Nog even.

Sinds 2005 schrijf ik aan Writer’s Block, mijn continue te(kst)periment. Niet een blog, zoals zo vaak wordt gedacht, maar een scharrelplek, woorden laboratorium of tekstatelier. Kiest u maar. Acht jaar schrijven op een plek als deze is heel wat. Ik ben hier opgegroeid als schrijfster, heb er mijn diepste gevoelens, ellende, vreuge, liefde en verdriet gedeeld. Met als uitgangspunt dat ik mijzelf geen beperkingen op zal leggen in wat ik schrijf en op welke wijze.

Writers’ Block bracht mij een nieuw leven, een nieuw vak, nieuwe mogelijkheden bovenal nieuwe vriendschappen met heel bijzondere mensen. En een enkele ‘hater’. Zo gaan die dingen soms. De balans na al die jaren stukjes schrijven hier is in hele grote mate positief. Na 1.542 teksten en een dikke 416.000 bezoekjes is het echter welletjes. Writer’s Block houdt op te bestaan.

Tenminste, in deze vorm en onder deze naam. De website wordt een archief en er komt iets anders voor in de plaats.

Waarom stoppen met zoiets dat zo belangrijk in mijn leven is?

Omdat het nu nog gaat maar ik ook merk dat de inspiratie afneemt terwijl ik mijn creatieve bron nodig heb voor de boeken die ik maak, de foto’s, de exposities en de optredens. Omdat creatieve bronnen niet onuitputtelijk zijn en ik dat ook niet ben. Omdat ik van schrijven en documentaire kunst mijn beroep gemaakt heb en daar een ander soort benadering voor nodig is. Omdat het gewoon hoog tijd is om door te pakken en omdat ik een nieuwe fase in mijn leven in ga.

Binnenkort verlaat is, als alles goed gaat en daar ga ik wel vanuit, mijn geboortestad. Ik vertrek naar een plek in het land die mij beter past voor wat betreft rust, levensritme en inspiratie. Ik houdt van Den Haag maar de stad heeft voor mij ook een donkere kant in zich. De mogelijkheid om een verse start te maken op een plek waar ik geen persoonlijk verleden heb is er een die ik niet zal laten liggen maar die ik juist omarm.

Bij een nieuw begin hoort het afsluiten van zaken die daar aan toe zijn. Zoals mijn Writer’s Block.

Na Writer’s Block zal er onder deze domeinnaam een nieuwe persoonlijke website ontstaan waarin mijn andere uitingen worden ontsloten. WoordenStorm en Anna Ros zullen er deel vanuit gaan maken, net als het archief van Writer’s Block. Ik verdwijn dus niet van het toneel als het gaat mijn werk maar ik kom wel in andere gedaante terug. Hoe? Dat wordt de komende maanden wel duidelijk.

Alice Anna Verheij

Advertenties

Momenten van geluk

Er zijn momenten dat geluk er al is terwijl ik het niet in de gaten hebt. Wanneer ik dat dan eindelijk inzie wordt me plots duidelijk dat hoe nauwkeurig ik ook de wereld observeer, mijn eigen wereld zal ik nooit helemaal doorzien. Gelukkig maar want dat maakt dat ik verrast kan blijven worden.

Op de achtergrond zingt Francis Cabrel ‘ Je t’aimais je t’aime je t’aimerai’ en zo is het.

Voor ieder van ons blijft de zon te lang weg en is de zomer een schim geworden van een herinnering en zelfs nauwelijks een beeld dat we ons nog kunnen voorstellen. De winter duurde te lang, het voorjaar was er niet en het sjagrijn in bijna alles lijkt te regeren. Toch is de werkelijkheid anders. Wanneer mijn kamerdeur openstaat zoals vandaag en de zon haar warmte laat voelen, hoor ik de wind door de bladeren van de berkenboom voor mijn deur ruisen. Sluit ik dan mijn ogen dan lig in het gras ergens in de vrije natuur en luister naar wat zoveel anderen voor mij hoorden en zoveel anderen na mij ook nog zullen horen. Dan besef ik dat deze wereld niet de onze is maar dat wij van die wereld zijn. Niets is mijn of jouw eigendom, we hebben alles te leen en tegelijkertijd is die vrije wereld, al dat moois jouw eigendom en het mijne tegelijk. Dat schept verplichtingen naar de natuur, naar jou en naar mezelf. Bladeren ruisen niet voor niets. Ze doen dat om ons te laten weten dat er iets groters is dan wij zelf. Iets veel belangrijkers. De boom voor mijn huis stond er al voor ik hier kwam wonen en zal wellicht zelfs ouder zijn dan ik zelf. De kans dat die er nog zal staan als ik hier niet meer woon of niet meer leef is aanwezig. Dat stelt me gerust.

home (1)

Ik ben een mens van verandering, zo schijnt. Althans, dat denken de mensen om mij heen vaak van mij en in zekere zin cultiveer ik dat beeld. Mijn geest dwingt mij immers mijn hele leven al naar voren, naar de toekomst. Verleden is niet iets waar ik met onbevlekte vreugde aan denk. Die eeuwige vlucht naar voren maakt dat voor sommigen ik onberekenbaar ben. Ze kennen mij niet echt. Anderen die ik reken tot mijn liefste vrienden weten beter hoop ik. Mijn drang om niet alleen naar de toekomst te kijken maar er ook naar toe te willen gaan lijkt in schril contrast met mijn behoefte om nu juist me te verdiepen in geschiedenis, in tijden van voor mijn bestaan. Die voorwaartse beweging gekoppeld aan een blik naar het verleden is misschien wel de belangrijkste karakteristiek van mezelf en in plaats van die te bestrijden door me te concentreren op het korte moment van het heden omarm ik die karakteristiek. Het is een wezenlijk deel van mij om te willen leven in het verleden maar daar vooral mijn toekomst op te baseren.

Mensen die dat herkennen zijn collega tijdreizigers.

Mijn punt is dat door mij zoveel minder met het heden bezig te houden ik vaak niet kan voldoen aan wat de maatschappij van mij verwacht. Die immers houdt zich bijna uitsluitend met dat heden bezig. Zaken worden belangrijk gevonden die dat helemaal niet zijn en vaak besef ik dat een probleem of situatie van het moment over een tijdje voorbij is. Verleden tijd is geworden. Onveranderlijk geworden en daarmee voor de toekomst niet relevant. Immers, de toekomst kan een mens beïnvloeden, het verleden niet meer. Maar om die toekomst te kunnen beïnvloeden zijn er wat mij betreft twee belangrijke zaken aan de orde die ik poog vast te houden: goed doen in het heden en het verleden kennen en begrijpen. Er van willen leren. In klein verband als het om mezelf gaat maar in groter verband is dat minstens zo belangrijk.

De maatschappelijke problemen van vandaag zijn gemakkelijker te duiden nu ik de Victoriaanse tijd bestudeer. De analogieën zijn veelvuldig en overduidelijk. Het fin de siècle gedrag van het einde van de negentiende eeuw kent zoveel overeenkomsten met deze zogenaamd moderne tijd. En deze tijd is zoveel behoudender en conservatiever dan die van pakweg dertig jaar geleden. Wellicht vreemd maar dat besef van hoe de maatschappij in het westen zo lang terug functioneerde in vergelijking met hoe die nu functioneert bepaald vaak mijn keuzes, mijn standpunten en vooral de zaken waar ik me mee bezig hou.

Waarmee ik weer terug kom bij die geluksbeleving. Want met de mooie zang van die Fransman in mijn oren vermengd met het ruisen van de wind door de bladeren van de berkenboom besef ik dat ik misschien wel de belangrijkste tijd in mijn leven doormaak. Besef ik dat ik dat wellicht iedere dag doe en dat het heden belangrijker is dan gedacht. Het dwingt mij om te kijken naar de zon die door de gebedsvlaggen op mijn balkon schijnt en mij trakteert op heldere kleuren en een zuivere blik. Een windhorse is niet een verzinsel van monniken maar een gebed, een zegen die ik op momenten als deze voel. Sommigen zullen dat geluk noemen.

Ik vandaag ook. De zomer komt er echt aan.

© 2013 Alice Anna Verheij

Wat een week!

De afgelopen week was me er eentje.

Om te beginnen waren er de dagen in Parijs voor de OuiShare conferentie die ik samen met een paar wijkgenoten bezocht. Nou ja, eigenlijk alleen de eerste dag want daarna was ik ook wel klaar met die conferentie. Een paar dagen nadien en flink wat ander werk maken dat het beeld dat ik vooraf had en dat ernstig bevestigd werd op die eerste dag alleen maar sterker is geworden. Wat mij betreft was het allemaal ‘much to do about nothing’. Vernieuwingsgraad laag, babbelgehalte hoog, extase afwezig, kunst idem dito en dus eigenlijk niet interessant. Parijs zelf was dat echter des te meer en de twee dagen waarop ik vijentwintig jaar oude herinneringen overschreef met nieuwe, rondzwierf in de stad, Hemingway’s voetsporen poogde te drukken èn een berg foto’s gemaakt heb, zijn voor herhaling vatbaar. Niks fijner dan met een goede camera zwerven in een stad als Parijs op de eerste echte lentedagen. Of het nu ikzelf of Anna Ros was die er gezworven heeft en in La Belle Hortense, Café de Flore en Les Deux Magots zat weet ik nog niet precies.

Alice AnnaCafé de Flore in St. Germain-des-Prés, Parijs

Eenmaal terug was het vol aan de bak met het monteren van Dooie Pier, mijn eerste documentaire die ik samen maak met Arna van der Sloot voor televisie en die aanstaande zaterdag op TV West wordt uitgezonden. Vijentwintig minuten over de pier bij Scheveningen bezien door de ogen van verschillende generaties Scheveningers. Moet hij blijven of moet hij weg? Of wordt het opknappen en wat zijn de herinneringen die ze hebben aan dat markante bouwwerk voor de kust van Scheveningen? Dit is de promotie poster met daaronder de teaser voor de film.

dooie pier poster horizontaal klein

Tussendoor is dan ook nog eens WoordenStorm opgericht. Na een paar jaar in de koelkast gelegen te hebben en niet als bedrijf te functioneren werd het tijd (en bleek het mogelijk) om mijn eenvrouwszaak dan toch maar van de grond te tillen. Het eerste werk is er ook al en dus is de start ‘vliegend’. Mooi en fijn.

De komende dagen zijn wat rustiger en dan kan er gewerkt worden aan de verschillende projecten, van tijdreisgids en toneelstuk tot vertaalwerk en het schrijven aan mijn eigen romans, het voorbereiden van foto exposities en nog zo het een en ander.

Het is en wordt een mooi en druk jaar. Nu maar hopen dat het goed blijft gaan.

© 2013 Alice Anna Verheij

Date ex machina

Magica ex machina.

De wekker liet zich te vroeg horen. De avond ervoor had langer geduurd dan ze zich herinnerde en de hoeveelheid rode wijn was evenzo meer geweest. Althans, zo liet haar hoofd haar weten. De klok, nee de kalender, was mentaal zo’n slordige 120 jaren teruggezet in de nacht. Geen aprilgrap, wel 1 april.

