NaNoWriMo na één week.

Zo, de eerste week zit er op. De november maand is sinds een paar jaar de vreemdste maand in het jaar voor me. Het is nu de derde keer dat ik mee doe met de jaarlijkse gekte om in één maand een complete roman te schrijven. Nu ben ik hartstikke eigenwijs en trek ik me niks aan van de algemeen geldende regel tijdens NaNoWriMo om vooral te schrijven en je totaal niet druk te maken over de kwaliteit van die ‘roman’. Die aanpak om tot een roman van 50.000 woorden in 30 dagen te komen is mij te gemakkelijk.

Dus, net als vorig jaar, is er sprake van een serieuze plot ontwikkeling, opbouw en uitwerking van de karakters en de nodige research om tot een roman te komen waarvan ik zelf vind dat die door de beugel kan. Het is nu dus één week na de start. Vorige week maandag om 00.00u begon ik en inmiddels heb ik de helft van die 50.000 met mezelf verbijsterend op papier gekregen. Een productie van gemiddeld veertien pagina’s per dag is dermate veel dat er wel iets bijzonders aan de hand moet zijn dit keer en dat is ook zo. De reden van de hoge productie heeft vooral te maken met een plot dat zich tijdens het schrijven ontwikkeld en dat mezelf nieuwsgierig maakt naar de afloop.

Dat zit zo, ik ben zoals altijd als ik begin met het schrijven van een boek, begonnen met een simpel niet uitgewerkt stukje van een verhaallijn. Daarbij komen dan personages, een protagonist en antagonisten en maak ik een eerste incident zodat er een spanningsboog ontstaat. Dan ga ik schrijven en als ik dan geluk heb dan gaan de personages leven voor me. Ik zie ze terug in mijn dagelijkse leven en op straat of in de tram of trein, bij de Turkse bakker of in de kroeg. Net zoals in het normale leven gaan ze hun eigen gang. Ze ontwikkelen zichzelf gedurende het verhaal en na een tijdje sturen ze het verhaal de kant op waar het blijkbaar naar toe moet gaan. Het enige dat ik doe is het verhaal schetsen.

Niet duidelijk? Nou goed dan, hier is een korte synopsis van het verhaal in twee stappen. De eerste stap is waarmee ik begon vorige week maandag en de tweede stap is waar ik nu na een week schrijven ben aangekomen.

Het verhaal begon allemaal met de maandelijkse koffiemiddag in Den Engel. Tweede woensdag van de maand, vaste prik, ruim tien jaar lang al. Kat, Beth en Jolanda hebben in al die jaren nooit één van die middagen over geslagen. Natuurlijk niet want hun ontmoetingen vinden alleen op die middagen plaats en daarbuiten, zo is de afspraak, ontmoeten ze elkaar nooit. Hun levens, werk, liefdes, vakanties en andere reizen, hebben ze altijd zo ingericht dat die voor hun heilige middagen niet verstoord worden. De drie zijn hartsvriendinnen geworden in die inmiddels dus bijna elf jaar. Kat, de hoofdpersoon is een schrijfster die zich door het leven worstelt. Ze woont in de straat waar ik woon, heeft de fiets die ik ook heb en haar kat lijkt ontzettend op die van mij. Net als de inrichting van haar huis. Zelfs haar liefdes vertonen de nodige overeenkomsten met die van mij. Beth is een muzikaal type. Zangeres en vooral harpiste maar daarnaast ook fotografe want van de muziek alleen kan ze niet leven. Ze schuimt met haar camera de stad af en de festiviteiten in de stad. Een soort ‘urban photografer’, te vergelijken met Schlijper in Amsterdam. Ze is de jongste van de drie vrouwen en studeerde nog toen de koffiemiddagen in december 1999 van start gingen. En dan is er Jolanda, de lange mooie en o zo stijlvolle en getalenteerde beeldend kunstenares. Soms met een wat kort lontje. Ze kan haar eigen kleding en schoenen maken, als ze daar zin in heeft. Maakt geweldige schilderijen en opstellingen en cirkelt in de Amsterdamse kunstkringen. Ze woont ergens in de Pijp in Amsterdam en is net wat jonger dan Kat. De koffiemiddagen vinden altijd plaats in Den Engel in Den Haag. Aan de Willem de Zwijgerlaan tegenover de boekhandel. Een zaak die al bijna dertig jaar bestaat en zich kenmerkt door rust en gezelligheid. De vrouwen zijn van Den Engel gaan houden en van Leo die er de scepter zwaait. O ja, Kat is natuurlijk lesbisch in tegenstelling tot haar vriendinnen. En dan op een koffiemiddag eind oktober 2010 komt Beth niet opdagen…

Ziedaar, korte verhaallijn, setting, personages en het begin van ‘Eén latte, een cappu en een espresso.’ Het is nu één week later en wat is er allemaal gebeurt?

De dames bevinden zich inmiddels in Patan, de zusterstad van Kathmanda op de zuidoever van de rivier die de twee steden scheidt. Samen met de buurman van Beth zijn ze na een poging tot brandstichting in het verlaten huis van Beth, de ontdekking van compromitterende foto’s aldaar, een poging tot inbraak bij Kat en een stel mysterieuze briefjes en mailtjes van Beth afgereisd naar Nepal. Op instructie, want een verzoek was het nu niet bepaald, van Beth. Al snel blijkt dat Beth per toeval betrokken is geraakt bij een bende vrouwenhandelaren met vertakkingen in Nederland en Nepal. Eenmaal in Nepal komen Kat en Jolanda er achter dat ze er ingeluisd zijn door Chaim, de zo ‘behulpzame’ buurman van Beth. Ze weten met de hulp van Beth en haar vrienden te ontkomen aan Chaim en zijn kompanen. Dan begint een kat en muis spel.

Het verhaal is nu, zo schat ik in, tot op een derde gevorderd en zal zo’n driehonderd pagina’s gaan beslaan. Zowel personages als locaties bestaan ook buiten het boek. De personages als mengproducten van bekenden en de locaties precies zoals ze beschreven worden. Het manuscript, en dat was niet gepland, ontwikkeld zich tot een thriller waarbij de vrouwenhandel in Nepal aan de orde komt. In Nepal worden er circa 7000 jonge meisjes en weduwen jaarlijks het land uit gesmokkeld naar de bordelen in Dehli en andere plaatsen in India. Naar schatting heeft die trafficking inmiddels ruim 120.000 slachtoffers getroffen. Het is een enorm maatschappelijk probleem dat in stand gehouden wordt door bijgeloof onder de bevolking (weduwen zijn in de ogen van veel mensen vervloekt) en armoede (een meisje laten trouwen kost de ouders veel geld en dat is er vaak niet).
Waar ik volgende week zal zijn met het verhaal weet ik nog niet. In ieder geval verwacht ik dat de vrouwen, mits ze het overleven, niet meer in Nepal zijn. Maar wie weet wat er de komende week echt gebeurt met ze? Ik laat me verrassen door de drie.

‘Eén latte, een cappu en een espresso’ wordt na voltooiing in boekvorm uitgegeven als paperback. Het manuscript wordt al tijdens de creatie gecorrigeerd en vormgegeven waardoor het naar verwachting vrij snel na voltooiing drukklaar zal zijn. Hoe en waar het boek te verkrijgen zal zijn wordt hier natuurlijk gemeld. Interesse in een exemplaar? Mail me gerust.

Heb ik nog een sociaal leven op dit moment vraagt U zich misschien af? Vraag me dat dan over een paar weken maar, ik moet nu verder schrijven…

Advertenties

Cortado

Een al ouder verhaal bewerkt en verbeterd.

