Het is om te janken.

Het is om te janken, het is om te janken zo mooi.

Maarten Roozendaal is niet meer. Gewoon, zomaar. In korte tijd, een half jaartje of zo, kantelde zijn leven naar het niet leven.

Als een leeftijdsgenoot sterft, Maarten was van het mooie jaar 1962 dat ook mij voortbracht, als een leeftijdsgenoot sterft dan krijg ik een klap in het gezicht van mijn zelfvertrouwen. Zoiets zet me op mijn plaats. Doet me beseffen dat sterven misschien gewoner is dan leven. Er zijn immers meer gestorvenen dan levenden. Het maakt dat ik nog nadrukkelijker de angst voor het niet voluit leven voorbij wil. Zo ongeveer als de yellow roman candles van Kerouac. Maarten was een dichter. Sommigen zeggen liedjesschrijver of kleinkunstenaar. Maar voor mij was hij een dichter. De melodie immers was ondergeschikt aan de teksten die hij schreef en met zo’n aantrekkelijke intensiteit er uit gooide. Rock & roll is niet voorbehouden aan musici.

Trouwens, volgens mij zit Maarten nu ergens tussen die Nijgh en Vinkenoog ons te bekijken. Met een glas in de ene en een sigaret in de andere hand. Nijgh plagend om zijn softe teksten en door Vinkenoog geplaagd wordend want hoewel die twee voor mij op dezelfde eenzame hoogte van de Nederlandse poëtische ladder staan was Simon toch net even complexer. De drie kijken naar ons en zitten vast grappen en grollen te maken over die rare Hollanders die zich druk maken over wat er niet toe doet en ondertussen vergeten te doen wat zij deden: leven. Want geleefd heeft Maarten. Gezopen, gerookt en vast de rest ook wel. Ach, daar komt Martin Bril ook even. Ramses zit op een bankje aan de zijkant en kijkt koninklijk toe. Aan de andere kant zit Toon, met een glimlach. Hij schrijft een lief gedichtje.

Het is druk geworden daarboven. Alle mooie mannen van de taal lijken zich er verzameld te hebben en dat betekent als vanzelf dat het hier beneden verdomde leeg is geworden. Het gat dat al geslagen was in de afgelopen jaren is weer een beetje groter gemaakt door het vertrek van Maarten. Met stille trom, zonder al teveel gerucht. Gewoon uitgedoofd in een half jaar. Weg. Old soldiers fade away immers.

Het maakt het er niet leuker op hier en precies om die reden denk ik dat we maar een beetje ons best moeten doen om ons niet te laten afleiden door het gesodemieter van de politiek, de crisis, het geweld en de oorlogen en wat God, Joost of wie dan ook nog meer weet. Misschien moeten we maar wat gemakkelijker worden en onszelf het leven toestaan. Verliefd worden omdat dat zo lekker is, drinken als we willen drinken en met hedonistisch genoegen de bohémien uithangen. Want uiteindelijk doet het er allemaal niet zoevel toe. Voor ons vele anderen, of eigenlijk na ons vele anderen. Misschien moeten sommigen van ons meer een Maarten worden. Want hoewel zijn leven te kort was, was het wel een leven. In alle opzichten. Met passie, met woorden, met poëzie, met liedjes. Die allemaal achter gebleven zijn als een groot kado aan een wereld die er allemaal geen donder van begrepen heeft.

Maarten, het ga je goed daar man. Doe die andere mannen de groeten. Ik neem er eentje op je ondanks dat ik het flauw vind dat je vertrokken bent. Dat, Maarten, is gewoon helemaal niet leuk van je. Maar het is je vergeven. Want al valt het niet mee, het lukt ook zonder jou.

© Alice Anna Verheij

Geleende gedachten.

Dezer dagen gebeurt er meer in mijn leven dan ik zelf wellicht doorzie. Aan veranderingen ben ik gewend. Aan nederigheid en het accepteren van iets wat men lot noemt ook. Ik ben gewend geraakt aan niet verwezenlijkt krijgen waar ik van droom. Aan niet verwerkt krijgen waar ik mee worstel. Ik ben gewoon om niet meer te kunnen leven op een wijze die voor de meeste mensen van mijn generatie eigenlijk de gewoonste zaak van hun wereld is.