Het kwam door zoiets eenentwintigste eeuws als Facebook. Tijdens het kleeden en thee zetten bedacht ze dat ze de man nooit eerder ‘in the flesh’ getroffen had. Hij was tot dan een profielfoto en een verzameling gevatte commentaren en conversaties geweest. Charmant in tekst. Het idee voor een ontmoeting bestond al eerder en, eerlijk is eerlijk, was ook al gepland voor een later, zonniger en warmer, moment.

Hugo. Een mooie stevige naam. Lekker kort, beetje vierkant maar met een vriendelijke klank.

Tot dan toe waren de uitwisselingen beperkt geweest tot het literair vliegen afvangen, het uitruilen van kwinkslagen op statusmeldingen en het bewonderen van foto’s met, zonder uitzondering, een nostalgische lading. De man hield van wat de modernisten ‘vintage’ noemen. Zij zelf ook. Het was een foto geweest van een raar autootje, een driewieler met enige verwantschap met een cicade, of een cockpit van een oude Spitfire. Het ding was gemaakt door Messerschmidt en natuurlijk was er de verrassing geweest dat een dame als zij zo’n ding bij naam en toenaam kon benoemen. Een tweetal telefoongesprekken waren het gevolg èn het zalige plan zo’n karretje te bekomen teneinde ergens langs de kust daar een pier mee te berijden. En toen kwam er dat olijke plan van Deus Ex Machina: ‘date ex machina’.

date ex machina

Als een waar tijdreizigster was het vanzelfsprekend gebleken af te reizen naar Vlaanderen. Antwerpen om precies te zijn. Een niet echt vanzelfsprekende plaats voor een Haagse maar gegeven de psychologische ligging halverwege Brussel en Den Haag, de enige plaats die in aanmerking zou kunnen komen voor een afspraakje. Post Victoriaans bezien was het geen afspraak en al helemaal geen date. Dat soort zaken zijn respectievelijk twintigste en eenentwintigste eeuws. Het was eerder een tête à tête. Zonder chaperonne. De gekozen locatie, hoe kan het ook anders met tijdreizigers, was natuurlijk de restauratie van de spoorwegkathedraal van Antwerpen. Een passender plek bestond niet. Een passender datum overigens niet. De zon scheen zelfs.

Na de thee kwam de koffie en een croissant. De bakjes van de kat vulden zich met zalm, niet bepaald een prettig luchtje zo in de ochtend, en water. Een spiegelmoment verzekerde haar van zichzelf en na wat twijfel over passende kleding en hakhoogte verdween ze in haar jas en onder een bolhoedje. Tijdreizigers dragen hoeden immers. De tram kraakte en piepte als een eeuw geleden en de trein vertrok van een station dat zich in zekere zin kon meten met dat van de bestemming van de trein. Ze reisde van Holland Spoor naar Vlaamse trots, het klonk als een boektitel. Geen Fyra te bekennen, dat was vooral geruststellend. Geen vertraging ook. Overstappen in Roosendaal, deze keer geen roepende negotiant met karretje met koffie en koeken op het perron. Die was immers in de tijd verdwenen. Enkele hoofdstukken later dook haar trein ondergronds om aan te komen in het Antwerpse ruimtestation. Captain Kirk was nergens te bekennen, net zo min als Mister Spock. Het verbaasde haar opnieuw welk een wandeling en klim er nodig bleek om in de kathedraal te komen. Eenmaal daar echter bleek de tijdreis er op te zitten. De brede marmeren, of waren het granieten, trappen brachten haar naar de restauratie. ‘Le Royal Cafe’ staat er boven de toegangsdeur. Iets deed haar bedenken dat er eigenlijke ‘Le Café Royal’ zou moeten zijn, ze twijfelde.

Drie seconden waren er nodig om de brede lach en de opgestoken hand van haar amice te zien. Dertig seconden om gezamenlijk te landen aan een tafeltje ergens in het midden van het etablissement. De plaatsing was zodanig dat het haar lukte om de wijzer van de immense klok in de even immense spiegel op het halve uur een sprongetje te zien maken en al vibrerend tot stilstand te zien komen. Het was half twee. Een dame wenst overzicht te hebben.

Beleefdheden en grapjes werden uitgewisseld. Tot wederzijds genoegen. Goede koffie en een side-dish vergezelden hen. Niet lang duurde het voordat de boeken op tafel kwamen. Hij had een bijzonder boek meegenomen, een boek over een oude vrouw die schrijft, van een mannelijke auteur, een leeftijdsgenoot. ‘Godenslaap’ geschreven in 2008 door Erwin Mortier had het voor hem gewonnen van onder meer de Brontë’s. Omwille van het tijdreizen. Zij had, uiteraard, haar laatst geschreven roman meegenomen. Van ‘The old man and the sea’ van Hemingway kon ze immers onmogelijk scheiden en hoe kon trouwens een verhaal van een andere schrijver meer geliefd zijn dan het boek dat je zelf schreef?

Een middag, een goede maaltijd, vele gespreksonderwerpen, een stadswandeling, een bezoek aan (natuurlijk) Den Engel op de markt en een blik in de Scheldetunnel verder, eindigde de ontmoeting waar die begon. Zelfs een val kon niet voorkomen dat ze aan hetzelfde tafeltje in het station zaten. Want cirkels zijn rond en het is belangrijk om wat mooi is begonnen, mooi af te ronden. Een vervolg zal er zeker en vast (of is het ‘vast en zeker’?) komen. In Brussel. In ‘s-Gravenhage. Aan het begin van de avond wandelde ze wederom het ruimteschip in om terecht te komen in een trein. Naar een station in het Haagse. Naar een piepende tram. Naar een kamer waar een kat ongeduldig wachtte. De zalm was op. Het was gegaan zoals ze verwacht had. Een heerlijke dag, een pracht ontmoeting, twee geesten die verwant bleken te zijn, plezier en aandacht voor de schoonheid van het verleden en bedachtzaamheid over het heden. Een ontmoeting ook die welzeker niet alleen een vervolg verdient maar het grote genot van het lezen van een prachtboek dat in de tas mee terug reisde opleverde.

Alice Anna Verheij ontmoette Hugo Schellekens in het kader van ‘date ex machina’ en het werd bovenal een ‘magical date’.

© Alice Anna Verheij

Haagse Kunstkring

16366_505683712803918_601327334_n

Sinds vandaag mag ik me werkend lid noemen van de Haagse Kunstkring, afdeling letteren, theater & film. De Haagse Kunstkring is een vereniging van kunstenaars en kunstliefhebbers / kunstkenners met als doel ontmoetingsplek te zijn. De afdeling letteren, theater & film richt zich vooral op schrijvers, dichters, acteurs, regisseurs, mimespelers, choreografen, dansers, cineasten en scenaristen. Met mijn werk val ik in een aantal van deze groepen maar vooral ben ik actief als schrijver, cineast en scenarist.

De Haagse Kunstkring is een vereniging die op eigen middelen drijft en daarmee onder andere een pand op de Denneweg in stand houdt. Ik ben blij dat ik me bij het illustere gezelschap van de leden van de kunstkring kan voegen en hoop dat deze vereniging voor mij een podium kan zijn om mijn kunst te delen met een groter publiek en hoop over niet al te lange tijd te kunnen exposeren of een boekpresentatie te houden met recent werk.

Meer informatie over de Haagse Kunstkring is te vinden op www.haagsekunstkring.nl.

Alice Anna Verheij

Rust. Of toch niet?

Het is alweer een tijdje terug dat ik iets schreef op deze plek. Voor de meesten zal het er op lijken dat ik mijn schrijfactiviteiten aan het verminderen ben. Niets is echter minder waar. De werkelijkheid is dat er wellicht een soort kantelpunt in mijn werk aan de orde is. Ik merk dat ik zelf minder behoefte heb om hier werk te delen èn ik merk dat ik het juist veel drukker heb gekregen met schrijven. Zelf denk ik dat het te maken heeft met een andere fase in mijn leven. Zoiets behoeft analyse.

anna-pencil3

Vorig jaar werd ik vijftig en dat heeft nogal wat aangericht bij me. Emotioneel wel te verstaan. Waar ik mij de afgelopen tien jaar staande heb weten te houden door te blijven werken aan nieuwe projecten en het dagelijks schrijven van korte teksten, gedichten en columns is er n een andere dynamiek gekomen. In een andere wereld zou zoiets professionalisering genoemd worden of de groei naar volwassenheid.

In 2004 stortte mijn toenmalige wereld definitief in. De scheuren in het bouwwerk waren decennialang groter en groter geworden en mijn kracht om ondanks die scheuren de façade in stand te houden evenredig afgenomen. November 2004, een maand die mij altijd bij zal blijven. Het halfjaar voorafgaand aan de grote crash was in toenemende mate zwaar voor me en na de wanhoop van september en oktober 2004 was er slechts een diep donker gat gebleven. Geen idee waarom ik trouwens nu hierover schrijf.

Vanaf 24 november 2004 zou mijn wereld gaan veranderen. Het werd, en dat kon ik onmogelijk voorzien, een rollercoaster waar ik niet meer aan kon ontsnappen. Jaren gesprekken met psychologen zouden volgen en een ‘transitie’ zoals dat schijnbaar mooi wordt omschreven kwam op gang. Alles gericht op het fysieke. Goed drie jaar later was de eerste grote storm voorbij en lagen er al wat schepen op de kade geslagen. Het einde van een huwelijk, het einde van een gezinsleven, het einde van de eigen bedrijven, het einde van een leven dat op een manier ingericht was dat ik er aan onderdoor was gegaan. Weer drie jaar later was de put dieper geworden. Van betrekkelijke welstand kwam er de armoedeval. Nooit gedacht dat die zo diep kon zijn. Er kwamen relaties die niet stand hielden. Wellicht omdat ik daar niet aan toe was, misschien simpelweg omdat ik mezelf weer opnieuw moest leren kennen, en vrijwel zeker een  combinatie van beide. Van bedrijven kwijt en een lijf dat niet deed wat er van verwacht werd, naar een nieuw en ander leven.

Ik heb het moeilijk gehad en ondanks de mensen om me heen die soms wisselden heb ik me eigenlijk al die tijd alleen en verlaten gevoeld. Ik vluchtte naar mijn geboortestad, naar mijn moeder. Mijn moeder stierf. Ik vluchtte naar de andere kant van de wereld om iets te doen dat ik niet eerder had gedaan en om naar nieuwe bronnen in mijzelf te zoeken. Ik kwam, werd vijftig en ziek. Niet alleen die bijna tien jaar onafgebroken ingrijpende veranderingen in mijn leven maar ook de inmiddels ontstane armoede hebben een tol geeist. Galstenen en een plekje op de maagwand dat er niet moet zijn, een gebit dat achteruit gaat zonder dat er mogelijkheden zijn om het goed aan te pakken of te doorstaan. Dus zo slijt een mens.

