waren min of meer beroemd en een enkeling nadrukkelijk geroemd om haar exceptionele schoonheid.

Het is ruim honderd jaar later. Mijn vrouwen leven niet meer maar toch ook nog een beetje wel. Het is moeilijk om ze te vinden maar ze zijn er nog wel. Op muren van paleizen en musea, van Buckingham Palace tot de Tate Gallery zijn ze nog te zien. Alle drie. Dat maakt het zo heerlijk om naar ze te speuren. Ik ga ze zien straks, geschilderd in de tijd waarin ze op hun mooist waren, ik ga van enkelen de huizen zien (want die zijn er nog steeds) en een atelier waarvan ik zeker weet dat ze er alledrie model gezeten hebben voor één van die schilders. Samen met curatoren en anderen ga ik hun gangen na en ik weet zeker dat ik met aanzienlijk meer beelden en informatie over hun terugkom als wat ik nu heb voordat ik afreis.

De plaatsen die van belang zijn ga ik bezoeken, in mijn hoofd als één van die vrouwen. Ik ga er door haar ogen naar proberen te kijken en weet dat ik dan heel andere dingen zie dan iedereen om mij heen. De Tate Gallery, de Royal Academy, Leighton House en de straten in Kensington zullen er dit keer anders uitzien voor me dan toen ik er lang geleden was. Niet omdat de moderne tijd toegeslagen heeft, want op de overal aanwezige camera’s na valt dat wel mee maar vooral omdat ik anders kijk.

Als het allemaal lukt dat is dit bezoek het begin van een periode waarin ik vaker in die heerlijke stad zal zijn, speurend naar wat er nog wel is van een vervlogen verleden en ondertussen mijn jeugd een beetje terug halend. Voor mijn gevoel doe ik dat terwijl ik de meisjesnaam van mijn moeder draag. Ze zou het mooi hebben gevonden.

© 2012 Anna Ros

SP duikt voor verantwoordelijkheid van breken belofte aan transgenders.

rotte tomaat

Enige tijd geleden schreef ik dit (de gehele transgendergemeenschap was op dat moment in Kerstslaap verzonken inclusief TNN):

Transgender zorg en -rechten in Nederland en het bedrog door de politiek.

Het was 23 december en even daarvoor had de tweede kamer het wetsvoorstel voor aanpassing van het zorgsysteem en heropname van NOODZAKELIJKE medische zorg voor transgenders afgestemd. Niet dat het ook maar iemand leek te interesseren.
Na mijn artikel kwamen er wat reacties uit het veld en vandaag, na afloop van het Kerstreces kwam er zowaar een reactie uit het politieke veld. Van de SP, één van de fracties die transgenders zo lelijk in de kou heeft laten staan.

De SP vind dat het zorgvuldig is geweest. Ze gaan in hun reactie echter aan nogal wat zaken voorbij. Maar hier is eerst de mail die ik ontving van de salonsocialisten:

Beste Alice,

de SP heeft tegen dit amendement gestemd omdat we de wijze van financieren niet goed vinden en waar het geld gehaald wordt ook niet. Wij zijn voor het financieren van deze zorg via de basisverzekering, zo organiseer je dat iedereen er recht op heeft (bijvoorbeeld ook mensen met een genetische afwijking en daardoor afwezige borstgroei is).

Ik hoop met dit bericht jouw interpretatie over ‘in de steek laten’ recht te zetten, dat is geenszins het geval. De voorstelde oplossing via een fonds en de wijze waarop het gefinancieerd wordt, is volgens ons niet de juiste wijze.

Met groet,

Eelco Eikenaar
Beleidsmedewerker SP Tweede Kamerfractie

Leuk zo’n reactie want in ieder geval is mijn tekst gelezen door die fractie. Echter.
Echter, de reactie raakt kant nog wal. Want toen in 2005 die zorg UIT de verzekering werd gehaald was het argument van gelijke behandeling naar mensen met een genetische stoornis helemaal niet aan de orde. Het toenmalige kabinet zat gewoon in een bezuinigingsstuip en transgenders zijn een prima sluitstuk van de zorgbegroting.
Verder is het inhoudelijk ook een onzin argument dat in andere situaties niet gehanteerd wordt. Want, waarom wordt bijvoorbeeld borstreconstructie na borstkanker dan wel vergoed? Zijn die vrouwen ineens ernstiger getroffen door afwezigheid van borsten dan transvrouwen die te weinig borstgroei hebben na hormoonbehandeling? Nee, natuurlijk. Er is dus al ongelijkheid en in plaats van die ongelijkheid fors te verminderen kiest de SP ervoor om die ongelijkheid te gebruiken als argument tegen verbetering van de zorg. Belachelijk argument dus en zeer beslist niet goed doordacht.