Maar hun wereld is niet mijn wereld.

Ik ben gewoon te reizen in mijn hoofd en soms in de realiteit. Altijd speelt het verleden daarbij een rol in een soort samenhang met mijn heden op een vooral ondoorgrondelijke wijze. Ik ruil mijn verdriet, angsten en gebrek uit tegen passie voor wat ik schrijf of fotografeer en vooral met wie ik dat samen doe. Mijn pen, papier, computer, ze zijn mijn gereedschap. Een uitgestelde mond die pas spreekt wanneer een ander me leest. Nooit is dat op het moment dat mijn handen vastleggen wat mijn gedachten mij vertellen. En zelden spreek ik mijn diepste gedachten uit, hoe intiem mijn tekst soms ook lijkt te zijn voor wie mij leest.

Dat is mijn wereld.

Na jaren intensief schrijven en bouwen aan wat mijn droom is, vecht ik tegen slijtage. Tegen vermoeidheid. Ik vier de kleine victories en mijn ziel poogt zich te verbinden met andere zielen die zijn als ik. Om dat te duiden lees ik verhalen uit de tijd die mij als geen andere tijd intrigeert. Over mensen die mij door hun leefwijze aantrekken. Ik lees hun werk, hun gedachten, hun pijn, hun liefde. Ik lees liefdesbrieven.

Hun wereld is een beetje mijn wereld aan het worden.

vita virginia

Ik heb idolen. Dat is het goede woord. Ernest Hemingway natuurlijk, mijn eeuwige inspiratie. Sinds een tijdje lees ik de boeken van Vita Sackville-West en Virginia Woolf’s werk. De afgelopen tijd heb ik hun liefdesbrieven gelezen en ben daar diep door geraakt. Want ik herken ze. Ik proef de stille liefde, de verhulde passie, de soms platonische maar o zo vaak nauwelijks verhulde liefde tussen hun geest, hun ziel. En ik herken het. Ik herken dat als mijn eigen gedachten, mijn eigen woorden en mijn eigen stille en ongeschreven teksten. Ik herken hun devote toewijding aan wat zij het liefste deden: schrijven. Ik herken dat zij dat konden door de verbinding die zij met elkaar hadden als vakgenoten, als geliefden hoewel die liefde lang niet geconsumeerd werd in de zin die men tegenwoordig maar al te gemakkelijk ziet als de enige basis waarop mensen zich verbinden met elkaar. Zij waren zo liberaal, zo gesofisticeerd in hun levenswijze. Zo niet angstig voor de consequenties van het helder willen zijn over hun gedachten, gevoelsleven, liefde en kunst.

En ik wil mijn wereld zelf ook zo graag zo ingevuld zien worden.

Niet in alle aspecten, maar wel in een aantal essentiële, is precies ook dat wat er gebeurt. Terwijl dat gebeurt en scheppen in vriendschap en samenwerking de basis is geworden van mijn leven voel ik ook de angst die in hun liefdesbrieven sluimert. De angst om het te verliezen. Wanhoop zelfs soms en vooral de vermoeidheid die het grootst is vlak na het gevecht. Vooral ook het besef dat achter blijft wanneer het gevecht tegen het verzwijgen van het eigen gevoel verloren is.

Dus ben ik gestopt met vechten, aanvaard mijn vermoeidheid na alle jaren, omarm mijn toekomst zoals die zich nu aan mijn ontvouwd en besef dat het mijn gedachten zijn die mijn grootste goed zijn. Tegen de stroom van de ratio in kan ik zeggen dat ik eindelijk van mijzelf hou. Genoeg om verder te kunnen en te willen. Die vermoeidheid zal minderen, de basis steviger worden en ik weet net zo min als Vita en Virginia wisten toen liefdesbrieven tussen hun wisselden hoe het zal eindigen. Ik weet hoe het hun verging. Toch ben ik mijn angst voorbij. Juist nu mijn leven eindelijk de vorm krijgt die het moet hebben, nadat mij na al die jaren en pijn mijzelf duidelijk is geworden wat mijn essentie is. Juist nu blijk ik te mogen vertrouwen op mijzelf, op wat ik maak en hoe ik dat zelf waardeer.