Ik dacht het vorige week nog: dus zo slijt een mens.

Afgelopen december was zwaar. Wat heb ik me vergeten gevoeld en wat een onzinnige gedachte is dat eigenlijk met zoveel bijzondere mensen om me heen. Maar er is iets veranderd in me. Het lijkt wel of er een soort dwang aan het wegvallen is. Waar de afgelopen ruim zeven jaren tijdens die lange storm ik wanhopig verlangde naar gezelschap is dat veranderd in de behoefte om alleen te zijn. Veel alleen te zijn. Hoezeer gezelschap juist fijn is, de momenten dat ik weg wil kruipen achter een schrijftafel of typemachine om gewoon te doen wat ik hoor te doen zijn aan het toenemen.

Dat drukt zich uit in verminderde activiteit op deze plek. Er komt gewoon minder in aanmerking hier gepubliceerd te worden. Naarmate ik meer schrijf ben ik onzekerder en ontevredener over wat ik schrijf. Naarmate ik meer werk aan het manuscript dat op mijn schrijftafel ligt merk ik dat er meer en meer van mijzelf in dat manuscript verdwijnt. Er blijft simpelweg minder over om hier te plaatsen.

Het is niet zo dat ik minder doe dan voorheen. Integendeel. Waar in het verleden de projecten die ik deed vooral solistisch van karakter waren zijn mijn huidige projecten op dat manuscript na vooral projecten waarin ik met anderen samenwerk. Documentaires, een toneelscript en wellicht nog eentje, een reisgids in het Engels en een kleinkunstprogramma voor op het kleine podium, ik maak ze niet alleen maar samen met begaafde kunstenaars. Gezelschap is voor mij vooral samen maken geworden. De spiegel daarvan is het grote soloproject van die trilogie waar het eerste deel in manuscript vorm langzaam vordert.

Maar er is meer. De behoefte het leven te delen met een ander is groter geworden. Verdiept vooral. Niet in de vorm van een behoefte in permanente lijfelijke aanwezigheid maar juist in de behoefte aan het delen van de diepere emoties die mijn schrijf, foto en filmwerk met zich meebrengen. En er is de keuze om zonder enig voorbehoud me uitsluitend nog te willen bezig houden met mijn kunst. Zonder voorbehoud wat zoveel wil zeggen dat ik mijn leven er op ingericht heb om dat te doen. Terug getrokken op een klein gebied in betrekkelijke afzondering. Dat terwijl afzondering nu juist zo bedreigen voor me is. De beweging van de drukte weg naar een verdieping toe ervaar ik als onomkeerbaar en vormend. Maar ook als angstig omdat mijn eigen emoties daarbij mij soms bang maken. Het gevoel iets te schrijven dat niet zonder gevolgen voor mezelf kan blijven is als de rand van een klif die hoe gevaarlijk ook, blijft aantrekken want die diepte wil ik zien.

En juist nu, juist nu merk ik de slijtage aan mijn lijf. De inmiddels bijna dagelijkse fysieke pijn die je leert te aanvaarden en de angst dat het uiteindelijk te vroeg fout gaat. Het is een irrationele angst maar ratio is niet wat me stuurt. Er ligt nog zoveel werk te wachten en er zijn nog zoveel zinnen te schrijven. Over een paar maanden komt er een film van me op televisie gemaakt met een collega filmmaakster. Aan het eind van het jaar hoop ik het eerste manuscript van de trilogie klaar te hebben en wellicht nog een tweetal korte documentaires, dat toneelstuk en die twee novelles. Tel ik de film- en schrijfdagen bij elkaar op dan blijft er weinig ruimte om hier nog te schrijven.

Er zal dus hier een tijdlang minder nieuw werk verschijnen. Mijn publicaties verschuiven tegen de stroom van de tijd in van het internet naar het papier en het beeld. Voor de lezers en kijkers hier zal dat betekenen dat als er prijs gesteld wordt op mijn teksten en beelden, er meer op uit getrokken zal moeten worden. Het zou fijn zijn als dat ook gebeurt. Ondertussen zal ik hier toch nog wel met enige regelmaat publiceren maar de frequentie is al gedaald en zal dat zeker nog verder doen. Deze plek zal meer en meer een plaats worden voor aankodigingen en verwijzingen naar werk dat ik elders publiceer, exposeer, vertoon of opvoer.

© 2013 Alice Anna

Rood op oranje.

Vandaag is een rare dag. Wakker worden lukte niet zo goed. O ja, de koningin viert haar laatste verjaardag als koningin. Toch wel bijzonder bedenk ik me. Direct gevolgd met de gedachte dat het dus een oranje dag is. Op oranjedagen kleed ik me rood. Ik ben nu eenmaal ietwat tegendraads. Niet per sé een anti-monarchist of zo maar toch houdt me die rare job rotation tussen prinsen, koninginnen, prinsessen en koningen wel bezig. Na koffie, douche en weer koffie reorganiseerde mijn agenda zich als vanzelf. Leuke mensen op de rol vandaag en na het shuffelen van tijden en dagen, morgen dus ook.

In het rood, met hoed op want ik blijf het wat koud vinden, dan toch maar er op uit. Niet volledig helder volgt de routine van het opladen van het kaartje dat me naar de stad moet brengen en de rode tram die ik pas registreer als rode tram wanneer ik er in zit.
En dan op de Lijnbaan zie ik vanuit mijn ooghoek een hagelwitte koets aankomen. Zo’n lage met een baar er op. Pront op die baar een doodskist van het roodste rood dat je kunt bedenken. Als een uitroepteken geplaatst. In plaats van de schok van de aanblik van een lijkkoets veer ik op. Langzaam verschuift het beeld van rechts naar links achter langs de raamstijlen van de tram die op dat moment gelukkig bij de halte wacht. Een enkeling om me heen ziet het ook en verbazing is zichtbaar op hun gezichten.

Ineens weet ik het. Als ik ooit ga wil ik dat. In een knalrode kist door de straten gereden worden. Wel met een zwarte koets want met wit heb ik nooit zoveel gehad. De lange neus die de rode kist trekt naar de levende omstanders verraad een karakter dat me bevalt. Wie er in ligt heb ik geen idee van maar bij mij overheerst de glimlach en ik weet wel zeker dat precies dat de bedoeling geweest zal zijn van het mens dat langs mijn tram wordt gereden. Het kan niet anders dat er een passioneel romanticus ons nog even wat wou laten weten.

En dan rijden we de hoek om. Mijn dag is weer goed.

© 2013 Alice Anna Verheij

rode kist

Vandaag is een oranjedag.
Op dit soort dagen ben ik rood
en draag ik een hoed.
Zelfs de tram is zo rood als ik.
Hoe passend.

Halverwege rijdt er onverwacht
– want zo komt de dood meestal –
een hagelwitte lijkkoets.
In de tegengestelde richting.
Hoe passend.

Er op staat de knalrode doodskist,
als een lange neus naar het leven.
Dat een doodskist me blij kan maken.
Mijn hoed zet ik af.
Hoe passend.

Londen in januari.

Toen ik jong was… Wat een rare zin want als ik jong was zou ik nu oud zijn maar ik voel me niet oud. Ben het ook niet. Denk ik. Maar goed, toen ik jong was een leven geleden, speelde ik korfbal. Ik heb altijd van die sport gehouden maar blijkbaar niet genoeg om het te blijven spelen. Sport is iets dat zo lastig is in te passen, vooral teamsport. Ik speelde dus korfbal. Bij een keurige Haagse vereniging waar mensen als een zoon van de oude Willem Drees en Karel de Rooij speelden. En ik. Ik zal ergens rond de vijftien jaren jong geweest zijn toen die keurige ‘Gymnasiasten Korfbal Vereniging’ een uitwisseling had met een Londense korfbalclub. Nomads Korfball Club, een vereniging uit zuid Londen ergens tussen Morden (nog net Surrey) en Raynes Park (niet ver van Wimbledon.

Die sportuitwisseling was het begin van een levenlange liefde voor Engeland en Londen. Maar een leven kan lang zijn en dus is die liefde voor lange tijd naar de achtergrond verdwenen zoals dat gaat met oude geliefden. Kwam ik in die tijd tientallen keren in de Britse hoofdstad en toerde ik regelmatig door zuid en west Engeland, de decennia daarna heb ik me er nauwelijks laten zien. Een huwelijk zat in de weg en de complixiteit van een ongewild leven.

Nu ben ik weer decennia verder en door een vreemde samenloop van omstandigheden en een schilderij dat me betoverde, is de oude liefde terug gekomen. Afgelopen week was ik weer in die stad, deze keer samen met mijn dochter die niet eerder in Engeland was. Het was een leuke week waarin ik met een opdracht door de stad wandelde, de gangen volgend van vrouwen uit het einde van de negentiende eeuw die hoofdrollen spelen in de boeken die ik aan het schrijven ben. Een stad ziet er anders uit als je met een dergelijke missie op pad bent. Musea, oude kunst, begraafplaatsen en straten in een wijk waar ik eerder niet vaak kwam, waren de bestemmingen. Daarbij sprongen er voor mij een drietal nadrukkelijk uit: 10 Avonmore Mansions op Avonmore Road in Hammersmith, Leighton House op Holland Park Road in Kensington en een heuveltje in een kwadrant in de uiterste westhoek van Kensal Green Cemetery.

avonmore mansions

10 Avonmore Mansions. Ze woonde er met twee jongere zussen en een jongere broer. Ada Alice, die zich Dorothy noemde en in het publieke leven een redelijke actrice, een prachtig model en één van de mooiste vrouwen was maar die daarbuiten de plaatsvervangede moeder voor haar zussen en broers was. Een vrouw met een dubbelleven. Wellicht bevriend met een andere, welhaast onvindbare, vrouw die ze ongetwijfeld in de studio van de schilder zal zijn tegen gekomen. Het is een gebouw dat ergens halverwege de negentiger jaren van de negentiende eeuw gebouwd werd in Hammersmith, om de hoek bij de brug over de spoorlijn en het grote Olympia en Kensington High Street. Op ongeveer een kwartiertje wandelen van Holland Park Road waar ze werkte. Nou ja, twintig minuten met een Edwardiaanse jurk aan denk ik. Op haar grafsteen staat haar artiestennaam, in het boek van de begraafplaats haar familienaam. 10 Avonmore Mansions is nog steeds een bijzonder stijlvol apartementengebouw, gebouwd in een degelijke bouwstijl en met een kwaliteit dat het nog steeds erg prettig zal zijn om er te wonen. Ik zou er zelf graag een tijdje wonen. Naast Dorothy woonden ook haar jongste broer Samuel er en de zussen Hetty en Lena. Minder bekend maar ook actrices en modellen. Edith zal in die tijd schuin tegenover Leighton’s huis in Holland Park road gewoond hebben. Ze was getrouwd met Gustav Schwartz, ook een schilder.