Een cortado (van het Spaanse cortar, bekend als ‘Tallat’ in het Catalaans en ‘Pingo’ of ‘Garoto’ in het Portugees) is een espresso ‘versneden’ met een klein beetje warme melk om de zuurgraad te verminderen. De verhouding melk:koffie ligt tussen 1:1 tot 1:2 en de melk wordt toegevoegd als de espresso is geschonken. De gestoomde melk heeft niet veel schuim maar veel baristas maken een beetje micro schuim om latte art te maken. Een cortado wordt vaak geserveerd in een speciaal glas met een metalen ring als basis en een metalen handvat.

Plotseling schrok ik wakker. Ik was even weggeweest, tenminste mijn gedachten waren dat. Op het perron voelde ik de wind langs mijn haren suizen, snel gevolgd door een gerommel op afstand dat steeds dichterbij kwam. Luttele seconden later stopte de metro met al zijn lawaai voor me. De deuren schoven open met het bekend klink-schuif-bonk geluid dat alle metro’s in de wereldsteden met elkaar gemeen lijken te hebben. Als een soort overkokende pan liep de trein leeg. De mensen waren zonder uitzondering gehaast en gericht op het eind van het perron. Alsof ze vluchtten voor een onzichtbaar gevaar liepen ze in een moordend tempo naar de tunnels die uiteindelijk vanuit deze spaanse molshoop naar de open lucht zouden leiden. Ik keek het schouwspel met verwondering aan toen ik me realiseerde dat ik in moest stappen. Net op tijd sprong ik de wagon in want ik was amper binnen of met weer een klik-schuif-bonk knalden de deuren achter me dicht. De trein kwam direct in beweging en versnelde. Vijf haltes later zou ik op de Paseo de Gracia zijn.

De rit duurde verbazend kort. Iets wat me in metro’s altijd overkomt. Je denk dat je wel de tijd hebt maar voor je het weet ben je bij je bestemming. Onder de grond gaat reizen meestal in de rechte lijnen die boven de grond niet meer mogelijk zijn. Tijdens de rit zat ik in de hoek van de wagon naast de ingang op de lange bank met mijn rug naar het raam. Zoals meestal de andere passagiers observerend. Ik speelde weer mijn namen spelletje. Voor iedereen bedacht ik een naam die moest kloppen bij de kleding en het veronderstelde beroep van die persoon en toen zag ik haar. Aan de andere kant van de wagon. Ze was een jonge vrouw. Ongeveer even lang als ik maar met ravenzwart haar, donkere wenkbrauwen en vreemd groene ogen. Ze staarde voor zich uit, uitdrukkingsloos. Er was iets met haar, ik voelde triestheid. De ogen waren helder maar toch omfloerst alsof er een mist omheen hing. Ik besloot niet uit te stappen op mijn beoogde bestemming maar haar te volgen. Mijn nieuwsgierigheid maakte dat ik wilde weten wie ze was en vooral waarom ik die triestheid voelde.

Bij Grácia stond ze op en liep naar de deuren. Ik ook. Ze was fijn gebouwd. Slank onder haar halflange jas. Netjes gekleed, dure jeans, gympen. Het haar in een staartje. De wenkbrauwen zorgvuldig geëpileerd en nauwelijks enige make up. Dat had ze ook overduidelijk niet nodig want ze was van nature mooi zoals veel Spaanse vrouwen. Eenmaal uit de trein volgde ik haar op afstand in de hoop haar niet uit het oog te verliezen. Omdat ze blijkbaar niet zoveel haast had ging me dat gemakkelijk af. Bij de hekjes was ik tot vlak achter haar gekomen en haar ogen kruisten die van mij toen ze door het klaphekje ging maar haar blik bleef niet op mij rusten en oogcontact kwam niet tot stand. Ze liep door de trap op waarna ze boven aan de trap op de grens met het gebeeldhouwde plaveisel van de straat even bleef staan. Het hoofd licht omhoog gekanteld leek het alsof ze de lucht opsnoof. Ik verminderde mijn tempo en keek naar de art nouveau patronen in de straatstenen boven. Ze keek schielijk schuin naar links waar een prachtig Art Nouveau pand op de hoek was maar liep toen langzaam rechtuit in de richting van Casa Batlló, het surrealistische woonhuis van de gelijknamige familie dat door Gaudi eerder gebeeldhouwd dan gebouwd was. De balkons die als monsterlijke onderkaken de gevel uitpuilden lieten ramen er boven zien die als grote monden de bedoeling leken te hebben de wereld op te eten.

De vrouw sloot in de korte rij bij de kassa aan om naar binnen te gaan. Ik deed hetzelfde. Vijf minuten later stonden we in de lobby van het huis bij de kaartcontrole te kijken naar de waanzinnige schepping van de wellicht waanzinnige Spaanse architect. Ze bleef niet staan en nam geen audiotour maar liep rustig en beslist het huis in. Geen kamer bekeek ze, geen moment bleef ze staan. Doelgericht liep ze de trap op en het kostte me moeite om niet op te vallen toen ik achter haar aan liep. Op de eerste etage schoot ze het smalle gangetje door en liep naar de achterkant van het huis. De terraskamer had twee pilaren dicht bij elkaar staan vóór de terrasdeur. Eigenlijk staan ze een beetje in de weg maar hebben wel het effect dat het is alsof je door een soort poort moest gaan om op het terras uit te komen. Het terras had daarom iets mystieks gekregen. Alsof het een heilige plaats was waar je eigenlijk niet zomaar ongvraagd mag zijn.

De vrouw liep ineens langzaam in gedachten verzonken, alsof ze mediteerde. Zonder op te kijken liep ze tussen de twee zuilen door. Bleef op de drempel staan, keek omhoog en sloot de ogen eventjes. Toen kantelde ze haar hoofd langzaam weer naar voren en strak kijkend liep ze in een rechte lijn de terrasdeur door het licht in. In een schuine lijn liep ze over de tegeltjes naar de andere kant van het terras waar een ijzeren hekwerk staat dat sierlijk is gesmeed.

Bij het gietijzeren hek op de hoek bleef ze staan. Ze boog haar hoofd en huilde. Zachtjes zodat de omstanders het niet opviel. In haar hand had ze een stapeltje foto’s dat ze tussen het raster van het hek propte. Nog even bleef ze staan voordat ze zich omdraaide om langzaam terug te lopen naar de donkere terraskamer. Zonder me op te merken passeerde ze me op nog geen meter. Het verdriet sprak uit haar ogen maar het was stil verdriet. Alsof er iets was afgesloten. Ik schaamde me dat ik haar zo bespiedde maar het beeld van de vrouw dwong me haar niet los te laten. Op een eerbiedige afstand volgde ik haar de kamer weer in, de gangen van het huis door, via het trappenhuis naar de kamer met de plafondbogen. Ze bleef er even op een bankje zitten en ik besloot naar haar te gaan zitten. Stilletjes zaten we een tijdje tot ze me aankeek.

‘Why do you follow me?’
Ik voelde me betrapt en tegelijk had ze het me op een zo vriendelijke manier gevraagd dat ik niet anders dan eerlijk kon zijn.
‘Because you make me wonder. I sense sadness. I’m so sorry, I don’t want to intrude or make you feel uncomfortable.’
‘I don’t mind, it’s been a strange day all along. Would you like to drink a cortado with me? I can use some company now. Since you’ve been following me a while I suppose you owe me that.’

De kracht van deze vrouw overviel me en ik bevestigde dat ik mee zou gaan. Ze intrigeerde me en haar gezelschap was niet onaangenaam. Ik voelde me wel schuldig dat ik me zo in haar leven ingedrongen had maar ze liet het blijkbaar toe en was er niet boos door.