Dit schreef Vita aan Virginia, het passionele antwoord kwam later. Dat antwoord is bekend geworden bij de literaire liefhebbers maar de vraag die het antwoord ontlokte in mindere mate. Daarom citeer ik die tekst hier. Hoe het anderen vergaat die dit lezen weet ik niet maar ik begrijp het alsof ik het zelf geschreven had. Het zijn daarmee geleende gedachten. Ik sta mijzelf dat toe. Voor even. En leg dit opnieuw vast, in een andere tijd en een andere omstandigheid. Voor wie het aan gaat.

…I am reduced to a thing that wants Virginia. I composed a beautiful letter to you in the sleepless nightmare hours of the night, and it has all gone: I just miss you, in a quite simple desperate human way. You, with all your undumb letters, would never write so elementary a phrase as that; perhaps you wouldn’t even feel it. And yet I believe you’ll be sensible of a little gap. But you’d clothe it in so exquisite a phrase that it should lose a little of its reality. Whereas with me it is quite stark: I miss you even more than I could have believed; and I was prepared to miss you a good deal. So this letter is really just a squeal of pain. It is incredible how essential to me you have become. I suppose you are accustomed to people saying these things. Damn you, spoilt creature; I shan’t make you love me any more by giving myself away like this — But oh my dear, I can’t be clever and stand-offish with you: I love you too much for that. Too truly. You have no idea how stand-offish I can be with people I don’t love. I have brought it to a fine art. But you have broken down my defenses. And I don’t really resent it.

© 2013 Alice Anna Verheij

Het huisje aan de vijver.

Foto’s: Island Hideaway- jak w bajce

In dit huisje wil ik wonen
ver weg bij de vijver
tussen bomen en bloemen

Met een veranda
en een ligstoel voor jou
voor mij een keukentje

Ik bak dan appeltaart
van die lekkere met rozijntjes
en maak thee met honing

En als het regent
staan er binnen twee stoelen
waarvan er eentje schommelt

De bedden zijn zacht
in de nacht en verleidelijk
vooral bij kaarslicht

Daar in dat huisje bij de vijver
kunnen we dan dromen
over vroeger en later

Er staat een schrijfbureau
met helder wit papier
zodat we kunnen schrijven

Jij een verhaal
ik een gedicht
en samen een lied

© 2013 Alice Anna Verheij

Haat, liefde.

lovehate

Ik gebruik het woord zelden. Nou ja, nooit eigenlijk. Het is me te hard, te gericht op een ander, te agressief. Het is alles wat ik niet wil zijn, wat ik niet wil voelen. Maar er zijn soms momenten dat ik niet om het woord heen kom. Gewoon omdat het op de beste wijze verwoord hoe ik me voel, wat ik voel. Omdat het de beste omschrijving is die ik kan bedenken. Juist door die hardheid, de agressiviteit.

Haat.

Vandaag is de tegenhanger van dat woord de reden dat het zich in me naar boven gevochten heeft. Ik haat. Ik haat het om afscheid te nemen. Iemand te moeten laten gaan omdat dat nu eenmaal het enige is dat mogelijk blijkt. Zelfs als is het voor maar even. Want als je een belangrijk deel van je leven met iemand deelt, en ik bedoel echt deelt, delen in de zin van elkaars diepste en donkerste geheimen kent, elkaars tranen opvangt en samen onbegrensd plezier hebt, dan is het verdomde moeilijk om die persoon te laten gaan. Zelfs als die persoon niet je geliefde is maar misschien de zus die je je hele leven al wenste. Juist wanneer je een andere zus hebt die jouw bestaan in alles ontkent. Op zo’n moment haat ik. Dan haat ik dat moment dat het vliegtuig vertrokken is en de stilte van het niet kunnen delen zich onbarmhartig aan me opdringt.