Het is vreemd voor een huis te staan waar twee vrouwen gewoond hebben die nu, ruim elf decennia later, zo en belangrijke rol spelen in mijn leven. Twee vrouwen die ik amper ken maar waarvan ik steeds meer kom te weten en waarvan ik steeds minder lijk te weten, want ze verrassen me regelmatig. Toch is het alsof er een verbinding is met ze. We zijn van Avonmore Road de route gaan wandelen die Dorothy jarenlang bijna dagelijks gelopen zal hebben in de maanden dat haar schilder niet in het buitenland was. Frederick Leighton was immers niet alleen een begenadigd en voornaam schilder, president van de Royal Academy of Arts en Dorothy’s Mister Higgins maar vooral ook een bereisd man. Met grote regelmaat trok hij naar Italië en de Levant (het huidige midden Oosten) en noord Afrika. Zijn huis in Holland Park Road was woonhuis, atelier en showcase voor zijn voorliefde voor klassieke, arabische en oriëntaalse kunst. Het huis is gelukkig behouden gebleven en recent uitstekend gerestaureerd tot misschien wel het mooiste huis in Londen. De Arabische hal is een meesterwerk van Victoriaanse oriëntaalse binnenhuis architectuur. Koranspreuken in de mozaïeken op de muren, een Syrisch houten raam en het zachte getinkel van een fontijntje in de kamer.

leighton house

De curator, Daniel Robbins, heeft ons rondgeleid en honderduit verteld over de schilder, de dames Dene en de geheimen van het huis. De aparte entree voor de modellen is nu een binnendeur maar de kamers van de butler in de kelder is er nog. Het archief van Leighton House herbergt een schat aan informatie over de schilder en zijn leven en natuurlijk een paar echte schatten. Bij het spitten door het archief kwam de overlijdenskaart van Dorothy op tafel, samen met onbekende foto’s van de muze van Leighton. Dorothy in Siena in Italië, uitgenodigd door de familie Cartwright die in Italië woonde, Dorothy als actrice. Mooi, theatraal en mysterieus. Langzaam maar zeker wordt duidelijk welk een centrale rol zij gespeeld moet hebben in de levens van Leighton en haar zussen en broers. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat deze vrouw die de inspiratie is geweest voor George Bernard Shaw’s Eliza Doolittle in Pygmalion, een bijzondere vrouw was. Ik zal nog veel van haar zien en lezen in het komende jaar want net zoals in haar leven eind negentiende eeuw stelt ze ook in mijn onderzoek naar de levens van haar, haar jongste zus Lena en haar collega model Mary Lloyd, iedereen in de schaduw.

dorothy dene

Ik heb Dorothy’s graf uiteindelijk gevonden. Er staat een tekst op die door haar zussen en broers bepaald zal zijn. Liefdevol geplaatst op dat heuveltje op Kensal Green staat er nog een scheef gezakt kruis op een eenvoudige getrapte voet aan de korte kant van een met steen omrand perkje. Er groeit nu mos en wat onkruid. Mensen om het te onderhouden zijn er niet meer. Dorothy is in vergetelheid geraakt maar niet ver genoeg om te voorkomen dat ik de plek vond en er een roos kon neerleggen. Kensal Green is geen Highgate. Er liggen minder bekende mense begraven hoewel er wel degelijk de nodige adel, kunstenaars, schrijvers, dichters, theatermensen, musici, notabelen en militairen een eeuwige plek hebben. Thackaray ligt er, niet ver verwijderd van Dorothy, en WH Smith van de winkelketen, Blondin de koortdanser en de romanschrijver Wilkie Collins op wiens graf een bezoeker een Duitse vertaling van een roman van hem had gelegd en die door wind en regen zal vergaan. Voor mij ging het om iets anders, een soort eerbetoon aan iemand die zonder dat veel mensen het weten de echte Eliza Doolittle was, de enige echte My Fair Lady en voor mij een vrouw die liefdevol voor haar zussen en broers zorgde en een affaire had met de schilder wiens model zo zolang was.

dorothy dene (1)

Londen was anders dan decennia terug. De camera’s in de straten, de ondergrondse die nu vrij schoon is net als de straten. Het is een ander, mooier en interessanter Londen dan ik in mijn herinneringen had. Nu ik weer thuis ben is het goed in de wetenschap te leven dat ik altijd nog naar Londen kan om te genieten. De oude geliefde is weer in mijn leven en het is nu tijd om er over te schrijven en over de oude Dave, een romanticus die ons op de begraafplaats spontaan de bijzondere plekken liet zien.

© 2013 Anna Ros

Terug naar een oude jeugdliefde.

Ik ben een romanschrijfster en onverbeterlijk romantisch. Dat laatste was ik altijd al en dat eerste sinds een aantal jaren. Het is buiten de gebruikelijke uitdagingen heel erg leuk om romans te schrijven. Zeker voor mij omdat ik zonder concessies mij kan wijden aan het schrijversvak en mijn leven zo ingericht heb dat de belemmeringen om dat te doen minimaal zijn. Iets wat ik anderen ernstig ontraad overigens want het betekend wel leven in minimale omstandigheden. Mijn thuis is een kleine kamer op twee hoog voor.

De charme van mijn manier van het schrijven van romans is dat er veel onderzoek nodig is. Heel veel onderzoek. Mijn eerste gepubliceerde roman bracht mij op de wallen tussen de prostituees en in een vage club en mijn tweede in vluchtelingenkampen in Nepal. Ervaringen die mijn denkwereld ernstig hebben veranderd en mij voor een flink deel ook vrijgemaakt hebben van conventies, de moraal van (een deel van) mijn opvoeding en angsten die zinloos en onzinnig zijn.

De roman waar ik nu aan werk is in veel opzichten een omslag in mijn werk aan het worden. Ten eerste is het een roman die niet in het heden maar in het verleden speelt en toch geen historische roman is. Daarnaast is dit het boek waarin veel autobiografische elementen verwerkt worden door ze te projecteren op een van de personages. Daar komt nog bij dat het niet één boek is maar drie, een trilogie. Dat laatste was niet de bedoeling maar gegeven dat boeken in zekere zin zichzelf schrijven een logische uitkomst van een goed half jaar onderzoek op thematiek, locaties en personages. Maar er is nog iets.

Londen Januari 2013

Lachrymae (‘Tranen’) is in zekere zin ook een terugkeer naar een periode in mijn jeugd die zeer complex was maar waar ik gelukkig ook goede herinneringen naast de hele slechte heb. Die goede herinneringen hebben in sterke mate te maken met de jaren dat ik meerdere keren per jaar in Londen was. Ik had er een sport- en penvriend en we hebben veel tijd samen doorgebracht. Hij te gast bij mijn familie en ik bij zijn familie. Goed, hij woonde eigenlijk in Surrey en strikt genomen dus niet in Londen maar Morden is wel zo ongeveer het uiterste puntje van Surrey en voor de onbekende simpelweg zuid Londen. Een gezin in een kleine arbeiderswoning in een arbeiderswijk waarvan de vader postbode was en de moeder de twee zoons opvoedde. Een zeer Engels gezin ook.

Ik dwaal af. Mijn nieuwe werk brengt me terug naar Londen. Naar Kensington en Holland Park om precies te zijn en naar Burlington House (en natuurlijk de Burlington Arcade). Plekken in die stad waar ik vaker ben geweest maar in die tijd nog geheel onwetend van de reden waarom ik er nu terugkeer. Ik heb altijd erg van Londen gehouden. Toegegeven, Parijs is romantischer en tintelt meer. Maar Londen was en is een heerlijke stad met een geheel eigen sfeer. Of sferen eigenlijk. Deze keer heb ik een opdracht voor mijn bezoek. Ik ga er zoeken naar wat er nog over is van de geschiedenis van een paar vrouwen, schilders, beeldhouwers en dichters uit een vervlogen tijd. Een tijd waarin er nog de koetsen reden die langzaam vervangen werden door auto’s, een tijd met een zo op het oog strakke moraal maar een evenzo duidelijke hypocrisie die mensen er toe bracht om in het min of meer verborgene zich te onttrekken aan die moraal. Ondeugd zoals dat in Engeland kan zijn. Mijn vrouwen (het zijn er drie) leefden aan dat randje van de maatschappij waar de kunstenaars te vinden waren. De schrijvers en dichters, schilders, beeldhouwers, de eerste beroepsfotografen, acteurs en actrices, de zangers en zangeressen. Niet te vergeten ook de modellen voor de schilders, beeldhouwers en fotografen die niet zelden ook actrices en zangeressen waren of veaudeville of burlesque sterren. Of gewoon prostituee, want er waren in die tijd enorm veel dames die alleen op die manier een eigen bestaan konden opbouwen en onderhouden. Courtisanes, maitresses en hoertjes bevolkten de stad in grote getale want er was nu eenmaal heel wat emplooi voor ze. Zo niet mijn vrouwen, zij waren model en actrice of model en naaister. Een aantal van hen waren min of meer beroemd en een enkeling nadrukkelijk geroemd om haar exceptionele schoonheid.

Het is ruim honderd jaar later. Mijn vrouwen leven niet meer maar toch ook nog een beetje wel. Het is moeilijk om ze te vinden maar ze zijn er nog wel. Op muren van paleizen en musea, van Buckingham Palace tot de Tate Gallery zijn ze nog te zien. Alle drie. Dat maakt het zo heerlijk om naar ze te speuren. Ik ga ze zien straks, geschilderd in de tijd waarin ze op hun mooist waren, ik ga van enkelen de huizen zien (want die zijn er nog steeds) en een atelier waarvan ik zeker weet dat ze er alledrie model gezeten hebben voor één van die schilders. Samen met curatoren en anderen ga ik hun gangen na en ik weet zeker dat ik met aanzienlijk meer beelden en informatie over hun terugkom als wat ik nu heb voordat ik afreis.

De plaatsen die van belang zijn ga ik bezoeken, in mijn hoofd als één van die vrouwen. Ik ga er door haar ogen naar proberen te kijken en weet dat ik dan heel andere dingen zie dan iedereen om mij heen. De Tate Gallery, de Royal Academy, Leighton House en de straten in Kensington zullen er dit keer anders uitzien voor me dan toen ik er lang geleden was. Niet omdat de moderne tijd toegeslagen heeft, want op de overal aanwezige camera’s na valt dat wel mee maar vooral omdat ik anders kijk.

Als het allemaal lukt dat is dit bezoek het begin van een periode waarin ik vaker in die heerlijke stad zal zijn, speurend naar wat er nog wel is van een vervlogen verleden en ondertussen mijn jeugd een beetje terug halend. Voor mijn gevoel doe ik dat terwijl ik de meisjesnaam van mijn moeder draag. Ze zou het mooi hebben gevonden.

© 2012 Anna Ros

Aandacht

Niet zo heel lang geleden zei een bijzondere vriendin tegen me dat ze houdt van aandachtig schrijven. Zinnen schrijven die zorgvuldig samengesteld worden uit gewogen woorden. De preciese woorden die ze gebruikte waren ‘traag schrijven’.