Een kwartier later zaten we op de Paseo bij Tapelia achter een cortado. We zwegen een tijdje. Ik durfde niet als eerste wat te zeggen.
‘I had to do this you know.’
‘I don’t understand. Do what?’
‘Destroy them. The pictures. They hurt.’
‘How come?’
vroeg ik.
‘Past time, past life, past pain.’
‘I don’t understand.’
‘You’re not supposed to my dear. You’re not supposed to.’
‘I’m sorry, I don’t want to…’
‘Don’t be sorry. You’re ok. Thank you for the cortado.’

Ze glimlachte naar me, stond op en kuste me op het voorhoofd.
‘Thank you.’
Ze pakte haar jas en liep het restaurant uit, de hoek om. Het leven in, mij achterlatend.

Alice © 2010

De eenwording

Vandaag vind ik het tijd voor een kort verhaal. Deels feit, deels fictie. Welk deel echt is mag je zelf bepalen…

‘De eenwording’

Het zal ergens in het begin van de zomer zijn geweest. Na alles wat er gebeurt was kon ze eindelijk op retraite gaan naar een klein huisje in een klein dorpje in een klein landje. De autorit naar Luxemburg was snel voorbij, tenminste zo voelde het. Het dorp was snel gevonden. Een opgepoetst dorpje in een opgepoetst land. Eigenlijk leek het dorp een decor in plaats van een realiteit, alles was te netjes, te aangeveegd. Clean and spotless als in een oude Spic & Span reclame. De straten waren overdag uitgestorven omdat de mannen meest buiten het dorp werkten en de vrouwen de te grote huizen verzorgden of naar de enige supermarkt waren voor de boodschappen. De school, er was er maar één, was dicht. Het was Zaterdag.

Er was veel gebeurt in het laatste jaar, nog meer dan in de voorgaande jaren. Veel om over na te denken. Teveel. Natuurlijk had ze verdriet om wat er gebeurt was, diep verdriet. Onpeilbaar verdriet. Ze moest moeite doen om zichzelf in de hand te houden, om op de been te blijven. Er was teveel verleden, een verwarrend heden een nog geen toekomst. Liefdes waren gekomen en gegaan. Langzaam maar zeker had ze zich verloren in een leven dat niet bij haar paste. Maar dat was nu voorbij. Alles was voorbij. Na al die jaren was er niet veel meer om te willen behouden en nog minder om naar uit te kijken. Toch was niet alles grimmig en donker om haar heen. Na de verliezen waren er nieuwe vriendschappen ontstaan. Ze was zich met andere zaken bezig gaan houden op een manier die nieuw voor haar was. Ze schreef, soms schilderde ze, soms maakte ze muziek en als ze alleen was zong ze veel. Nooit als er anderen bij waren. En ze verlangde naar een nieuwe kans, nieuwe mogelijkheden en vooral troost. Zichzelf troosten kon ze niet want daar was een ander voor nodig, ze had het nooit geleerd om zichzelf te troosten.

Ze was vroeg in slaap gevallen na een gesprek met de eigenaresse van het kleine hotel. Er waren vijf slaapkamers voor verhuur en buiten haarzelf was er op dit moment niemand in het hotel. Het dorp was ook geen toeristisch oort maar een ingeslapen dorpje op het hoogland. Toeristen hielden zich op in de dalen bij de riviertjes, niet ‘boven’ tussen de graslanden en graanvelden. Zoals altijd was de nacht onrustig. De geuren in de kamer waren onbekend maar weldadig. Een lichte kamferlucht hing er die vermengd was met de zoete geur van verse bloeiende lavendel. En er waren geluiden in het gebouw. Ze was altijd gevoelig voor geluiden in de nacht. Maar dat was niet het enige. Het zal rond vier uur in de nacht geweest zijn toen ze wakker werd. Ze voelde een zachte streling over haar lichaam gaan alsof iemand haar kietelde met een veer. Het begon langzaam en nog voor haar hersens reageerden kwam het antwoord van haar lichaam. In haar slaap draaide ze zich op haar rug en haar ene hand legde ze onder haar borst, zoals zo vaak. De andere hand wuifde de streling weg. Maar het hield aan en toen er een licht langs het raam schoof werd ze langzaam wakker. Ze opende nog half slapend haar ogen die door het licht geplaagd waren. Het kleine raam stond een beetje open. Op zich was dat vreemd want ze had het de avond er voor gesloten tegen de muggen uit de beek naast het hotel. Maar dat herinnerde ze zich niet. Weer schoof er een licht als een sluier langs het raam en toen ze iets beter keek zag ze dat er een lichtende sluier uit haar kamer door de raamopening naar buiten woei. Als een voile gordijn.

Ze stond snel naast haar bed op de krakende vloer. Er lag geen kleed, wel glas en toen ze naar het raam stapte trapte ze in een scherf. De pijn schoot in haar voetzool en ze bloedde op de kale houten vloer. Ze keek verstoort omlaag. Een kale houten vloer? Maar waar was het kleed dan? Het licht bij het raam was verdwenen en dus kon ze niets onderscheiden in de kamer. Ze knipperde met haar ogen en zocht de lichtknop. Die niet op de plaats zat waar ze hem verwachtte. De plek naast de deur was leeg. Het enige dat ze op de tast voelde was een muur met rafelig behang en kalkgruis. Ze liep voorzichtig door de kamer naar het bed en merkte dat er op meer plaatsen kapot glas lag. Het bed was wel gewoon opgemaakt en haar lakens lagen nog net zo opengeslagen als toen ze daarnet opstond. Het kastje naast haar bed zag er in de schemering normaal uit alleen stond het nachtlampje er niet. Er lagen kaarsen en een klein doosje. Het bleken lucifers te zijn en op de grond stond een blaker. Snel pakte ze een kaars en stak die in de voet van de kandelaar. Even later was er licht.Ze keek nog eens om zich heen en ze herkende de kamer. Deels. Voor een deel leek het op de hotelkamer waar ze was gaan slapen maar voor een ander deel stonden er dingen in de kamer die jaren geleden van haar waren geweest. Een rieten stoeltje met haar pop Marlies, een rijtje Dinky Toys en een stapeltje stripboeken op de grond aan de andere kant van het bed. De resten van het behang leken sprekend op het behang van haar tienerkamer. Ze was verward.

P6300375

Het duurde lang voordat ze de hele kamer in zich had opgenomen. De klok in de kamer boven de deur stond stil. Het was nog steeds vijf voor vier. Er ontbrak een gordijn voor het raam en de vitrage woei zachtjes naar buiten. De kamer was warm bij het raam en koud bij de deur in de tegenoverliggende muur. Wat angstig bleef ze kijken. Waar was ze nu? Droomde ze? Ze was toch gewoon in het hotelletje in de kamer op de eerste etage naar bed gegaan? Hoe kwam ze dan hier terecht? Op de deur hing een vel papier en toen ze goed keek was het een instructie in het Duits en Frans opgesteld die uitleg gaf over wat te doen bij brand. Achter in de kamer op de grond stond een zwarte telefoon van bakeliet. Eind jaren zestig of zo. De hele kamer zag er uit alsof het in de jaren zestig was ingericht. Ze schoot een slipje en een bh aan en pakte haar wikkeljurk uit de koffer. Gewoon haar eigen koffer uit tweeduizendnegen. Snel deed ze haar schoenen aan en merkte op dat ze niet bang was. Wel nieuwsgierig. Buiten werd het langzaam licht en ze liep naar de deur. Met de hand op de deurkruk keek ze nog even de kamer rond. Het zag er uit alsof die al zeker twintig jaar verlaten was. De aanwezigheid van haar spulletjes uit haar jeugd deden vreemd aan. Net als de resten van het zeventiger jaren behang. Oranje en bruin in grote geometrische patronen. Ze draaide de knop om en deed de deur open.