Het is het haten van het zijn van de goede vriendin, misschien de beste vriendin maar niet dè vriendin. Het is het haten van het leven als een solitair wezen terwijl nu juist het samen leven en beleven zo kenmerkend, zo karakteristiek is voor wie ik ten diepste ben. Ik ben, dat weet ik maar al te goed, niet geschikt om solitair te leven. Dat soort leven is voorbehouden aan herten, gazelles en katten. Maar ik ben een mens. Ik leef bij de gratie van de interactie met anderen. Die interactie is bij sommigen intens en zonder uitzondering is er bij die intense verbinding die ik kan hebben met iemand sprake van liefde. Dat hoeft niet de liefde te zijn zoals geliefden die hebben en – als ze geluk hebben – consumeren. Het is de liefde voor de ander omdat die ander me teruggeeft wat ik zo gemakkelijk zelf weggeef: genegenheid, aandacht, respect, plezier en soms die schouder om even tegen te leunen of om op te kunnen steunen.

Wat onverlet laat dat ik zoveel liever een ‘significante ander’ heb, iemand die onvoorwaardelijk voor me kiest. Maar dat genoegen heb ik niet mogen proeven. Dat is een situatie die ik mij niet meer herinner en die voor mij is gaan behoren tot een sprookje, een onwerkelijke utopie. Een gedroomd doel in mijn leven dat niet bereikt wordt. En dus leef ik als een gazelle of een kat. Ten lange leste, en in tegenstelling tot die gazelle en kat doe ik dat ongewenst. Het is dat leven dat zich manifesteert in een regelmatig terugkerend gevoel dat ik ten diepste haat, het gevoel van peilloze eenzaamheid. Eenzaamheid omdat niet ik degene ben waarnaar teruggekeerd wordt maar degene die uiteindelijk alleen zal staan. Die niet de armen van een ander om zich heen weet. Dat besef is het besef dat de belangrijkste bron in mijn leven niet uitgeput wordt, niet volledig aangesproken wordt. Het is het niet kunnen delen van wat mijn dierbaarste bezit en diepste wezen is:

Liefde.

En zo ligt haat onverbrekelijk verbonden met liefde. Maar er is een troost, al is het een zeer schrale. Die troost is dat ik pijn voel, dat ik mijn gevoel nog weet te vinden, dat ik een afscheid dus haat. Net zo zeer als dat ik het haat dat ik te bang ben om – in een ander geval, bij een ander mens – duidelijk te maken dat ik liefde voel. Iets dat, juist door dat gevoel nooit degene te zijn die verkozen wordt, zo kenmerkend is geworden. Ik ben net zo bang geworden voor liefde als dat ik voor haat al was. Daarover ben ik misschien nog wel het meest verdrietig want het schetst mijn eigen onvermogen. Een onvermogen waarvoor de basis stevig gelegd is door de wonden van mijn verleden, de incidenten in mijn jeugd en de nooit geheelde pijn van het zijn van de uitzondering, de kwetsbare, de onaantrekkelijke, de verlegen, de bange, de te serieuze, de stille en de teruggetrokkene. Degene die me zeggen dat liefde begint met het houden van jezelf hebben me vrees ik nooit echt begrepen. Immers, de meeste van die kenmerken mag ik overwonnen hebben in een gevecht dat al een leven duurt, maar de gevolgen lijken onoverkomenlijk geworden. Ze verwoesten me langzaam maar zeker, hebben een diepe wond geslagen die soms opengereten wordt. Dat is geen somberheid van me, dat is zoals het leven soms verloopt voor sommigen. En ondanks alles, ondanks dit alles, ga ik toch gewoon verder met leven. Morgen lach ik weer. God mag weten waarom.