Ze zette me aan het denken en om de één of andere reden zorgde die woorden voor een doorbraak. Aandacht en traagheid. Het zijn immers precies die dingen die in het dagelijkse leven veelal ontbreken. Onze wereld is snel. Steeds sneller en onvoorstelbaar oppervlakkig. Als niets er meer echt toe doet en ingeval iets er wel toe doet dat vooral niet lang mag duren. Waarnemen, tot je nemen, verteren en dan snel weer verder. Het is me te snel geworden en ik wil er niet meer aan meedoen. Wat mij betreft stel ik mij buiten dat vluchtige.

Ik kwam er in de dagen na die opmerking achter dat traagheid soms ook een ander woord is voor aandacht en zorgvuldigheid. Iets waar ik in sommige situaties niet goed in ben maar als het op schrijven aankomt me probeer eigen te maken. Wat verrassend eenvoudig blijkt te zijn. Niets is fijner dan een formulering van een zin te beschouwen, de woorden even te laten dansen met synoniemen, de contructie zo hier en daar te wijzigen om dan na wat technisch gesleutel tot een afgewogen, gebalanceerd en taalkundig mooi construct te komen. Als ware het een spel. Maar dat is het niet.

Er blijken truukjes te zijn en gewoonten die kunnen helpen bij het traag schrijven en aandachtig leven. Twee daarvan zijn maar al te bekend en tegenwoordig ernstig onderschat: pen en papier. Want met een pen op papier schrijven is heel wat anders dan de computer gebruiken voor het in het geheugen knallen van zinnen. De dynamiek is anders. Het resultaat ook. Want papier is weliswaar ongeduldig maar ook nadrukkelijk eenmalig. Als het er eenmaal staat, staat het er en kan het niet meer weg. Tenzij de seriemoordenaar in de schrijver wakker wordt en er weer de nodige geliefden om zeep worden gebracht en hele zinnen, alineas en misschien zelfs hoofdstukken sterven onder de onverbiddelijkheid van de rode pen.

Dus ga ik een rode pen kopen want die heb ik niet. Wel blauwe.

Omdat mijn nieuwe boek iets heel anders wordt dan mijn eerdere werk in heel veel opzichten en dat boek eisen aan mij stelt die niet eerder gesteld werden, heb ik mijn aanpak voor het schrijven van een roman aangepast. Een tipje van de sluier kan ik wel oplichten.

Natuurlijk doe ik nogal wat aan onderzoek. Voordat ik met schrijven begin besteed ik daar heel veel aandacht aan en het onderzoeken gaat ook gewoon door tijdens het schrijfproces. Wel is het zo dat pas wanneer ik nadrukkelijk het gevoel heb dat het verhaal in mijn hoofd zo ver uitgewerkt is dat eigenlijk alle grote lijnen het schetsmatige verruilt hebben voor een solide structuur, begin ik met het ambachtelijke schrijven. Want dat is het in dat stadium: een ambacht. Voordat ik ga schrijven zit de creatieve kracht in de samenstelling van de plot, de karakters, de plaatsen en het tijdspad. Tijdens het schrijven zit dat voornamenlijk in de details (hoe fijnmaziger, hoe leuker om te schrijven) èn in dat magische proces van het componeren van enkele zinnen en het smeden van de alineas. Een proces dat goed vergelijkbaar is met het componeren van een muziekstuk.

Lachrymae, mijn nieuwe roman, komt tot stand met de pen èn met de computer en de opbouw gaat in fasen, die over elkaar heen schuiven. Al maanden ontspint zich een plot rond de belangrijkste karakters in het boek en al schrijvend plaatsen ze zichzelf in scenes, in situaties en op locaties. Alles tuimelt over elkaar heen en door elkaar en aan het eind staan er zinnen, alineas en hoofd stukken. De basis is een serie notitieboekjes met allerlei aantekeningen en feitjes waarvan ik pas later besef wat de relevantie is. Vervolgens schrijf ik met pen in een flinke dummy, zo’n lekker groot gebonden doch maagdelijk boek de ‘master’. Het eigenlijke manuscript waarbij manus, de linker om precies te zijn, het te verduren krijgt. Dat manuscript springt heen en weer over de hoofdstukken al naar gelang er zich een scene aan me opdringt om geschreven te worden. Scenes waarvan ik in grote lijnen weet dat ze er zijn maar waarvan de exacte plaatsing in de tijdlijnen van het verhaal nog niet volledig vastgelegd hoeft te zijn. Het manuscript is dan een soort tijdreis door het verhaal en nog niet zo goed toegankelijk voor de lezer.

Naast dat papieren manuscript dat vol verwijzingen en verbindingen en correcties en doorhalingen staat, laat ik tegelijkertijd mijn computer zweten. De laptop vult zich binnen de definitieve verhaalstructuur met de blokken die in het manuscript staan en de roman onstaat dan echt. In een logisch verband.

De aanpak is nogal afwijkend van hoe ik eerder schreef. Tot dit boek was ik wat ik noem een flits of flow schrijfster. Het verhaal vormde zich in mijn hoofd, fermenteerde een tijd en als de tijd rijp was zonderde ik me af en stortte het verhaal zich in één continu stromende vloed naar buiten. Grof genomen na een maand lag er de eerste consistente versie van het manuscript. Dan volgden de correctieslagen die zomaar een half jaar of meer konden duren om daarna tot een publicatierijp geheel te komen.

Zoniet dus deze keer. Deze keer kies ik voor aandacht. Voor traagheid. Dat doe ik omdat ik schrijf over een tijd die anders is en minder gehaast dan de onze maar ook omdat ik zelf de snelheid zat ben. Ik merk dat mijn teksten mooier zijn op deze manier. De kwaliteit van mijn werk stijgt. Daarbij vraag dit verhaal om grote zorgvuldigheid omdat ik de historie gebruik uit een tijd die ik niet meegemaakt heb maar die ik wel wil treffen èn omdat een flink deel van het boek bol staat van de autobiografische elementen met daaraan gekoppeld een paar behoorlijk controversiële zaken. Deze roman is moeilijk en mooi om te schrijven, verlichtend en gevaarlijk. Dit boek is een zeer emotioneel schrijfproduct en dat vergt geduld, overweging en heroverweging, formulering en herformulering en dus een schrijfproces dat mij dwingt om vooral niet te vervallen in haast of roes.

Over een paar dagen ga ik in schrijfretraite en ik ben er aan toe. Alles in mij schreeuwt om afzondering, kluizenaarschap. De noodzaak om in opperste concentratie zonder verstoringen te kunnen werken is enorm groot. Zelfs na die vier á vijf weken afzondering zal blijken dat dit boek nog een jaar schrijven vergt en misschien wel langer. Er is geen tijdpad voor het schrijven en geen deadline. Dit boek zal klaar zijn als ik de laatste punt gezet heb en er niets meer aan kan veranderen. Niet eerder. Daarmee is het schrijven van dit boek ook een spiegel van mijn leven op dit moment. Waar vriendschappen zijn die zich in evenwicht ten opzichte van mij zetten dan wil ik daar energie en aandacht voor hebben en rust. Veel rust. Dat houdt in dat waar de snelle communicatie een vaste plek in mijn leven heeft (facebook, linkedin en deze schrijfplek zijn een basis voor me), kies ik ervoor om volgend jaar (en nu ook al eigenlijk) de pen en het papier te gebruiken waar ik kan. 2013 wordt een jaar waarin ik weer een papieren agenda ga gebruiken en brieven zal schrijven. Brieven die in enveloppen kunnen met postzegels er op en die met gepaste traagheid naar hun bestemming gaan. Die daardoor ook met meer aandacht gelezen worden en met meer liefde ontvangen.

Misschien ontvang jij wel zo’n brief. Omdat ik het waard vind om hem te schrijven. Omdat ik weet dat een brief een andere kwaliteit in zich heeft dan een emailtje. Omdat brieven, als ze mooi genoeg zijn ook lang bewaard kunnen worden. Uiteindelijk heb ik de brieven van mijn eerste vriendinnetje ook nog steeds na al die jaren. Die lieve vriendin heeft iets in mij wakker geschud. Wat dat op de langere termijn precies betekend weet ik niet maar het voelt goed en ik omarm het als een vergeten deugd. Ik wordt na al die jaren gehaast met liefde weer traag en aandachtig. Hopelijk met veel meer zaken in mijn leven dan het schrijven alleen.

Lieve lezers, ik wens jullie mooie feestdagen en een goed nieuw jaar. Met gezondheid, geluk en heel veel liefde. In december zal het op deze plek vrij stil zijn, ik ben er niet want ik ben weggekropen en schrijf. Met de pen. Op papier. Gewoon omdat het zo moet zijn.

© 2012 Alice Anna Verheij

Eén stap terug, twee stappen vooruit.

Gek.

Ik doe een stap terug en alles lijkt beter te gaan.

Vorige week, vlak voor het weekend werd ik getroffen door verschrikkelijke pijnen in mijn rug en doorstralend naar mijn borst. Het begon in mijn onderrug, trok naar boven, bleef zitten tussen mijn schouderbladen en drukte langzaam naar voren. Alsof er een band strak om mijn borst werd getrokken. De pijn was na een uur zo intens dat ik het ervan uitgilde. Ik kan best pijn hebben, heb het ook vaak genoeg gehad. Maar dit was echt vreselijk. Het hield aan en in mijn ellende belde ik mijn beste vriendin met de vraag me naar het ziekenhuis te brengen. Er werd niets gevonden maar een vermoeden van een mogelijke oorzaak was er wel.

Om kort te gaan, eerder deze week bleek ik flinke galstenen te hebben. Te groot om weg te krijgen en dus zal een operatie nodig zijn. Hoe of wat zal later wel duidelijk worden. Dit stukje gaat echter niet over galstenen of pijn maar over wat het gevolg is voor me en waarom ik daar blij mee ben.

Het punt is dat als je in het bezit bent van dit soort steentjes het verstandig is een paar regeltjes ter harte te nemen. Niet teveel vet eten (deed ik al niet), niet meer roken (deed ik wel maar weinig en probleemloos te stoppen) en rustig aan doen. Rustig aan doen? Ja, rustig aan doen, iets wat ik niet zo goed kan maar waar ik geestelijk eigenlijk al langere tijd grote behoefte aan heb en nu dus lichamelijk ook. Want ondanks alles wat er in mijn leven gebeurt is in de afgelopen tien dwaze jaren is rustig aan doen niet iets wat in mijn vocabulaire zit.

Altijd ben ik met verschillende projecten bezig. Eigenlijk zo lang als ik me herinner. Waar ik vroeger regelmatig die projecten niet afmaakte om uiteenlopende redenen is het zo dat als het echt belangrijke projecten zijn er tegenwoordig wel de resultaten uit komen. Het leverde me in de afgelopen paar jaar een serie exposities van fotowerk op, de publicatie van een paar romans en een fotoboek, een toneelstuk op de planken, liedjes, gedichten en bijna 400.000 keer iemand die op deze plek iets van me las. Vooral dankzij keihard werken wat overigens niet in de pas loopt met verdiensten in economische zin. Maar dat is een ander verhaal dat ik wellicht nog eens schrijf. Al dat werk leidt gelukkig dus wel tot iets en zeker het laatste jaar ook tot de tastbare resultaten waar ik hoe dan ook trots op ben.