Op haar hoede keek ze de gang in. Het was er een ravage. Overal lag kapotte vloerbedekking en gebroken glas. Boven de deuren stonden kamernummers dus ze was beslist in een hotel. Maar dan wel een dat al lang verlaten en vervallen was. En achter in de gang speelde licht over de muur. De lampen voor zover die niet kapot waren geslagen deden het niet. Geen elektriciteit. Ze liep de gang in. De lift werkte natuurlijk ook niet en dus zocht ze het trappenhuis. Na wat dwalen vond ze het dat. De muren waren afgebladderd.

P6290308

Langzaam liep ze de trap af en kwam op eenzelfde etage. Ze was nog niet beneden dus blijkbaar lag haar kamer op de tweede en niet op de eerste. Ze liep de lange gang door tot aan het eind. Links en rechts waren kamers die zonder uitzondering een ravage waren. De meeste meubels waren weg en overal lag glas. Op sommige kamers was het sanitair kapot geslagen, op andere niet. Aan het eind van de gang was een houten deur met ruiten. De meeste kapot. Ze opende de deur en liep de trap af naar beneden. Toen ze naar de deur omkeek dacht ze een gestalte te zien maar al snel schreef ze dat toe aan haar verbeelding. Ze voelde zich duizelig.

P6290304b

Waar ieder ander zich onprettig zou hebben gevoeld of zelfs angstig voelde zij zich licht in het hoofd en nieuwsgierig. Niet bang, integendeel want ze kende deze plaats. Ze was er weliswaar nooit geweest maar ze wist feilloos de weg in het grote gebouw. Ze wist van tevoren dat als ze op de begane grond rechtsaf zou gaan er een deur zou zijn die met een wild patroon behangen was en zodra ze de lange gang beneden in liep ze bij de keuken zou uitkomen. En in die keuken zou een oud fornuis staan. Gietijzer met witte deurtjes. Ze begreep er niks van en bedacht ze dat ze in een soort deja vú terechtgekomen moest zijn. Alles voelde vertrouwd en toch was alles kapot en onwerkelijk. Zoals zij zich zelf vertrouwd voelde maar toch ook kapot was. In zekere zin ben ik net als deze plaats bedacht ze zich. Ze deed wat haar gedachten haar ingaven en via de keuken kwam ze in de feestzaal. Via de feestzaal in de ontvangsthal bij de balie en via een kleine ruimte achter de balie in het kantoor. Daar waar het hele hotel in puin lag was het kantoor nog in redelijke staat. Betimmering langs de muren, een bureau, stoel, grote tafel en overal papieren. Ze ging aan het bureau zitten en begon automatisch de papieren door te bladeren. Het waren bouwtekeningen, plannen, kaarten met vloerbedekking stalen en allerlei andere documenten. Het zag er uit alsof iemand hier gewerkt had en overhaast vertrokken was. Op de grote tafel stond zelfs een deel van een maquette. Overduidelijk een groot en fraai hotel gebaseerd op de ruïne waar ze zich in bevond. In de bureaulade lag en gesloten envelop. Een brief.

P6290320

Op de envelop stond haar naam met een poststempel van dertien april negentieneenzeventig. Dat kan niet bedacht ze zich. In die tijd heette ik anders, dit kan niet voor mij bedoeld zijn. Toch opende ze de envelop en begon te lezen. De brief was in een sierlijk en regelmatig handschrift geschreven. Ze las hem maar begreep hem niet. Er stonden flarden van zinnen in die een vreemd verhaal onthulden. De brief was wel degelijk voor haar bedoeld en geschreven door een oudtante. Blijkbaar was die de eigenaresse geweest van het hotel maar had geen erfgenaam. In de brief stonden instructies aan haar achternichtje. Het ging over geld, over een hotel met allure dat teloor was gegaan. Over een vrouw die wist wat er met haar nichtje ging gebeuren. Die wist dat tientallen jaren later datzelfde nichtje hier zou komen om de brief te lezen. Een nichtje op zoek naar een nieuw leven, een nieuwe toekomst. Een nichtje dat als een reïncarnatie van haarzelf het hotel zou doen herleven tot een stralende plek. Stijlvol, klassiek ingericht. Een plaats waar beroemdheden wilden komen, waar altijd muziek zou worden gemaakt. Een plaats waar kunstenaars zouden komen om in het park achter het hotel te schrijven, schilderen en componeren. Als haar nichtje tenminste in staat zou zijn eindelijk te geloven in dat wat haar beschermde. De brief sloot af met de opdracht om nog één nacht in het hotel te blijven slapen en zich niet verzetten tegen wat er in die nacht zou gebeuren. Het was een brief die meer vragen opriep dan antwoorden gaf.

P6290330

Lange tijd staarde ze uit het raam naar de veranda waar de druivenranken bezit hadden genomen van de open ruimte en kleine druiventrossen vroegen om groter te mogen groeien om daarna geplukt te worden.
‘Wat denk je er van? Ga je het doen?’
Ze schrok op. In de donkere deuropening stond een figuur. Een mooie vrouw gekleed in het blauw met wit. Het bleke gezicht straalde rust uit en de ogen waren doordringend. Een witte waas achter haar rug.
‘Wat? Wie ben je? Ik eh… wat doe je hier? Waarom ben ik hier? Wat is dit allemaal?
‘Je verleden, je heden en je toekomst. Wees gerust, ik ben hier om er voor te zorgen dat gebeurt wat moet gebeuren.’
‘Ik begrijp het niet. Wat bedoel je? Wie ben je?’
‘Lees de brief en doe wat je gevraagd word. Alles zal morgen duidelijk zijn.’
Ze keek naar de envelop en wilde opstaan maar toen ze opkeek was de vrouw verdwenen. Ze rende naar de deur maar er was niemand. De enige voetsporen in het stof op de grond waren de hare. Plotseling voelde ze zich ontzettend moe. Het schemerde buiten en volgens de klok in de hoek was het kwart over negen. Avond? Nu al? Wat gebeurde hier allemaal? De plek kwam ineens vijandig op haar over en snel liep de ze kamer uit, langs de balie de lange gang achter de feestzaal in. Rennend ging ze de trap op naar de tweede etage. Ze gooide de deur open en vluchtte naar haar kamer. In paniek ging ze de kamer in, sloot de kamerdeur en bleef er met haar rug tegen aan staan. De ogen gesloten. Toen ze haar ogen open deed was ze in de hotelkamer waar ze de dag er voor ingetrokken was. Kleed op de vloer, vaasje met lavendel op het nachtkastje. Haar koffer stond ongeopend op haar bed. Er was niets oud, haar kinderspullen waren er niet meer en het behang was gloednieuw. De ramen waren gesloten en de wekkerradio vertelde haar dat het half zeven was. Ze ging naar het bed toe en zette zich op de rand.

Een snelle klop op de deur liet weten dat er iemand was. Ze schrok weer.
‘Madame? Madame?’
Het was de dame van het hotel.
Snel opende ze de deur en keek de oude vrouw vragend aan.
‘Bon soir madame. La chambre? Acceptez vous la chambre pour une autre nuit?’
‘Eh… oui, oui madame. Merci.’
‘Ah merci. Bon nuit madame.’
De oude dame trok zich terug en sloot de deur.
Ze ging op bed liggen. Moe en verward.
Even later viel ze in slaap.