© 2013 Alice Anna Verheij

Zomertijd

frida

Het is zomertijd
tijd om verliefd te zijn
niet meer gegriefd te zijn
Tijd voor iets nieuws
een nieuwe liefde
met nieuwe vlinders
dwarrelend in mijn buik

Het is zomertijd
tijd van zon en warmte
van armen om me heen
met een ronde schouder
om tegen te leunen
en om te verdrinken
in twee lachende ogen

Het is zomertijd
tijd van simpel plezier
en zonder nadenken
mijn hart weg schenken
om daarvoor in ruil
met me te laten dansen
en handen te laten dwalen

© 2012 Alice Anna Verheij

De ware romanticus

Christian Schloe - the pleasure to travelDigital art: The Pleasure of Travel – Christian Schloe

De ware romanticus
drinkt teveel
of vervalt in liederlijkheid
Is iedere dag gegrepen
ten prooi aan
een onmogelijke verliefdheid

De ware romanticus
schrijft telkens
wanneer het hart zeer doet
een gedicht, of twee
en denkt, o wee,
gelukkig dat die dat moet

De ware romanticus
is verloren
voor het nuttig mensenleven
want volgt de zinnen
wil beminnen
al is het maar voor even

De ware romanticus
zo een als ik
is steeds verloren
in woorden en zinnen,
en een belofte
gefluisterd in mijn oren

© 2013 Alice Anna Verheij

Pleister

pleister

Doe me een pleister wil je
op mijn wonde
aan mijn hart
en op mijn hoofd
dat ik brak en stootte
aan jouw liefde
en mijn onvermogen.

Kus me alsjeblieft
op mijn mond
en in mijn hals
of op mijn borst
en vergeet dat ik scheurde
door jouw angst
en mijn stommiteit.

Vrij met me deze nacht
geef me jouw hemel
ontneem me mijn angst
en maak me nieuw
laat me vergeten
want in jouw armen
wil ik verdwijnen.

© 2013 Alice Anna Verheij

Offerande

bloem

Op een schaaltje ongewogen
liggen onder mijn vermoeide ogen
blaadjes, kristallen en zo meer
hun gewicht zo’n vier keer veer.

Ze wachten tot ze branden gaan
en dan hun lieve geur af staan
zodat mijn hart tot rust zal komen
en inspiratie vrijelijk kan stromen

Ze spreken niet maar zeggen veel
hinten naar wat ik stiekem wil
absinth en steranijs op het glas
verhit versmelten ze tot was

Met munt, kalmoeswortel en kaneel
vermengd tot prachtig okergeel
daarbij nog engelwortel en hysop
met korianderzaad er ook nog op

Tesamen ernstig motiverend
en lichtelijk mild euforiserend
denk ik aan wie dat aan mij gaf
en zie ’t is gebeurt: ik lach

© 2013 Alice Anna Verheij

 

Now

featherphoto: ‘Birds of a feather’ (Reims Cathedral, France) © 2012 Alice Anna Verheij

Now
Listen
I woke up
Had to weep
Don’t know why
So I wrote a poem
And went back to sleep
For another couple of hours
Killing my wretched nightly doubts
About this unanswered love
My hopes that leave me
Without the words
I wish to say
Or shout
To you
Now

© 2012 Alice Anna Verheij

In the nightly hour

dawnphoto: ‘Waiting’ (Picardie, France) © 2012 Alice Anna Verheij

In the nightly hour

The night may be dark
but that doesn’t mean
words aren’t sentences
or dreams have no place
in my distorted ways

Past hours may be few
yet in this natural day
but that will not mean
words will go astray
or feelings go away

Daylight may not be there
and sounds still hushed
still my flesh is not silent
my desire not speaking
or my heart not beating

You may not be here
my yearning still untold
but distance is artificial
for our hearts to meet
in long postponed deed

I may not say the words
or gaze at you today
even write another letter
cause I’m sure you know
my words will simply flow

Dawn may come soon
after these nightly hours
light washing thoughts
I wish mine could stay
and you think of me today

© 2012 Alice Anna Verheij

Mijn rusteloos hart.

heart

Wat ik ook probeer
het weet niet meer
maar klopt alweer
mijn rusteloos hart.