Maar die resultaten komen niet zonder een rekening. Een rekening die niet alleen economisch van aard is maar ook mentaal en fysiek. Die laatste twee wegen natuurlijk het zwaarst. In alle eerlijkheid: ik ben moe. Doodmoe. Moe van alle werk, moe van het eeuwige gevecht om het hoofd boven het water te houden en moe van teveel projecten tegelijk. Moe van mensen die van me geprofiteerd hebben, moe van de desinteresse die ik soms proef en moe van idioten die roepen dat een boek ze te duur is zonder te beseffen wat het mij kost in tijd en energie om het te maken of schrijven. Moe van gezeur en gezever. Moe van het jagen en haasten en de druk die er op me ligt of gelegd wordt zonder dat het me echt vooruit helpt. Moe dus.

En dus, alles overziend, heb ik de afgelopen week een paar stapjes terug genomen. Niet meer alles tegelijk willen doen. Niet meer keihard aan een project werken als de mensen waarvoor dat project er is zelf onrealistisch weinig moeite doen om er iets van te maken. Ik heb wat zaken geparkeerd en een paar andere op de (middel)lange baan geschoven. Gewoon om rust in mijn hoofd, mijn lijf en vooral ook mijn hart te creëren. Want zonder die rust gaat het allemaal niet lukken.

Mijn nieuwe boek schrijf ik met een balpen in een passend grote dummy. Dat levert dubbel werk op want ik moet dat ook weer overtikken. Het gaat dus allemaal veel langzamer dan mijn eerdere boeken en dat is behoorlijk wennen want ik schrijf doorgaans vlot. Nu dus even niet. Nu worden woorden, zinnen en alinea’s gewogen. Nu schrap ik als de zin er staat, niet tijdens het inkloppen van de woorden. Ik herlees ze, schrap wat, pas wat aan en gooi veel opzij. De berg teksten die niet in het manuscript zullen landen is sneller aan het groeien dan de tekst die er wel in komt. Ik worstel en vecht met de woorden, ruzie met mijn karakter en de karakters in mijn verhaal en studeer. Elke dag weer ontdek ik iets over een plaats of persoon en soms stapelen die ontdekkingen zich op. Het gevolg is wel dat wat er op papier komt (en deze keer is dat dus echt papier) heel veel mooier is dan wat ik voorheen schreef.

Ander werk naast dit heerlijk boek heb ik voor een tijd naar achter geschoven. Natuurlijk, het Headwind project met de exposities en de film loopt gewoon door en kost me tijd. Ook natuurlijk zijn er nog andere dingen die tijd vergen. Soms wat vormgeving, en zeker ook de stappen die ik in de reconstructie van mijn leven doe. Dat is een soort eindeloos durend project van formele dingen, brieven, gesprekken en acties die me er uiteindelijk bovenop helpen. Maar buiten die noodzakelijkheden is mijn wereld aan het krimpen naar waar het echt om draait: schrijven.

Door mijn schrijfwerk lees ik weer. De afgelopen jaren gunde ik me er de tijd niet voor. Ik ‘las’ doorgaans vier of vijf boeken tegelijk. Ik ben daarmee gestopt en lees nu één boek. Rushdie’s ‘De verleidster van Florence’ in een prachtige Nederlandse vertaling en ik merk dat ik weer kan genieten van zoveel moois.

De stappen terug die ik gemaakt heb maken dat ik zelf rustiger aan het worden ben en dat maakt dat de mensen om mij heen die er wel toe doen mooier worden naar mijn gevoel. Er stroomt vriendschap en liefde en ik kan het zowaar ook zien en ervaren. Om dit te ervaren moest ik wel afscheid nemen van allerlei zaken en van sommige mensen. Zaken die er niet toe deden en mensen die wel tijd van me vergden maar wiens zogenaamde vriendschap ik niet serieus kan nemen door de achteloosheid van hun gedrag. De afgelopen zomer en deze herfst en zeker de laatste weken hebben me duidelijk gemaakt dat het juist die achteloosheid is die ik soms bespeur bij overigens best aardige mensen die er voor zorgt dat ik ze buiten mijn wereld wil houden. Gewoon omdat ik aandacht voor de dingen een belangrijke deugd vind en die niet ondergeschikt wens te maken aan de haast van sommigen en de drukte van zovelen. Heeft iemand het altijd te druk dan is dat voor mij hetzelfde als dat die persoon het gewoon niet belangrijk of interessant vind. Zo iemand zal mijn deur gesloten vinden, ook wanneer zij mij nodig zeggen te hebben. Doet een organisatie er te lang over om een besluit te nemen om me iets te laten doen waardoor ik kan gaan rennen naar deadlines dan pak ik het klusje niet aan want waarom zou ik moeten stressen als gevolg van hun traagheid en zo zijn er nog wel meer van dat soort zaken waar ik me dus niet meer voor leen.

Tot mijn in de eerste zin uitgesproken verrassing is het gevolg van dit alles dat ik me met de dag beter en sterker voel. Meer gericht op waar het om draait in dit gestoorde leven, meer gericht op mijn kunst en op die paar anderen die er wèl toe doen. En ineens blijken er  dan zomaar hele lieve dingen gedaan worden die me heel erg blij maken. Omwille van de aandacht die er aan besteed is en de onbaatzuchtigheid die er uit spreekt.

© 2012 Alice Anna Verheij

Laat me.

Laat me. Een nummer geschreven in het Frans met de titel ‘Vivre’ geschreven en gezongen door Serge Reggiani. Het lied is in de laatste twee jaar in mij gegroeid tot het lied dat mijn leven bepaald. In alle opzichten. Het is een lied over terugkijken op een leven waarin het doel niet altijd duidelijk was, waarin tegenslagen veelvuldig waren net als hoogtepunten. Het is een lied over vriendschappen en trouw aan die vriendschappen. Het is een compassioneel lied dat troost geeft en sterkt wanneer de dagen donker zijn.

En het is een lied dat zich naar voren dringt wanneer het leven zich van onverwachte mooie kanten laat zien. Als een waarschuwing dat succes en slagen in het leven alleen van waarde is als je jezelf niet verliest en je vriendschappen voorop blijft stellen. Zelfs als die een tijd naar de achtergrond verdwenen zijn.

Ik zing niet veel maar dit lied zing ik graag. Liefst met vrienden in een kroeg of theatertje waarbij we elkaar in de ogen zien en genieten van onze vriendschap. Dat zijn de momenten dat het leven is zoals het moet zijn.

Velen zongen het en natuurlijk is in Nederland de versie van de grote Ramses Shaffy onmogelijk te overstijgen want nooit eerder is een lied zo vanuit het hart gezongen als dit lied in Nederlandse vertaling door Shaffy. Alderwereld mag dan later samen met Shaffy en List dit overgedaan hebben maar het origineel is te magisch om te overtreffen. Ook de versies van Herman van Veen die het als ode aan Ramses gezongen heeft zijn prachtig maar wat mij betreft is er in het Nederlands taalgebied maar één echte versie:

De originele Franstalige versie mag niet ontbreken en dus laat ik die hier ook passeren. Geniet er van!

Laat dit lied bij mij blijven, de rest van mijn leven. Als troost, als uiting van liefde en als waarschuwing dat hoe dan ook het leven verloopt zoals het moet verlopen. Nu in deze tijd er aan een horizon schoonheid en misschien liefde lonkt omarm ik ‘Laat me’ als een reddingsboei die me toegeworpen is door het leven. Het komt wel goed. En misschien is het dat eigenlijk al.

“Ik blijf nog lang en lief nog langer, maar laat me blijven wie ik ben.”

© 2012 Alice Anna Verheij

Rode jekjes.

Dat Bollywood feest vanavond, hoe hilarisch leuk ook, ik ga er maar niet naar toe. Ik ben er niet voor in de stemming. Zo’n feest vraagt een zonnetje en vooral veel kleur. Precies dat wat vandaag ontbreekt. De regen stort immers met bakken uit de loodwitte hemel. Het lijkt wel moesson terwijl dit toch echt niet het plekje op aarde is waar die dagelijkse douche zich laat voelen. De regenbuien zijn niet gewoon. Althans, ik vind ze niet gewoon. Al is het alleen maar omdat een vrolijk Indiaas feest als vanzelf een grauwsluier over zich krijgt die vergelijkbaar is met een verkeerd gewassen sari. Aan de andere kant, ik ben niet in Zuid Azië helaas. Ik werd daar vannacht in een telefoongesprek over 10.000 kilometer afstand weer aan herinnerd. En dat doet een beetje pijn.

Het is een schrijfdag. Een beetje deprimerend en dus in mijn hoofd goed te plakken op het wat grauwe sepiabruin-witte beeld van Londen in de Edwardiaanse tijd. Daar komt nog bij dat ik vooral behoefte aan introspectie heb. Na een Parade week waarin theater, kleinkunst en kleur vergezeld gingen met wijn en leuke mensen om me heen, is het vandaag gewoon tijd om adem te halen. Die regen aan de andere kant van het glas van de ‘Emma’ spoelt de dreiging van sleur over het anders zo vrolijk ogende plein met de obelisk in het midden omringt door roomwitte, rode, gele en roze rozenperken. Het lijkt de mensen niet te raken en het terras zit vol op die plekken waar een groot regenscherm het toestaat om te genieten van koffie, soep of een biertje. Ik ben toch maar aan de andere kant van het glas gaan zitten. Net een beetje warmer en ik hou van de kleur van donker kroeghout en gele lampen. De koffie smaakt er een beetje Frans door.

Vijf kratjes Coca Cola op een steekwagentje met er achter een doorweekte jongen rollen me voorbij. Op de achtergrond zingt een bedplasser in slepende zang een gematigd deprimerende tekst. Mijn nieuwe liefde moet ik nog ontdekken terwijl drie lege kratjes mijn tafeltje voorbij gaan. Zo af en toe komt er een stelletje binnen, meestal voorzien van een paraplu maar zonet een jongen en meisje die duidelijk niet gedacht hadden een regenschermpje mee te nemen. De volgende kratten die langskomen bevatten flessen whisky en wodka. En ik vraag me af waarom ik het prettig vind om me te hullen in de geuren en het geroezemoes van deze postmoderne variant op een ouderwets grand café. Alles in het interieur is immers nèt te nieuw, net niet origineel en van nèt iets teveel kunststof voorzien. Het leer van de stoelen is geen leer en het hout van het tafeltje waar ik aan zit is geen hout. De muziek die ik hoor is een cover die matig uitgevoerd wordt en een flink deel van de mensen zijn van plastic. Of ogen als zodanig. Het is een kunstmatige wereld en ik zit er tussenin alsof ik in een soort parallel universum leef. Niemand ziet me, ik zie iedereen.