De financiering dan? Hoezo financiering? Eer is nu niks. Liever een fonds dan niks, stelletje dwazen! Het gaat trouwens om een belachelijk laag percentage van de totale zorgbegroting, ergens in de promilles.

En dan heb ik het er nog niet eens over dat… o wacht, daar heb ik het nu eens wel over. De SP heeft immers meerdere malen toegezegd voor dit wetsvoorstel ter verbetering te gaan stemmen en laat het gewoon afweten. Dat heeft bedrog meneer Eelco Eikenaar! Bedrog van mensen die in een niet te benijden positie verkeren en juist geholpen zouden moeten worden. Maar daar doen jullie dus niet aan, mensen van de SP fractie. Welnee, de SP laat veel liever vrouwen na geslachtsaanpassing rondlopen met overmatige baardgroei, zonder borsten en transmannen helpen jullie dus liever ook niet. In plaats daarvan laten jullie, (niet zo) beste SP fractie, ons in de kou staan. De huidige trieste situatie blijft bestaan en zicht op verbetering is er niet. Want dat zicht hebben jullie ons ontnomen.

Punt is, beste SP, jullie moeten gewoon niet jokken. Dat is niet netjes. Ik weet, jullie zijn politici en jokken is een genetische afwijking van politici. Maar toch.

Nee, de SP gebruikt lamme argumenten om een groep mensen nog langer in de kou te laten staan. Dat heet wat mij betreft a-sociaal en dat maakt voor mij (en vast nog een aantal anderen) de SP een a-sociale partij.

© 2013 Alice Anna Verheij

Woorddevaluatie

Er is al een tijd iets aan de hand met sommige woorden in onze taal. Vooral met woorden die te maken hebben met normen en waarden. Woorden die onder invloed staan van ‘straattaal’, een eufemisme voor gebrek aan taalkundig inzicht. Let wel, straattaal is geen dialect maar bargoens. Een taalvariant waarbij er verbastering aan de orde is, er woorden bedacht worden en er een overmaat aan leenwoorden  gebruikt wordt. Naast het toekennen van andere betekenissen aan sommige woorden. Ik ga er geen verhandeling over schrijven hier, dat mogen taalwetenschappers doen. Dit stukje gaat over ergernis over het omdraaien van de betekenis van een woordje dat ik belangrijk vind.

respect

Er was een tijd, nog niet zo lang geleden dat respect verbonden was met de deugd van degene die het verleend en degene die het verdiend. Zo niet tegenwoordig. Het is juist tegengesteld geworden. Zoals in het voorbeeld van het schuimbekkende ettertje dat nadat hij een politieagent op het facie getimmerd heeft waarop hij gearresteerd wordt steeds harder gaat roepen dat de mensen die hem knijp zetten ‘respect’ moeten hebben. Of het geval van een ander ettertje dat te hard gereden heeft en staande gehouden is om bij het verschijnen van een camera door het lint te gaan en te eisen dat hij respect krijgt. Of die keren dat iemand iets heel normaals doet, zoals het helpen van een ander, een enthousiast ‘respect’ naar het hoofd geslingerd krijgt (dit is de positieve variant).

respect

Respect is allang niet meer wat het geweest is, het is een uitgehold woord dat meer te onpas dan te pas wordt gebruikt. Dat is jammer want de betekenis is eigenlijk een hele mooie, het betekent eerbied of ontzag volgens van D te U. Beiden zijn niet op te leggen of af te dwingen maar kunnen alleen spontaan ontstaan. Want wie heeft er nu wat aan als respect onder druk tot stand komt? Trouwens, mij valt op dat met name in het voetbal, de veruit meest onsportieve sport op de aarrdkloot, het woord respect te pas en te onpas gebruikt wordt, in logo’s opgenomen, in campagnes gevat en op shirtjes genaaid. Zinloos respect want het is in de praktijk van geen betekenis zoals iedereen wel weet. Maar ja een poster aan het raam laat zien dat jij niet zo bent. Tot de volgende vechtpartij in het stadion.