Het klopt en hamert
stampt en stamelt
bonst en hapert
lief rusteloos hart.

Loopt telkens over
van traan en tover
wordt niet dover
dit rusteloos hart.

Roepend, zoekend
schreeuwend, vloekend
de liefde snoepend
warm rusteloos hart.

Eventjes lachend
dan smeltend, smachtend
en op jou wachtend
m’n rusteloos hart.

© 2012 Alice Anna Verheij

Jas van gedachten

Ik hul me in mijn gedachten
trek ze aan alsware ze een jas
die me warmte laat verwachten
herschik haar even alsof ik pas

Denkend sluit ik de knopen
berg op mijn verleden verdriet
maar laat de kraag wat open
voor een toekomst in ’t verschiet

Zakken zitten er niet in want
die zijn echt niet meer nodig
voor handen in gebalde stand
hun veiligheid werd overbodig

Op mijn rug wapperen panden
als oud zeer achter me aan
dat ik niet kan of wil veranderen
want liefde doet mij verder gaan

© 2012 Alice Anna Verheij

Stormdansen

Het stormt op de dag, de wind weet van wanten
tot diep in het hoofd en in hun lijven en harten

Kijk ze dan dansen daar, twee zielen nog apart en
kwetsbaar in ongeloof vooralsnog steeds uiteen

Draaien doen de woorden rond onbenoemde doelen
als cirkelwind om hun heen die hen niet kan verkoelen

Wie spreekt er het eerst en beantwoord de ander
of blijven ze beheerst tot er iets is veranderd

De storm doet ze dansen en draaien en wentelen
als Derwish’s woorden in een oneindig ontkennen

Als de storm ten leste ligt en de muziek is gestopt
zijn hun harten gezwicht in één asynchrone klop

Zo is liefde maar al te vaak ongezegd doch wel gevoeld
als een warme stormdans die het tere hart omspoelt

© 2012 Alice Anna Verheij

Mijn huid.

Het is alweer te lang geleden dat ik me boog over de hertaling van een lied. Vandaag is er zoveel gebeurt, goed en mogelijk (maar hopelijk niet) slecht, dat er maar een antwoord op deze dwaze dag mogelijk is. De hertaling van ‘My Skin’ van Natalie Merchant.

Een lied dat gevaarlijk is en kwetsbaar. Een lied dat al lang bij mij is in het duister van de nacht op de momenten dat ik zwak ben. Wanneer tranen vloeien en onzekerheid me neersabelt. Wanneer eenzaamheid zich doet voelen en mijn huis rilt om me te vertellen dat hoe dan ook ik door moet gaan. Moet blijven proberen. In de hoop dat door me steeds zuiverder op te stellen, me steeds zuiverder te maken (en geloof me dat is vreselijk moeilijk want ik heb zoveel fouten) er uiteindelijk een wind me in de rug zal blazen in plaats van tegen me en me zal laten vliegen zoals ik eigenlijk moet. Op de vleugels van een liefde die oprecht is.

Dus hier is mijn huid. Hij wordt hoe dan ook duur verkocht. Zij spreekt mijn diepste verlangen uit. Ze rilt onder een aanraking en als geen ander vertelt ze me dat ik leef. Hoezeer dat soms ontkend wordt door de werkelijkheid van de dag. In de nacht wacht ze op een tedere hand, een zacht gefluisterde belofte. Maar overdag laat ze de leugen en de afwijzing voelen.