Het maakt me gepast weemoedig. Precies zoals het moet zijn op een dag als vandaag. Het echtpaar met de rode SP jekjes neem ik maar voor lief. Ze zijn in die andere wereld die niet meer in mijn cocon past. En ik? Ach een week zonnetje breekt door het grauw. Ik ben gelukkig.

© 2012 Alice Anna

Over een zeemeeuw.

Jaren geleden, ik zal zo rond de zeventien jaar zijn geweest, las ik een boek waar ik via de muziek bij uitgekomen was. In die tijd was Neil Diamond een heel bekende zanger en scoorde hij hit na hit. Tegenwoordig maakt hij nog steeds bijzondere muziek met zijn net zo bijzondere en herkenbare stem maar kennen nog maar weinigen hem.

Ik luisterde naar muziek, las boeken en dacht over dingen na waar de meeste van mijn leeftijdsgenoten niet naar luisterden, niet lazen of niet over nadachten. Ik was anders. Net als die zeemeeuw uit het boek. De muziek die me naar het boek bracht was de soundtrack van de filmflop ‘Jonathan Livingstone Seagull‘. Het boek, een novelle van Richard Bach is een fabel over een zeemeeuw op zoek naar het hogere in het leven en een hogere zelf. Achtereenvolgens komen materialisme, trouw aan jezelf blijven, het voorop stellen van de liefde en ten slotte de onbaatzuchtigheid aan de orde. Stappen om te komen tot een hoger niveau wat misschien wijsheid genoemd kan worden om daarna die wijsheid in te zetten voor de samenleving die je verstoten heeft maar waar je wel uit afkomstig bent.

De fabel laat de weg zien die de zeemeeuw Jonathan aflegt wanneer hij de ambitie heeft om harder en hoger en mooier te vliegen dan welke ander meeuw ook. Hij kan het niet alleen en ontmoet twee andere meeuwen die hem helpen alsof het engelen zijn. Het zijn meeuwen die vliegen omdat ze plezier in het vliegen hebben. Dat in tegenstelling tot de vlucht meeuwen waar hij uit afkomstig is en die geleid wordt door angst, verveling, materialisme en domheid. Hij wordt uitgestoten, verbannen. Dan ondervindt hij hoe het is om niet te leven als een meeuw tussen honderden anderen in de grote groep. Hij leert om zich te sterken door het zijn van die uitzondering. Nog belangrijker leert hij dat er zoveel is dat er niet toe doet maar waar de andere meeuwen naar lijken te streven. En tot slotte leert hij dat hij moet blijven werken aan de liefde voor zichzelf om in staat te zijn om te vergeven. De meeuwen die hem helpen leren hem terug te keren naar zijn eigen waarden en om keuzed te maken. Uiteindelijke keert hij terug naar de vlucht meeuwen en kiest er voor om de samenleving te helpen met wat hij geleerd heeft.

foto: © 2012 Alice Anna Verheij

De fabel is haast religieus van karakter maar onderstreept vooral het belang van het streven naar een hoger plan en een hogere zelf waarbij non conformisme meer dan alleen maar een levenshouding is. De non conformist wordt degene die leert wat er wel toe doet in het leven en wordt daarmee een voorbeeld en inspiratie voor anderen. Het beeld van het verhaal komt nog het dichtste bij het Boeddhisme omdat het er vooral om draait om zelf op een hoger plan te komen tot nut van de wereld. De overeenkomst met de draaipunten in mijn leven zijn opvallend. Nog bijzonderder is voor mij dat ik het boek en de muziek nooit vergeten ben en nog steeds mooi vind. Omwille van de boodschap en de manier waarop die vervat is. De film is het kijken niet zozeer waard tenzij je een liefhebber van ouderwetse technische trucjes bent om radiografisch bestuurde ‘meeuwen’ lange glijvluchten te kunnen laten maken.

De meeste bekende song van de soundtrack is ongetwijfeld ‘Be’ van Neil Diamond. Ik heb het altijd prachtig gevonden ondanks de wat overdadige galm en de bombast. De tekst is sterk en heeft me soms geholpen. Voor mij is de God in de tekst vooral de kracht van de mens om boven zich uit te stijgen. Als ik het zo lees wordt de tekst van religie ontdaan en terug gebracht naar waar het boek om draait: een bemoediging dat anders zijn, de uitzondering zijn, niet negatief is maar juist van belang in een wereld die grijs en grauw en de weg kwijt is. Zo gelezen is die bemoediging bijna veertig jaar nadat de film en de soundtrack verschenen nog van groot belang.

Lost
On a painted sky
Where the clouds are hung
For the poet’s eye
You may find him
If you may find him

There
On a distant shore
By the wings of dreams
Through an open door
You may know him
If you may

Be
As a page that aches for a word
Which speaks on a theme that is timeless
And the one God will make for your day

Sing
As a song in search of a voice that is silent
And the sun God will make for your way

And we dance
To a whispered voice
Overheard by the soul,
Undertook by the heart
And you may know it
If you may know it

While the sand would become the stone
Which begat the spark
Turned to living bone
Holy, holy
Sanctus, sanctus

Be
As a page that aches for a word
Which speaks on a theme that is timeless
While the one God will make for your day

Sing
As a song in search of a voice that is silent
And the one God will make for your way

© Alice Anna Verheij


Making promises.

I feel I have to make myself a promise. A promise for the future, like promises are meant to be. Thing is, my life was in shambles and I am slowly on my way back getting better and stronger by the day. Sure, I do have these depressed days every now and then and things are not in order. At all. But I’ll get there someday. My current efforts are focussed on become whole again, getting a normal life with my own place to live on an economic level that’s realistic. So I got these two rooms in this old house  in which I live now. And I have this atelier in which I can work and a small motorbike to travel from the one place to the other.

I’m working on my film although it becomes increasingly difficult to do that. And I write. Every day I write. Books are in the making and I do all kinds of other stuff like building websites and taking photographs of whoever at whatever place on whenever time and day. I should feel happy because of all that but I’m so sorry that I’m not. I am in this somewhat happy – somewhat sad mode for most of the days. The thing that makes me happy most is the growing quality of my work as an artist, I am after all a fast learner when it comes to the concepts of my life and work. I never stand still and maybe that’s part of the problem.

I will continue writing and I will continue filming. Writing about other peoples lives, imaginary or not. Filming other peoples life. Because I’m scared to do both on my own life. But that is where the promise comes in. I promise myself that when the time comes I will try to move to New York. For a year. And film it. A year in New York.

You see, I have this urge. More of dream actually. An urge to live in that strange city and go under in anonymity and feel. Feel the heartbeat of tat city. Experience the life a New Yorker. Moving in circles of older artists who still create amazing work. Connecting with young artists who try to stand out. And film all that and write about it. I want to make a documentary about the life of the not well known artists of New York.

So, when Headwind is finished and when the next film on which idea I am currently working is finished. And in between my life and filming in Nepal which I really very much want to continue for the next few years, there should be that one year in New York. So I promise myself to do that. When the time comes. Because I still have dreams. In the meanwhile I love to share this five minute film made by Andrew Clancy, a cameraman who inspires me so much with this work.

Alice © 2011

Gezocht: steen.

Ik zoek een steen. In een vierkante blokvorm van zo’n 50x30x30 centimeters of daaromtrent. Om op in te hakken.

Het zit zo. Al heel erg lang beweegt mijn kunst zich in drie dimensies. Immers schrijven, schilderen, tekenen, fotograferen en filmen manifesteert zich in het platte vlak waarbij het tijdelement of een equivalent de derde dimensie vormt. En ook al heel lang heb ik de behoefte om me te wagen aan een vierde dimensie. Om het platte vlak verlaten en mijn kunst ‘beetpakbaar’ te maken. Liefst op basis van een materiaal dat mij fysiek uitdaagt. Steen dus. Omdat het vormen daarvan vergt dat ik mijn handen laat werken.

Het is een behoefte aan compensatie voor die andere kunst die vooral ‘hoofdkunst’ is in de zin dat mijn brein bepalend is voor wat er gemaakt wordt. Bij schrijven is dat net als bij het tweedimensionale visuele evident. Daarbij speelt in mijn werk esthetiek een grote rol en het mezelf uiten in dat platte vlak met een door mij gewenste esthetische kwaliteit vergt veel van mijn hoofd. Om niet scheppend ten onder te gaan daarin wil ik dus vooral met mijn lijf aan de slag. Niet in de zin van het verbeteren van dat eigen lijf maar het gebruiken er van. Te beginnen met mijn handen die wat mij betreft dus aan het werk moeten. Maar ook door na te denken over dat lijf en of en hoe ik dat weer kan gebruiken als inspiratie voor wat ik wil maken.

Gisteren was ik op een plek in de stad die nu ineens mijn atelier is geworden. Tussen andere kunstenaars in en toegankelijk wanneer het mij uitkomt. Zoals het hoort in een atelier. Waar ik zonder dat iemand ook maar enig kader zet vrij kan werken. Hoe dat tot stand gekomen is dat er nu dus die atelierruimte is, is niet van belang anders dan dat het een geboorte is vanuit de betrokkenheid van iemand in mijn directe omgeving op mij en vice versa. Chemie schijnt dat genoemd te worden hoewel er geen vermenging van stoffen plaats heeft gevonden anders dan endorfine, adrenaline en dergelijke.

En dus zoek ik een steen van omschreven proporties. Zodat ik daar op in kan hakken en die steen veranderen in een lijf. Ergens in mijn hoofd tuimelen beelden over elkaar in een worstelend verlangen om zich te zien landen in die steen. Alsof de fascinatie voor anatomie die ik al lang ken nu eindelijk maar eens gevisualiseerd moet worden. Vandaag ga ik dus naar stenen kijken en misschien vind ik er één.

Ik weet niet zoveel van steen en nog minder van de techniek van het beeldhouwen en – hoewel de kunst academen het niet met me eens zullen zijn – is dat denk ik een voordeel. Een voordeel omdat er een risico in zit dat verkeerd houwen kan betekenen dat de gekozen steen in het proces van het beeld vormen een vorm aanneemt die niet mijn bedoeling is. Het punt is dat ik geïntrigeerd ben door de nadrukkelijke eenmaligheid van de handeling van de beeldhouwer. Waar de schilder en boetseerder zich nog kunnen corrigeren is dat de houwer niet gegeven. De splinter eenmaal van de steen gehakt laat zich niet herstellen en daarmee is het houwen van een beeld een uiting die zo puur is dat het wat mij betreft een waagstuk is dat ik graag aan ga.

Woensdag moet de steen er staan, omringt met de juiste beitels, hamers en dergelijke. Mezelf kennende gaan er platte vlak interpretaties vooraf aan het plaatsen van de beitel tegen de rots omdat ik nu eenmaal altijd vanuit een plan werk. Ik zal wel zien hoe me dit vergaat. En of het beeld in mijn hoofd zich laat vormen in steen. En misschien – heel misschien – laat ik zo af en toe eens zien hoe de steen zich onder mijn handen vervormd tot dat wat het onafwendbaar moet worden.