In dat verband is het houden van weer een stille tocht voor weer een slachtoffer van zinloos geweld (ook zo’n rare woordcombinatie), helaas allang niet meer een teken van gemeend respect maar een uiting van een onderbuikgevoel van de massa. Een soort boertje na een slecht gevallen maaltijd. Onontkoombaar, even hinderlijk maar rap vervlogen oprisping van overtollig gas met als enige nuttige functie het geven van verlichting bij degene die hem laat.

© 2013 Alice Anna Verheij

De pier loopt dood.

Het nieuwe jaar is begonnen met een klein berichtje in de media dat het van der Valk concern (die met die vogel met die grote bek die de kers uit de appelmoes pikt) het faillisement heeft aangevraagd van ‘de pier‘ van Scheveningen. Deze pier om precies te zijn:

pier (4)
foto: © 2012 Alice Anna Verheij

Het is een zakelijk gezien begrijpelijke stap. Het ding was al jaren in verval, bezoekers gingen de plek mijden en lieten hem afhankelijk van de wandelrichting over de steeds fraaiere boulevard links danwel rechts liggen. De uitbaters van het bouwwerk waren gereduceerd tot een lingeriewinkeltje van bedenkelijk allooi en ander vaag vermaak. Het maakt de pier niet aantrekkelijk voor bezoekers, niet aantrekkelijk voor investeerders gezien de deplorabele staat (en dus de hoge herstelkosten), niet aantrekkelijk voor projectontwikkelaars want die vinden in deze tijd eigenlijk niets aantrekkelijk. Koromt, niet meer levensvatbaar in deze toestand.

De pier blijkt al een tijdje zo dood als een pier.

Hoe anders was dat ooit. Want Scheveningen zonder pier, dat kan toch eigenlijk niet? Voor Zwolsman en voor de tweede wereldoorlog had men er al eentje. Zo’n fraaie zoals je die in Bristol, Blackpool en Brighton zag en in hun vergane glorie nog kunt zien. Een pier op houten palen in plaats van betonnen poten, voorzien van witgelakt hout dat ieder seizoen bijgeverfd moest worden omwille van het zeezout dat er aan vrat. Met gietijzer in sierlijke bogen en fraaie hekken. Dè plek om in Scheveningen te flaneren, gekleed in je mooiste kleren, met een lief aan de arm om dan aan het eind van de wandeling en met de hoed het zicht benemend voor het andere publiek elkaar te kussen. Er zijn heel wat meisjes ten huwelijk gevraagd op die plek.

pier 1098

Op een ansichtkaart uit 1908 valt op te maken dat de pier in die tijd geen pier was maar een ‘wandelhoofd’. Genoemd naar Koningin Wilhelmina, die andere Hollandse ijzeren dame. Een wandelhoofd is ook een mooier woord want het beschrijft veel beter waar die pier voor bedoeld was: om er te wandelen, te flaneren of ten huwelijk gevraagd te worden. Het was geen plek om te bungyjumpen, of bakjes appelmoes met een kers te eten in een verlopen restaurant op een schiereiland op betongerotte pijlers. Pieren uit de tijd waarin ze bedacht werden als attractie voor een badplaats gaven grandeur aan zo’n vissersdorpje en trok daarmee ander publiek (en dus geld). Prins Hendrik opende de eerste pier van Scheveningen in 1901, een door Liefland ontworpen wandelpromenade zeeinwaarts. De inspiratie kwam onder meer van de Engelse zuidkust maar Liefland koos niet voor een gietijzeren constructie maar houten palen. Het zou die pier noodlottig worden. Vanuit het Kurhaus konden de bezoekers de boulevard op gepaste hoogte kruisen om af te dalen op wat een geweldig zeeterras voor het hotel was. Een topper, een trekpleister van formaat. De pier in Scheveningen in combinatie met het chique Kurhaus zetten een ander Scheveningen op de kaart dan dat van mijn grootouders. Het vissersdorp was een badplaats geworden waar je gezien wilde worden.