Een warme streling wekte haar. Net als de vorige nacht? Had ze alles gedroomd? Langzaam opende ze haar ogen en draaide zich op haar zij. Een licht schijnsel in de hoek van de kamer trok haar aandacht en ineens was ze klaar wakker. Snel keek ze om zich heen en zag dat ze weer in die vreemde kamer van de vorige nacht was. Op het stoeltje in de hoek stond Marlies haar pop. In de andere hoek op de stoel zat dezelfde jonge vrouw die ze in de deuropening van het kantoor had gezien. Ze was mooi met lang golvend haar, donkere ogen en een doordringende blik. Een perfect symmetrisch gezicht. Ze kwam haar bekend voor maar niet van de vorige dag.
‘Wie ben je? Wat wil je van me?’
‘Je weet wie ik ben al herken je me niet. Je kent me. Wat ik wil weet je, je hebt het zelf gelezen. Je hebt een opdracht.’
‘Ja ja maar ik geloof hier allemaal niet in. Wat spoken jullie met me uit?’
‘Ik ben je verleden. Ik ben je heden en ik ben je toekomst net zoals jij mijn toekomst bent. Tenminste, als je je opdracht aanneemt en mij aanvaardt.’
‘Ik begrijp niet…’
‘Dat komt vanzelf. Probeer niet te begrijpen. Wij moeten één worden. We zijn te lang van elkaar verwijderd gebleven.’
‘Maar wie ben je dan verdomme?’
‘Je weet wie ik ben. Kijk in je spiegel en herken jezelf. Ik ben jou. Jij was mij tot ik weg moest. Tot ik alles moest loslaten wat ik opgebouwd had. Dat alles is nu van jou. Maar alleen als je mij aanvaardt. Als je je verleden accepteert.’
‘Ja. Ik ben je vorige leven. Jij bent mijn volgende leven. Daarom moeten we één worden… Ik ben nu een engel maar mag dat niet lang meer zijn nu jij er bent.’
‘Waar heb je het allemaal over?’
‘Luister, ik zal het je uitleggen. Ieder mens leeft meerdere levens. Als een leven voorbij is komt er een volgend. De meeste mensen ervaren niet dat er een eerder leven geweest is. Ze geloven er niet in en daarom ervaren ze de werkelijkheid niet. Na een leven wordt een mens een engel totdat het nieuwe leven daar is. Totdat de ontvanger er is die dat nieuwe leven oppakt. Slecht een enkeling treft het geluk dat de ontvanger voort kan zetten wat je tijdens je leven opbouwt. Meestal wordt er in de tijd tussen een levenseinde en een nieuw leven door een tussengeneratie teniet gedaan wat je opgebouwd hebt. Net zoals je hier om je heen gezien hebt. Ik was je oudtante en ik ben jou. Jij bent je oudtante in een nieuw leven, je bent mij. Als je mij aanvaardt. Als je mij gelooft, als je in jezelf gelooft. Ik heb je gisteren laten zien hoe het hotel er bij ligt. Als je me niet gelooft ga ik weg. Verlaat je je kamer dan ben je weer in je leven zoals je het kent, maar een toekomst heb je niet. Geloof je me en worden we één dan verlaat je in de morgen je kamer als de matrone van dit hotel. Je zult veel werk hebben om het weer tot bloei te brengen maar je kunt het. Je zult weer een toekomst hebben en ik mijn rust.’

P6290292

Verbijsterd had ze geluisterd en hoe sterk ook haar gedachten haar duidelijk maakten dat dit allemaal niet echt gebeurde, dat ze droomde of gek was geworden, niets kon voorkomen dat ze wist dat het verhaal van de vrouw klopte. Dat ze in de ogen van haar oudtante keek. Haar stem hoorde. Dat het waar was. Dat ze in haar eigen gezicht keek. Dat zij die vrouw moest worden of eigenlijk al was. Toen werd het haar teveel en huilde ze. Door haar tranen heen keek ze de vrouw aan die zich losmaakte uit haar stoel en op haar afliep. Naast haar op bed kwam zitten en een arm om haar schouder legde.
‘Huil maar kleintje. Het is teveel voor je geweest, ik weet het maar ik kon niets voor je doen. Ik mocht niet ingrijpen. Zo is de wet. Maar nu je mij zelf gevonden hebt heb je ook je bestemming gevonden.’
Warmte stroomde langs haar rug en ze voelde een omhelzing om haar hele lichaam. Een vleugel die zich om haar drapeerde om haar af te schermen van alle ellende van haar eigen verdriet. Ze legde haar hoofd tegen het hoofd van de engel en de andere vleugel vouwde zich om haar heen tot ze verdween. Een lichte rilling trok door haar lichaam. Ze gaf zich over en werd één met de engel.

ballroom_banquet_setup

De telefoon rinkelde.
Ah, de wekdienst. Vandaag zouden de eerste kamers verhuurd worden. Maanden hadden ze gebouwd aan het hotel. Het was een ravage geweest maar het gebouw had een grandeur van zichzelf. Veel van de oude zaken in het gebouw waren nog bruikbaar gebleken. Nog meer moest er gesloopt worden. Het legaat van haar tante was precies genoeg gebleken om een vorstelijke inrichting te maken. Ze had gekozen om het hele hotel in een zestiger jaren stijl te restaureren en inrichten.  Het was prachtig geworden en al snel hadden verschillende glossies en modebladen interesse getoond voor dat bijzondere hotel dat in dat kleine dorpje in Luxemburg werd gebouwd op minder dan een uur afstand van Luxemburg stad. Vandaag was de grote dag, de eerste gasten zouden komen.
Snel kleedde ze zich in een bevallige jurk en ze straalde. Die ochtend was er voor het eerst in ruim dertig jaar weer leven in het hotel. Live muziek. Overdag speelde een paar jonge muzikanten in de grote lounge. Die avond zou het eerst huisconcert worden gegeven. Naast de eetzaal was een balzaal gemaakt zodat het mogelijk werd om de beroemde diner-dansants te laten herleven waarmee tante het hotel beroemd had gemaakt. Het werd een drukke dag. Ze verliet haar kamer en liep naar de het lichte trappenhuis om zich naar haar kantoor te begeven. Maar eerst nog een snelle ronde langs de keukens om te zien hoe de voorbereidingen voor de opening verliepen.

Beneden in de hal keek ze omhoog naar de wand in het trappenhuis. Naar het schilderij van haar oudtante waar je, als je goed keek, de vleugels van een engel achter haar gevouwen zag.

En ze glimlachte.

Alice © 2009

Reincarnation Bank

rb

De reincarnation bank. Wàt een geweldig instituut is dat. Ik zou het zelf bedacht kunnen hebben. Sinds een tijdje is via internet (tsja waar anders) de ‘Reincarnation Bank’ te vinden. Ingeschreven in, jawel hoe is het mogelijk, Gibraltar. Derde rots links, grot drie. De RB geeft je de mogelijkheid om in dit leven je geld of goederen in bewaring te geven bij de bank. In een volgend leven kan je dan – met rente – een en ander weer ‘opnemen’.

Het is een prachtig idee. Bijna net zo goed als de japanse porcelijnen doosjes waar je wensen in kunt bewaren tot ze uitkomen. Want wie wil er nu niet in een volgend leven kunnen genieten van de verworvenheden van het vorige leven.  Je moet dan wel in ieder geval twintig jaar in dat nieuwe leven gevorderd zijn èn een serie vragen kunnen beantwoorden die in het vorige leven met de juiste antwoorden gedeponeerd zijn. Dat in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de bank en ter beoordeling van die vertegenwoordiger. Geweldig betrouwbaar dus.