Ik weet niet eens hoe zwaar een steen is van het formaat dat ik in mijn hoofd heb en welke steensoort zich door mij laat temmen maar gelukkig maakt het niet uit als ik alsnog schrijf in plaats van hak in mijn atelier.

Alice © 2011

Hella S. Haasse (1918-2011)

Hella Serafia Haasse, 1918 – 2011

I am deeply saddened by the death of Hella S. Haasse, in my eyes the greatest Dutch writer in the last two hundred years. Living with the thought that there will be no new novel or essay coming from the Grand Old Lady of Dutch Literature feels like a personal loss as she has for many years been my inspiration.

My admiration did not start with her greatest success (and almost inevitable must-read for high school student) Oeroeg but with that other novel that tells also a tale set in Indonesia. Although I never have been in that country the way Hella Haasse wrote about landscape, atmosphere and culture made me understand, smell and taste that wonderful country. She was born in that country and somehow her writings were often connected with it. Sometimes when I write about my beloved Nepal I try to understand how to describe that land in Hella’s fashion. Not mimicking her style but expanding on it. I find it extremely difficult to do that which tells me what amazing qualities she as a writer had.

But it wasn’t only her books set in the Indonesian landscape. Novels like ‘Het woud der verwachting’ (The Forest of Expectations) about Charles of Orléans, ‘De wegen der Verbeelding’ (The roads of imagination), a contemporary literary thriller and so many other compelling literary novels were written based on strong research and experience combined with limitless imaginary powers. She researched like a true historian and the result of her research was transformed in a list of novels and essays of amazing quality. Still, international recognition has only come from France and not so much from other countries. She never won a Pulitzer or Nobel prize (but she did win the most prestigious Dutch prizes) and that actually is too bad for the foundations behind these prizes. She would have been a just winner.

I have no plan to write a long obituary about her as I guess most literary columnists and literature watchers will do that too often in the coming days and weeks. To let you, my reader, understand why there is no Dutch writer that has inspired me the most is Miss Hella Haasse, the best I can do is to show some lines of text from one of her publications. As only the written word of the writer truly shows what that writer is all about.

Miss Hella Haasse, I’ll miss your beautiful literature but I am also happy with the grand legacy that you have left to both the Dutch and the world literature. You were an amazing writer, one the best. After ninety-three years your pen will not jot down any word anymore on another piece of paper. In deep respect I want to show this citation from ‘Het woud der verwachting’ (The Forest of Expectations) to my audience hoping they will start (re)reading your wonderful work.

‘Als dan de zomer kwam, met zon en bloemen en diepgroen loof, verliet zijn moeder haast dagelijks haar kasteel om buiten te zitten op het gras, kransen te vlechten en kruiden te verzamelen. Vaak ook reed zij paard; het tuig was met vergulde knoppen beslagen en met belletjes versierd en gouden franje hing aan schabrak en zadeldek. Zo ging zij op jacht, met een valk op haar handschoen. Mooier zag Charles zijn moeder nooit, dan wanneer zij na zulk een tocht thuiskwam, met rode wangen en heldere ogen.’

‘So when summer arrived, with sun and flowers en deep green loaf, his mother almost daily left her castle to sit outside on the grass, weave wreaths and collect herbs. Also she often rode horse:; the reigns budded with gold plated knobs and bells and golden frails hanging on the caparison and saddlecloth. Like that she went hunting, with a falcon on her glove. Charles never saw his mother more beautiful, then when she came home after such a tour, with red cheeks and bright eyes.’

Alice Verheij © 2011

Thank God I’m a dreamer.

Sorry for the Dutchies that I do write in English more often but I understand my audience has broadened and has became global. Welcome, my friends from Nepal, Bhutan, the US, Canada, Australia, Germany and some other countries.

Thank God, I’m a dreamer.

Sometimes people do not take me all that seriously because I seem to be a dreamer. I don’t mind. Thing is, I truly am a dreamer as I dream almost every night and there are days that I dream even during the day. Above my pillow hangs a dreamcatcher as I believe dreams have intentions, sometimes. Or often. Dreams are like distorted reflections in the mirror. They occasionally show in their mixed up way things, situations and people that and who are significant. There are nights that far away friends come to me in my dreams or even my parents show up although they’re deceased.

Dreams are in a certain way also projections of a future to me. They kind of lead the way which is comforting to realize. It means that maybe my way is predestined. And no, I do not believe in the Protestant way of thinking about predestination. I do however believe the things are as they are because there is no other logical way for them to be. Situations are there and certainly not always changeable. Ever so often a person has to except a reality for what it is: real. A fact. To be handled and thought about and to be analyzed and valued. On rare occasions dreams bring me a clear projection of my own future helping me to make decisions that will in the end help me to reach that future. Dreams are in such cases just images of my own ambitions.

But in even rarer situation dreams are threats. Telling me to be careful with a situation or person. They’re cautioning me in such instances and that is good. They’ve often be guardians for me keeping me on the right track or away from distractions and dangers. My dreamcatcher is of course in reality nothing more than a construction of wood, rope and beads. But for me it has importance. Just like my home altar has importance for me albeit that I am not religious in a sense that I can connect to a specific religion exclusively.

And in most cases dreams are nothing but a mental visualization of my personal desires. Desires for a love that I haven’t found yet to the extend that I would love to have. Desires for becoming a more whole person or for becoming an artist in its true sense. Desires for a more simple life and for truly becoming a Bohemian who has the capacity to travel, write and create in one orgastic wave of creativity. As clinical, logical and rational daily life often is, so tranquil and thoughtful can my dreams be. So I quite often let my dreams guide me in choosing the things to focus on in daily life. And after many, many years of sorrow and head wind I have reached the point that I think I understand myself and understand what my place is in this crazy world. By chasing my dreams. Please if you want to give yourself a gift let it be dream guidance.

Therefore I hope to stay the dreamer I am and I know I am not the only one.

Alice © 2011

Monning ma’am, blackfust is leaddy.

Almost every morning around seven he comes to my room. Sometimes he doesn’t have to because I am already up and writing at the terrace behind the kitchen. But most of the days he climbs the few stairs, knocks on the door announced breakfast with the very same sentence: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. I am his only guest for most of the days, you see. The few times I was up earlier usually had to do with other guests being present. Nepali’s tend to wake up around five and start a noise morning ritual, especially when they are in a group.

Breakfast terrace view

Like little chubby penguins they invade the ladies bathroom and start washing themselves taking no notice of the fact that this other strange guest in the room next door is still trying to get some sleep. With total disregard for the ungodly hour, they chatter like the Nordic birds making more and more noise by the minute. After half an hour the penguins have made a complete mess of the bathroom with water everywhere on the floor, bits of soap laying around and penguin hair in the outlet of the shower making me skipping my morning shower and having a quick wash instead. There’s no one there to smell me anyway. These are the days that this rather nice place turns into what it sometimes also is: some sort of group accommodation for any group that is prepared to pay the (low) price to stay, sleep, dismantle the bathroom and eat here.

But in this time of the year, such groups are seldom here leaving me as the only guest. Thank Buddha or any other holy creature for that. And some mornings I just can’t get myself to go out and write before seven. Thing is I am always awake before six thirty and when I don’t feel getting up I just lay there dozing away. And then, just before seven as regular as clockwork I hear his footsteps on the stairs. With a pause when he crosses the little platform in between the first and second part of the stairs. Then there’s the knock. Well, actually three knocks. Not very quick but in rhythm that proves that the man is not in a hurry. Like one knock per second. Knock… knock… knock. Sometimes my door is already open and I am just resting on the bed, sometimes I am in the adjacent bathroom that I have for myself and sometimes the door is still closed and I am still in a near sleep.

Then that same sentence comes out in a way that I can’t really copy as it sounds very much like a Chinese in a kids cartoon: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. There are days when I hear the other two sentences two announcing ‘lunch’ and ‘dinnu’. Except for the breakfast and on days the cook gets enthusiastic, the announced meals are generally the same with rice and daal, some veggies and water, tea or instant coffee. Meager but solid meals that the people seem to like so much that they eat it every day. Not that they couldn’t cook anything different but they simply don’t. Blackfust on the other hand is a daily surprise. An occasional pancake or toast with jam and a boiled egg or fried eggs and a bowl of some sort of soup made of a combination of tomatoes, chilly and beans with some chunks of potatoes in it. Not exactly my cup of early morning soup but I’ll endure it anyhow. On other days there might very well be some bread. That is, hollow pieces of backed dough that have a vague resemblance with what I would think that a croissant might be. The tea however is of unprecedented taste. Especially when the man makes milk-tea and not black tea. For whatever reason the milk teas come with ginger or cardamom making them very tasty and the black tea usually is cooked too short to capture the taste of the tealeaves, so the superfluous amount of sugar prevails making that more like cups of sugar-water. No surprise that I prefer the milk tea.

I’ve began to like the blackfusts, sitting in the shadow with some light food overlooking the valley and in this monsoon season seeing only the tops of the mountains to the north making them look like floating white islands in a sea of light hazy blue skies. As if they were mirages and not mountains or distant thugs of war on a great sea. The blackfust marks the most productive part of my days. Here I am a morning-writer and not a night-writer, what I used to be. The morning mind still being fresh makes me write different and without any hinder from distracting thoughts. It allows me to be emotional while writing the emotional passages and strong when writing the strong passages. Writing here seems not difficult at all as the place and my mindset give me over a chapter a day making me wonder what would happen if I would be here not for a month but for a year. Somehow inspiration seems to be all around in an unprecedented sort of simplicity.

I am learning the sounds of the animals, the cry of the mountain eagle, the beo in the trees behind the dormitory, the crickets of which some are as big as seven centimeters and sitting as still as a statue. The dogs that come bye every now are quiet and I got to like the black one that although she looks awful has befriended me on the first day and follows me around wherever I go when she sees me. Oh, and the hundreds of little birds with nice colors and sounds in an endless variety from squeaks and whistles to short songs and bird rhymes. I like them most as I like the mosquitos the least. The little devils that seem to be able to enter my bedroom in numbers that are always bigger than my ability to squash them with the carton of the big map that I have with me, leaving me every morning with yet another four or five traces of mosquito bites on my arms and legs or more awkward places. The worst is that they prevent me from sleeping naked as I don’t want to be a to obvious target for them. It’s strange loosing habits here.

All in all, I love this place with it’s people, except for the penguins that is, the sounds of the animals, the simplicity of life here, the mountain views and the starry nights showing more stars than I have ever seen in my life and with Kathmandu laying in the valley in between the hills in the south. The big, noisy and stinking city with it’s mysteries, beauty and the filth and lack of compassion for the poor. But from a distance compiled of little white dots that shine in the sun during daytime while in the night being a compilation of blinking silver and golden lights like an army of fireflies waiting before the great battle with the dawn. That is, until blackfust is leaddy again.

Alice © 2011