Die eerste pier brandde in 1943 voor een deel af. De Duitse bezetter besloot vervolgens om de houten palen waar de restanten op rustten ook af te zagen. Zoals ze ook het gietijzeren hek op de rand van de boulevard afzaagden om er tanks van te maken. Tot de reconstructie van de boulevard in de afgelopen jaren kon men nog altijd de afgezaagde stompjes gietijzer zien in de granieten rand van de boulevard. Een stille maar door de meesten vergeten of ongeweten getuige.

Na de oorlog moest er natuurlijk een nieuwe pier komen. Groter, mooier, modern, een herkenningspunt voor Scheveningen en Den Haag want na de oorlog was het dorp immers slechts een deel van de naastliggende stad geworden. Dus werd er in het Haags gemeentebestuur besloten tot de bouw van een nieuwe en hypermoderne pier. Apon, Dijk en Maaskant waren in 1955 begonnen aan hun ontwerp en in 1959 werd besloten tot bouw over te gaan. Twee jaar later, 19 mei ’61, opende prins Bernhard de nieuwe pier. Gefinancierd door onder meer Adama Zijlstra, de baron van Scheveningen en de man achter het succes van het Kurhaus, het Holland Festival en nog veel meer zaken die Den Haag op de kaart zetten. De man die Vladimir Horowitz liet debuteren in zijn Kurzaal. Het was inderdaad een moderne pier geworden en ik herinner me nog goed dat in mijn vroege jeugd mijn ouders me regelmatig naar deze attractie mee namen. Het zou mij niet verbazen als mijn vader daar mijn moeder ten huwelijk heeft gevraagd want er zat wel een verstopte romanticus in die man. Hij hield ook van die pier.

De laatste decennia moderniseerde de wereld. Zijlstra ging, Zwolsman (de aannemer van de tweede pier) kwam. Een rare megalomane man met teveel geld. Zijn bedrijven waren vooral betonstorters en vele plaatsen in het land inclusief Scheveningen vielen ten prooi aan betonnen hoogbouw in een afzichtelijke zestiger jaren stijl. Maar beton rot. Zwolsman werd zo arrogant en maakte zoveel misstappen (een illegaal gebouwd vierde eilandje aan de pier bijvoorbeeld) dat hij welhaast de absolute tegenhanger van de geliefde Adama Zijlstra werd. Velen zien nog steeds Zwolsman als de architect van de vernietiging van Scheveningen als mooie badplaats, ik kan ze geen ongelijk geven daarin. Nadat Zwolsman van het toneel verdween werd het lastig om van het verbetonde Scheveningen nog iets moois te maken. Want beton rot. De onderhoudskosten aan veel van de bouwwerken waren hoog en het verval kwam snel. In nog geen dertig jaar is de eens zo fraaie moderen betonnen pier verworden tot een roestplek op het Schevenings (en Haags) blazoen. Het ding is inmiddels lelijk – en dus bijzonder pictoresque. Het onderwater wonderland op eiland vier waar je naar nepvissen kon kijken, en de Jules Verne attractie die bepaald minder dan 20.000 mijlen onder zee ging mochten niet baten. Het ding werd een blok aan het been van de diverse eigenaren. Nationale Nederlanden was er een van na Zwolsman. Ze verkochten de Scheveningse tentakel voor 1 gulden aan van der Valk in ’91.

pier (3) pier (2)