Maar goed, een beetje boeddhist zou dit kunnen aanspreken. Probleem is wel dat de meeste boeddhisten zich van materiële zaken onthechten dus of die nu zoveel in bewaring te geven hebben is de vraag. Toch de Dalai Lama maar eens even bellen hoe dat dan weer zit. De website is briljant van eenvoud. Er is een pagina met terms en conditions die te mooi is om hier te verraden. Ga maar eens kijken en genieten. Het mooiste van de site vindt ik de ‘withdrawel’ menu keuze. Die doet het logischerwijs niet want wie er op klikt leeft nog en is in ieder geval nooit twintig jaar in een volgend leven gevorderd. De knop zal het dus nog jaren niet doen.

Toch voorzie ik wel enkele probleempjes. Punt is namenlijk dat ik vast van plan ben om net als in het verleden te reïncarneren maar dan niet als mens. Dat is me immers na al die levens danig gaan vervelen. Ik kom terug als sierlijke poes, past me beter vindt ik en de zo slecht is dat kattenvoer tegenwoordig ook niet meer. Maar hoe kan ik nu vragen ter beantwoording bij de bank deponeren in ‘het kats’? De vragen weet ik wel en de antwoorden ook maar is er na mijn verscheiden en wonderlijke nieuwe incarnatie wel een bankemployee te vinden die kats verstaat? Ik denk eigenlijk van niet tenzij ook de mensen van de RB als kat gereïncarneerd zijn.

Komt nog bij dat ik als poes niet de behoefte heb aan een oude Peugeot 404GL en polkadotjurken met petticoats en pumps. De muziek van Katie Melua mag dan wel kattengejank zijn maar afmetend aan mijn eigen huispoes is dat voor een poes nu ook niet iets om naar uit te zien. Vrienden en vooral vriendinnen heb ik alleen wat aan als ze ook kater of poes worden en ik kan ze nu ook niet in bewaring geven. Geld is niet voor de poes en van mijn verzameling wijn, bier en Baileys krijg ik als poes wellicht een kater.

Nee, het idee is leuk maar dan alleen voor mensen die van plan zijn om als mens te reïncarneren. De bank is er wel vanuit gegaan dat je als reïncarnant-rekeninghouder natuurlijk de afspraken uit je vorige leven herinnerd inclusief mailadres van de bank. Vanzelfsprekend. Bij nader inzien wordt de bank naarmate ik er langer over nadenk minder nuttig en uiteindelijk misschien nutteloos. Een typisch geval van een colgende DotCom Internetbubblebank. Misschien dat ik maar eens met mijn bank moet overleggen over alternatieven. Uiteindelijk zit ik bij Fortis en die hebben ruime ervaring met reïncarneren.

Alice © 2009

Vriendje

img_0225

Toen ik in maart in het ziekenhuis lag kwam hij onverwacht mee met een lieve vriendin. Sinds die tijd is de lieverd niet bij me weggeweest. Sterker nog, hij (of het) heeft me geen nacht alleen gelaten. Egér heb ik hem genoemd, muis dus.

Egér is een grappig ogend bepaald niet grijze muis. Beetje speels en soms erg ondeugend. Vrolijk vooral ook en altijd in voor een geintje. Zo heeft Egér in het ziekenhuis dagen boven mijn bed geschommeld aan de papegaai, heeft met de kleine poes gespeeld en gekke bekken getrokken op het moment dat ik me rot voelde.

img_0233

Maar de kleine deugniet heeft ook allerlei ondeugende dingen gedaan die ik maar beter niet al te uitgebreid omschrijf. Een plaatje verteld genoeg en ik hoop maar dat er nu geen vervolging wordt ingesteld voor het verspreiden van muizenporno.

img_0230

Egér is niet alleen maar grappig en ondeugend maar verdiept zich ook in de wereld. Egér is schrijver en zo af en toe verschenen er vreemde verhaaltjes op mijn laptop. Nog regelmatiger zag ik Egér verdiept in een boek dat eigenlijk voor mensen bedoeld is. Doorgaans in zijn favoriete boek van Renate Dorrestein.

img_0244

Na een volle dag lezen, gek doen, spelen en de poes plagen viel kleine Egér steevast naast mijn hoofdkussen in slaap. Sinds kort weet ik dat muizen ook snurken. Harder dan je zou verwachten van zo’n beestje en dan wij mensen snurken. Egér snurkt melodietjes, als je die wilt horen moet je maar eens komen luisteren als ze weer eens in slaap is gesukkeld bij me.

img_0249

In ieder geval, weten jullie nu wie mijn nieuwe vriendje is. Misschien mag ie van mij binnenkort hier wat verhaaltjes plaatsen, wie weet.

img_0234

Alice © 2009

Krimpen

dc_alice_in_wonderland_maria_kochetkova_pointe_look_500

Vandaag ben ik te warm gewassen

en dus kleiner om overal in te passen.

Mijn dansje valt nu niet meer op

hé, daar ligt een kever op zijn kop.

Zo kruip ik van vlak naar vlak

vreemdelingen daar op die tak.

Een konijn eerst en daar dan, zie

Tweedledum zoekt Tweedledee.

Plots hoor ik dan een babbelende bloem

stap er op af en geef haar een zoen.

Alice © 2009

Erwin Olaf

Soms kom ik beelden tegen, foto’s, schilderijen, objecten, die een diepe emotie teweeg brengen. Niet vaak, maar af en toe zijn ze er. Ik heb dat met de schilderijen van Edward Hopper onder andere. Tijdloze werken als Nighthawks, New York Movie en Hotel Window zijn de werken die me beroeren.

Recent was ik in het fotomuseum in Den Haag (ik raadt iedereen aan om daar geregeld langs te gaan) om een tentoonstelling over Man Ray en zijn werk te bekijken samen met mijn oudste zoon. Ik ga er binnenkort weer terug want opnieuw werd ik diep geraakt door sommige werken. Man Ray’s portretten zijn geweldig.

In de lobby van het museum stonden ansichtkaarten en er hing een poster van een fotograaf die mij tot dan toe ontgaan was: Erwin Olaf. De poster pakte me zogezegd en ik heb een stapeltje ansichten gekocht van foto’s van hem en van Man Ray. De twee hebben een onderlinge relatie die me aanspreekt. Daarna ben ik me een beetje gaan verdiepen in het werk van deze man die drie jaar ouder is dan ik en geboren werd in Hilversum. Het is verbijsterend werk en naarmate ik er meer van zie wordt ik meer toe aangetrokken. En ik weet nu waarom. Er is een nieuwe tentoonstelling in Antwerpen die vanaf 7 februari Erwin Olaf’s werk laat zien. Ik ga er zeker naar toe.

1c390346b85a4403428da6a5e0894ce0

De jonge vrouw op de foto (het is heus een foto) heeft een uitstraling die ik herken. Ze kijkt in eerste oogopslag uitdrukkingsloos langs de camera. Kijk ik langer naar haar dan zie ik dat ze erg mooi is, tenminste in mijn ogen. Ze is jong en kijkt naar iets of iemand waarvan ze iets verwacht. Alsof ze net een vraag gesteld heeft en een gezichtsuitdrukking heeft die bij die kwart seconde hoort voordat de ander het antwoord geeft. Ze kijkt niet boos en de vraag was dus niet negatief. Maar ze kijkt wel onderzoekend alsof ze een onthulling verwacht. Mijn dochter denkt dat ze aan haar vriendje of ex vraagt waar die gisterenavond was. Het is erg gemakkelijk om bij het beeld een heel verhaal te verzinnen. Daar zit hem de kracht van Olaf, net als die van Man Ray en de schilder Hopper. Een uitdrukking in een gezicht, een pose die een beeld schetst dat je net niet kunt beetpakken maar je bijna dwingt om er een scene bij te bedenken. Maar Olaf doet meer.

caroline

Op deze foto is een vrouw te zien, de schoenen uit die in een verstilde pose is geplaatst in een zestiger jaren interieur. Ze zit er vooral berustend bij. Het glas heeft een bodempje en aan de vorm er van te zien is het whiskey of iets dergelijks. Sterke drank in ieder geval. Ze zal het wel nodig hebben. De foto is van een filmische kwaliteit en drukt een pijlloze diepte aan. Leed zelfs. De vrouw rouwt. De foto van de jonge man die geknield in de kamer zit en in de vertwijfeling van zijn verdriet zijn hand langs zijn neus haalt is meesterlijk. Het is het icoon van de rouwende mens wat mij betreft.