Van der Valk investeerde in eerste instantie flink. De pier werd een dubbeldekspier met een overdekte en onoverdekte laag. Ach. Er kwam een casino want gokken op water is blijkbaar anders gokken dan op land. Dat Holland Casino op nog geen 300 meter afstand een veel zichtbaarder en moderner casino had maakt blijkbaar niet uit. Van der Valk deed wat het zo vaak deed, een restaurant bouwen en verder vooral rommelen. De investeringen droogden op. Bungy jumpen trok onvoldoende bezoekers om de exploitatie beter te krijgen en de pijlers waren te zwak voor flinke nieuwbouw. Een hotel op de pier is natuurlijk ook nogal ambitieus. Kortom, de laatste tien jaar is het verval snel gekomen. Het onderhoud werd zo slecht dat de gemeente moest ingrijpen voor de veiligheid van de bezoekers. Delen werden afgesloten. Een brand in van der Valks feestzaal eind 2011 tekenden het doodvonnis, in maart 2012 kondige van der Valk aan te willen verkopen. Verschillende kandidaten kwamen en gingen, zelfs vanuit China. Maar het lukte niet. De gemeente ging de kosten nemen voor de noodreparaties die van der Valk naliet en nu is het dan zo ver. Op het ultimatum van de gemeente Den Haag aan van der Valk om  nu echt wat te gaan doen aan de pier door middel van herinvestering, verbouwing en achterstallig onderhoud besloot van der Valk het restaurant en casino op 1 december van het vorige jaar te sluiten. Het doek voor de pier in zijn huidige vorm was daarmee gevallen. Een laatste potentiële koper liet het afweten en dus is vandaag op 2 januari 2013 het faillisement aangevraagd van De Pier Vastgoed BV.

Op korte termijn zal de pier moeten sluiten. De resterende exploitanten zullen iets anders moeten zoeken en de gemeente zal gaan opdraaien voor de kosten van het onderhoud dat het failliete vastgoed bedrijf uit het van der Valk concern had moeten doen.

Ik vraag me af hoe lang het gaat duren voordat Scheveningen weer een mooie aantrekkelijk pier krijgt. Het wordt waarschijnlijk tijd dat iemand begint aan het schrijven van het ‘Requiem voor de pier’. Hoewel, misschien doet de Haagse politiek haar werk en hersteld ze de gemaakte fouten uit de afgelopen decennia.

© 2013 Alice Anna Verheij

Year’s end and new beginnings.

When I face the desolate impossibility of writing 500 pages, a sick sense of failure falls on me, and I know I can never do it. Then gradually, I write one page and then another. One day’s work is all that I can permit myself to contemplate. John Steinbeck

I was born on a New Year’s Eve. Nepali New Year’s Eve on April 13 to be exact. Not the one we celebrate here. I wasn’t aware of that until last year. Working and living in Nepal made me realize it. Of course it is of no importance besides the fact that I nowadays celebrate the New Year twice a year. Once is my own new year, the other one is everyone else’s new year. And every year I reflect on the past year, look back a year, or two or three, and compare. Compare how my life is compared to the previous New Year’s Eves. I’ve always done that because I solemnly believe that when times are hard it is good to look back and based on the comparison understand where the progress has been. I thrive on progress and change, that’s why I do that. Because I also believe that the year I can no longer define progress in any aspect I will have lost my soul.

Past nine years have brought joy, challenge, pain and sorrow. So, on the one scale is all that defines me now as the person I am and what I think is good. The other scale is loaded with the negative, the disasters, illnesses and headwind. And I do not even try to objectivate the outcome. Because if I do I I can not be sure that the overall balance is positive. I simply don’t know if I’m better off now than a year ago. This year has learned more than any year before that the negative might just as well bring a lot op positive things and the seemingly positive can be a dark thing.

A year ago I was in love, and love was answered. In another place in the world, far away from home I had unexpectedly found a woman who I fell in love with and in spite of a massive ravine between our cultures. I felt my life had changed and I planned to move away from Europe and start another life in Asia. It wasn’t even a dream but it was a reality and steps were made, choise were made and I felt so good. In February the axe fell. Totally unexpected. Cultural differences prooved unbreacheable. I had to let go and to be honest, I had already done so the day I stepped on that damned airplane that flew me back to my European life in January. Sometimes I still feel I shouldn’t have boarded that plane but just stayed. For that new life. For love.

I didn’t stay. I flew back. I lost my love.

It tumbled me over and then it was the April New Year’s Eve and I turned fifty, thinking it didn’t matter to me at all. But it did. A lot, an awful lot. I fell sick and the summer went unnoticed. I did not live.

By fall I started breathing again. I published a novel and a photobook. Photo exhibitions followed and there is still one ongoing until February next year. Four days after my birthday on April 18 I was in bed with a bad flu and I found a painting on the internet. I swept me off my feet. I had to know what that painting was and I started researching. I found out it was made by a nineteenth century painter who lived in Kensington, London. ‘Flaming June‘ made me restart my life. Research learned me that there was a dispute about the model who sat for Frederick Leighton for thet specific painting. That dispute led me to a forgotten woman who died in the 1930’s but who was three decades earlier one of the most beautiful women in England. And gradually a story unfolded which was already there waiting to be revealed. More on that can be read here: www.woordenstorm.nl/lachrymae.

Flaming_June,_by_Fredrick_Lord_Leighton_(1830-1896)

It’s end of December now, tomorrow is the last day of this year. I am working hard on my new novel which has evolved in a trilogy about three women, about emancipation, about relationships, war, poverty, wealth, beauty and decay. And about me. It’s the work I will have to write in the coming year, maybe even years. I already know most of the story but I also know that as always it will grow and evolve in a much more detailed and compelling story. My biggest work ever. And tonight I look back. Back to this crazy year.

My life is in many aspects destroyed in the past decade. My body is defect in a very private aspect and I feel deep sadness about that. It actually is the reason why relationships scare me. I don’t think anyone can help me with that, it is very much my own struggle to get some peace over that. My economics are, well they are virtually non-existent. To Dutch standards I am poor and in debt to a level that I will never overcome, no matter what I do and no matter how hard I work. This was the year that I had to learn the harsh reality of not having the money to lead a normal life. I don’t have my own front door anymore, most of my belongings have gone (which for the most of it I don’t mind at all), I can hardly afford transport to anywhere and my social life is becoming smaller and smaller. There are days I do not have food. But this year also learned me that I have the ability to go on and after a year living way below poverty standards I am still here. The most important thing that happend to me this year is that I relearned to make decisions about my own life again. Because I did.

Which brings me to next year.

January will be very difficult. They’re coming to take some of my things away. I won’t be there myself. Complicated story. Pressure is building on me rapidly and life will certainly not improve in January. But important moves are being made. Finance stuff for instance. In the coming months it will all become more transparant and that will inevitable lead me into some sort of debt reduction scheme or bankruptcy. Life won’t end over that. What will happen is that I’m entering a couple of years of very poor living standards but I have the assurance that they won’t be worse than they are now. And yes, that old divorce thing will be corrected in the coming months and that might very well bring a lot of relief. If only because the negative economic part of that will be lifted and redevided in a manner that is fair and making my life easier. It’s all the direct result of the I choice made this year to start rebuilding my life after a downwards spiral that had caught me in the past nine years.

And then there is art. The other major decision I made is that my life will be about writing my books, making my photos and filmwork and focus on the arts as my line of business and the major driving force in my life. It even tops relationships. I know now I can not make any concessions anymore in regard to the art I make and the reason why I do that. Because writing is for me like breathing. There is no way that I can stop that or want to do so. Which made me to choose a pseudonym for writing my future work. Enter Anna Ros. 2012 has brought me a lot on the artistic plane because I’ve grown and made major steps forward but 2013 is even more promising in that. My work improved and so did my writing. I have become confident in that work. I know my abilities and I know where improvement is needed. And there is a lot out there waiting for me to take on. The trilogy being the most important work but there’s also that other loosely related work which I make with a befriended writer. It will surprise a lot of people and is really exciting to make. And of course the film will get finished in 2013, at last. Not as one major work but as a series of three or four short documentaries, portraits of specific people telling the story of forgotten refugees.

And love? Well, that is something else entirely. I am not chasing it to the intensity that I did in the past years. If it happens, it happens. Which doesn’t mean I am not in love because I think I am. To a certain extend. Maybe 2013 will be a good year for love. I would like that but of course that’s uncertain. What is certain is that it will be a great year for friendships. With the few people out there who really know me.

So, this New Years Eve is a very unclear one. Unclear on how my live will continue in 2013, uncertain about where I’ll live and with who. Uncertain about love. But very certain about what defines me: my writings.

I wish all of you a good 2013. With health and love. Skip the economics and other non important things of life, just go for happiness and health. That should suffice.

Love,
Alice Anna

© 2012 Alice Anna Verheij