6d2ed650e2622132bc0a451c905e3a0c1

De mooiste foto uit deze serie die passend ‘Grief’ heet is die van een jong meisje dat op haar zondag’s is gekleed. Tot in de puntjes verzorgt. Een onschuldig kind in een vreemde kamer met een koffer open op het bed achter haar. Ze staat er eenzaam bij. Het licht door de vitrage is bleek, buiten schijn de zon niet maar het regent ook niet want er is genoeg licht. Het lieve kind kijkt enigszins onwezenlijk van zich en de camera af. Ze wacht op wat er gebeuren gaat. In het verhaal in mijn hoofd is ze net terug van de kerkdienst. Een begrafenis van een goede oom of tante, iemand die belangrijk voor haar was maar waar ze niet in de buurt woonde. Ze is immers in een hotelkamer.

picture-14

Alle drie de foto’s stralen dezelfde eenzaamheid uit als de schilderijen van Hopper. New York Cinema van Hopper laat het meisje van de kaartjes in gedachten verzonken naast de zaal staan. Geen verbinding met het publiek in de zaal en niet met de film die draait. Ze staat er alleen en denkt. Er schuilt eenzaamheid in, niet verveling maar eenzaamheid.

nymovie

Ik kan niet kiezen tussen Olaf en Hopper. Ze raken me beide. Olaf omdat hij foto’s maakt met een onvoorstelbaar realisme en een absolute verbeelding van ingehouden emotie. De kleuren zijn geweldig en onderstrepen het beeld als het ware. De enscenering laat een sobere inrichting zien, netjes opgeruimd (te netjes) en plaatsbaar in een specifiek tijdsperk. Ondanks het gevoel van droefheid en eenzaamheid doen de foto’s me verlangen naar die tijd. Er zijn geen telefoons en andere lawaaimakers aanwezig. Niets verstoord de rust in het beeld. Er is balans. De rouw in de foto’s in deze serie is diep en absoluut maar niet afschrikwekkend. De man zou ik een arm om de schouder willen leggen, met de vrouw zou ik samen willen zwijgen en met het meisje zou ik poeziealbums willen volschrijven met kwetsbare gedichtjes. Het is dat effect dat de foto’s van Olaf op me hebben en de reden waarom ik grote bewondering voor de man zijn werk heb. Ga ik terug naar de eerste foto die ik hier bespreek dan heeft de fotograaf en vrouw gekozen met een natuurlijke schoonheid die zeldzaam is. Nauwelijks make, een subtiele haarband in het lange haar en een eenvoudige maar beslist sierlijke jurk. De wenkbrauwen perfect geëpileerd. Het figuur perfect, een jonge vrouw in de bloei van haar leven. Niet opgejaagd door een dolgedraaide maatschappij maar in balans, hoewel wel verontrust gegeven haar vragende blik. De ware kunst van de foto zit hem in de compleetheid. De perfecte technische afwerking, de lichtval, enscenering, modelkeuze, kleding, make up en bovenal stemming. En dat voor een fotograaf die ook heel commercieel werkt voor grote ondernemingen die zijn werk afnemen voor reclamedoeleinden. Een begenadigd kunstenaar van het niveau van Man Ray.

Alice Verheij © 2009

Engelen in opmars

engelen-van-erwin-olaffoto: Erwin Olaf (de hotste fotograaf van Nederland)

De kring van gelovigen breidt zich uit. Na eerdere schrijfsels van mij (Engelen en Angels fly because they take themselves lightly) is nu ook de Pers zover dat ze door krijgen wat er in de wereld aan het gebeuren is. De opmars van de Engelen… De geweldige fotograaf Erwin Olaf is er ook mee aan de gang gegaan met als resultaat bovenstaand plaatje dat laat zien dat de engelen van tegenwoordig niet alleen beschermend zijn maar ook nog eens bloedmooi.

Het mooiste wat je kunt doen voor iemand is dan ook een Engel geven, op de schouder zetten of oproepen. Dat kan op allerlei manieren en kan alleen volledig spontaan gebeuren. Natuurlijk heeft iedereen het in zich o zelf een engel te zijn. De Angela’s en Angelo’s hebben het voordeel dat hun naam al meewerkt maar voor de minder bedeelden is het alleen maar nodig om gewoon eens aan een ander te denken en vervolgens iets liefs voor die ander te doen. Het belangrijkste is wel om die ander te laten merken dat je dat doet omdat je vindt dat die ander wel een engeltje kan gebruiken. Want een eigenschap van Engelen is wel dat ze een beetje narcistisch zijn. Komt door de vleugeltjes.

Nu ja wat ik eigenlijk bedoel te zeggen, vergeet die maffe dikkerd in zijn rood witte pakje. Ga dit jaar eens voor de Engelen en doe gewoon even mee door een Engeltje te zijn voor iemand die belangrijk voor je is. Gewoon omdat het zo lekker is om af en toe een Engeltje te mogen zijn voor een ander. Mama, ik kom er aan hoor. Even een Engeltje scoren…

O ja, ik had misschien wel gezegd geen lijstjes meer te maken dit jaar maar ik kan het toch niet laten een lijstje van Engelen te maken die ik dit jaar ben tegen gekomen. Het zijn er behoorlijk wat geworden (in volgorde van bij me te binnen schieten):
– mam
– Hannah
– Arianne
– Vreer
– Refaat
– Angela 1
– Angela 2
– Sylvia 1
– Sylvia 2
– Kim
– Hilde
– Corinna
– Wanda
– Karel
– Vincent
– Thomas
– Ans
en nog heel veel anderen waar ik allemaal in geloof.

Alice © 2008


Ankh

 

Karnak ligt zo’n drie kilometer van Luxor. Het is een tempel die zelfs in het tempelrijke midden oosten zijn weerga niet kent. De bouw is extreem symmetrisch en de assen waarlangs de verschillende gebouwen staan en zichtlijnen zijn getrokken leggen een magisch verband tussen dag en nacht, leven en dood. Karnak is een ode aan de eeuwige cyclus van het leven. In dat Karnak stond ze bij een inscriptie op een stele te kijken. Vervuld van verwondering over wat de tempel liet zien en vol van een leven dat ingewikkelder was dan dat van veel andere vrouwen. Ze was niet meer het jonge meisje maar een volwassen vrouw geworden in de kracht van haar leven. Mooi zonder een spoor van ouderdom met prachtige ogen en een ontwapenende lach. Vrouw met een ziel en met een leven.

In het oude graniet was duizenden jaren geleden een tekst gebeiteld in hiëroglyfen. Stuk voor stuk symbolen die een compleet begrip duidden en niet slechts een individuele letter. Steen met er in gehakte emoties die alleen lading kregen als ze in hun context werden gezien. Net als de jonge vrouw die pas een identiteit kreeg wanneer ze samen met anderen was. Identiteit ontleend aan de interactie met de ander zoals de hiëroglief pas echt betekenis krijgt in samenhang met ander hiëroglyfen. Het symbool dat haar aandacht trok was de ‘Ankh’., het symbool voor het leven en de ziel. Het belangrijkste symbool dat de mens ooit bedacht had.

De Ankh en de vrouw waren ongedacht elkaars gelijken, metaforisch verbonden. Zij vertegenwoordigden niet alleen het leven maar vooral ook de ziel. De aanraking met de linkerarm, de arm van de ontvangende mens met juist dit teken was niet bedacht, ze had als vanzelf plaatsgevonden. Een verbinding tussen een puur menselijk verlangen tot leven en de duizenden jaren oude verbeelding van de ziel. Er was geen nadrukkelijk aanraking nodig want de vrouw en Ankh kenden elkaar al lange tijd. Zoals gevoelsmensen elkaar herkennen en zich in elkaars gezelschap veilig en vertrouwd voelen, zo voelde zij zich samensmelten met de gedachte achter het uitgehouwen stuk graniet. Daarbij bestond de aanraking uit een contact tussen een linkerhand met een henna tatoeage die als bezwering tegen de dood mocht worden opgevat en die voorzien was van een ring die kracht gaf aan de draagster. De aanraking was vooral een gebaar van herkenning geworden die met een zachtheid plaatsvond die haar vrouwelijkheid onderstreepte. Leven wilde ze en precies daarom was de uitgehouwen Ankh meer dan een willekeurig hiëroglief geworden. De milde aanraking was precies voldoende om oude energie over te dragen. Een korte samensmelting van menselijke ziel met gehouwen intentie.

De verbinding is slechts heel even tussen de jonge vrouw en de bedoeling van de steenhouwer van duizenden jaren terug tot stand gekomen maar wel net lang genoeg. Ze bestond vooral uit de beleving van de vangst van die ziel. Het is niet voor niets dat dit symbool juist in de begrafenis riten van de oude Egyptenaren zo’n belangrijke rol speelde. Een verwijzing naar het volle leven, het leven waar mensen maar even van mogen genieten. Met haar wijsvinger beroerde ze de lijn van de Ankh, volgde het spoor langs de lus van het leven en de zon, van Isis die was, is en altijd zal zijn. Dan via de knoop van de overgang naar het kruis dat de aarde, de nacht en Osiris voorstelt. De Ankh die Isis en Osiris verbindt, vrouw en man, leven en dood, dag en nacht in perfecte harmonie en eeuwige verbinding.

Alice © 2008

Script ‘Een familiezaak’

Voor de geïnteresseerden kan hier het script van ‘Een familiezaak’ worden gedownload. ‘Een familiezaak’ is naar een idee van mij geschreven door mij en Ellen Boekelaar. Het is in juni 2007 opgevoerd in het Werftheater in Utrecht onder regie van Ida van de Lagemaat. Meer informatie over die voorstellingen kan gelezen worden op deze plek.

Uiteraard is er sprake van copyright. Gebruik van het script kan daarom uitsluitend met toestemming van de auteurs plaatsvinden. Voor informatie kan natuurlijk contact met mij worden opgenomen.

   

Alice

Gaten terreur

Klik hier.

Runaway bus

Het is een lange rit aan het worden. De wegen zijn mijlen lang en kaarsrecht om dan ineens onverwacht in een opeenvolging van s-bochten en haarspelden te meanderen als een beekje. De bus is vandaag een rammelkar met een koffiemolen als motor. Maar voor vierduizend dollar konden we aan niks beters komen en hij rijdt in ieder geval. Wat meer was dan we van onze oude van konden zeggen. Het wrak stond nu ergens in de woestijn van Nevada uiteen te vallen in stukken ijzer, hout en leer. Roesten kon ie daar niet. Onze ‘nieuwe’ aanwinst was nog wel felgeel en van het bekende model maar daarom niet minder oud en versleten. Shit, wat maakte dat ding een lawaai. Je kon de assen horen draaien in hun lagers met een snel schurend geluid. Het zal me niks verbazen als we ineens langs de weg gaan en weet niet verder kunnen. En we moeten nog zo’n eind door dit verlaten land. Het hete Nevada hebben we nu al uren achter ons gelaten, het nog hetere Death Valley ook. Via Mono Lake zijn we de Tioga Pass al gepasseerd. San Francisco is nu nog maar een halve dag rijden, als we tenminste blijven rijden.

Mark en John zitten wat op een gitaar te tokkelen achter in de rammelende bus terwijl ik het ding over de wegen manouvreer op een manier die de lokale sheriff waarschijnlijk nog net kan tolereren. Zo’n kar rijdt niet al te hard en de andere weggebruikers kijken vanzelf een beetje uit in de buurt van een schoolbus. Dat er een stel halfgare veertigers er in rondrijden maakte daarbij niets uit wat mijn werk in ieder geval gemakkelijker maakt.

‘Hey Alice, what do you say? Let’s get a beer or something don’t you think?’. ‘Sure, next stop is Tuolumne. You guys can entertain the hikers there.’ Na een paar mijl zijn we er. Ik draai de bus over de linker weghelft de parkeerplaats op en de jongens springen er uit zodat ik de banaan verderop kan parkeren terwijl zij alvast kijken wat er te halen valt. Op de parkeerplaats is geen plek meer dus ik draai opnieuw de weg op om even verderop aan de rechterkant het ding in de berm te zetten. Even later zit ook ik achter een veggieburger en een Coke. Mark speelt wat voor de hikers aan de andere tafels en de andere jongens trommelen op de houten banken, een drumstel imiterend. Het klinkt wel aardig maar het mist duidelijk mijn zang. Zodra ik mijn burger op heb val ik in. ‘Brown eyed girl’, ze mogen dan wel blauw zijn bij me maar het klinkt er niet minder om. Het publiek vindt het allemaal ook wel leuk. Na een klein uurtje plezier maken, eten en drinken stappen we aan de weg weer in om verder te gaan.

We rijden verder richting Colfax Spring. Net nadat we de Tioga Pass Road hebben verlaten voor de Big Oak Flat Road gaat het mis. Na de vierde of vijfde bocht, precies weet ik het niet meer, horen we een knal onder de bus en geratel. Direct merk ik dat er geen tegendruk meer op het rempedaal zal. Shit, de remmen! Ik pak de handrem en trek er aan. Het stomme ding springt veel te soepel omhoog, de kabel is gebroken. Dat kan niet waar zijn, de remmen én de handrem. Fuck, hoe krijg ik dit ding dan tot stilstand. De weg draait onder me een haarspeldbocht in die ik natuurlijk te snel neem. Ik hou het gele gevaarte met moeite op de weg. Mark en John zijn opgesprongen en naar me toe gerend in de bonkende en slingerende bus. Weer een bocht en de weg gaat omlaag. We blijven dalen en de bus gaat harden. Remmen op de motor is niet genoeg om tot stilstand te komen, meer terugschakelen heeft geen zin meer. De motor giert als een speenvarken, of zijn het de banden? John en ik draaien samen aan het stuur en de bus schuurt rechts tegen de rotswand. Het gekraak is zo hard dat we denken dat als een sardienblikje open gescheurd te worden maar de bus houdt het. Een scherpe bocht naar links dwingt ons om mee te sturen anders komen we met de neus op de harde rotsen en is de kans groot dat we omslaan en het hele gevaarte over de kop vliegt. De weg gaat eventjes omhoog en de bus vertraagd wat. Op een vlak stuk slingeren we met een paar bochten mee en even lijkt het goed af te lopen. Bocht naar rechts en o shit, de weg gaat stijl naar beneden. Dat moet minstens acht procent zijn. Dat houden we nooit… Mark! John! hou je vast, dit gaat hard naar beneden! Ik klem me nog harder aan het stuur vast maar het heeft geen zin meer…

En dan schiet ik wakker.

Alice © 2008