Zie hier, dit is mijn lichaam
Kijk naar mijn hand
Er is zoveel hier, dat ik niet goed begrijp
Jouw valse beloften
Als fluisterend gebed
Ze zijn niet nodig

Je ging zo slecht met mij om
Het duurde zo lang
Ach ik werd schijnbaar onaanraakbaar
En, geluk houdt van stilte
Het groeit in ’t donker
Fijn gesponnen draden
Die wurgen mijn hart
Ze zeggen beloften, dempen de slag
Maar ik wil ze niet, nee
Ik wil ze niet

Je ging zo slecht met me om
En het duurde zo lang
Ik werd schijnbaar onaanraakbaar
Ik ben de stervende bloem die
in de vroegte aan ’t bevriezen is
Liefde wordt pijn en ongenaakbaar

Oh, geef me het duister
Het zachte
De fluister
De zwakte
Oh, ik wil dit
Ik wil een slaaplied en
Een nachtkus en
De ware liefde van mijn leven
Oh, ik wil dit

Ik ben de stervende bloem die
in de vroegte aan ’t bevriezen is
Liefde wordt pijn en ongenaakbaar
Weet je nog wel, hoe je vroeger mij betastte en
Je trillende handen, je kussen die verrasten
Je valse beloften als fluisterend gebed
Ze zijn niet nodig

Oh, geef me het duister
Het zachte
De fluister
De zwakte
Oh, ik wil dit
Ik wil een slaaplied en
Een nachtkus en
De ware liefde van mijn leven
Oh, ik wil dit

Is het donker genoeg
Zie je me nog
Wil je me nog
Bereik je me nog
Oh, ik vertrek nu
Ach, hou je mond alsjeblieft
En hou je adem in
En kus me nu
En blijf er dood in
Oh, ik meen het
Oh, ik meen het

Originele tekst: © Natalie Merchant
Nederlandse hertaling: © 2012 Alice Anna Verheij

Eén stap terug, twee stappen vooruit.

Gek.

Ik doe een stap terug en alles lijkt beter te gaan.

Vorige week, vlak voor het weekend werd ik getroffen door verschrikkelijke pijnen in mijn rug en doorstralend naar mijn borst. Het begon in mijn onderrug, trok naar boven, bleef zitten tussen mijn schouderbladen en drukte langzaam naar voren. Alsof er een band strak om mijn borst werd getrokken. De pijn was na een uur zo intens dat ik het ervan uitgilde. Ik kan best pijn hebben, heb het ook vaak genoeg gehad. Maar dit was echt vreselijk. Het hield aan en in mijn ellende belde ik mijn beste vriendin met de vraag me naar het ziekenhuis te brengen. Er werd niets gevonden maar een vermoeden van een mogelijke oorzaak was er wel.

Om kort te gaan, eerder deze week bleek ik flinke galstenen te hebben. Te groot om weg te krijgen en dus zal een operatie nodig zijn. Hoe of wat zal later wel duidelijk worden. Dit stukje gaat echter niet over galstenen of pijn maar over wat het gevolg is voor me en waarom ik daar blij mee ben.

Het punt is dat als je in het bezit bent van dit soort steentjes het verstandig is een paar regeltjes ter harte te nemen. Niet teveel vet eten (deed ik al niet), niet meer roken (deed ik wel maar weinig en probleemloos te stoppen) en rustig aan doen. Rustig aan doen? Ja, rustig aan doen, iets wat ik niet zo goed kan maar waar ik geestelijk eigenlijk al langere tijd grote behoefte aan heb en nu dus lichamelijk ook. Want ondanks alles wat er in mijn leven gebeurt is in de afgelopen tien dwaze jaren is rustig aan doen niet iets wat in mijn vocabulaire zit.

Altijd ben ik met verschillende projecten bezig. Eigenlijk zo lang als ik me herinner. Waar ik vroeger regelmatig die projecten niet afmaakte om uiteenlopende redenen is het zo dat als het echt belangrijke projecten zijn er tegenwoordig wel de resultaten uit komen. Het leverde me in de afgelopen paar jaar een serie exposities van fotowerk op, de publicatie van een paar romans en een fotoboek, een toneelstuk op de planken, liedjes, gedichten en bijna 400.000 keer iemand die op deze plek iets van me las. Vooral dankzij keihard werken wat overigens niet in de pas loopt met verdiensten in economische zin. Maar dat is een ander verhaal dat ik wellicht nog eens schrijf. Al dat werk leidt gelukkig dus wel tot iets en zeker het laatste jaar ook tot de tastbare resultaten waar ik hoe dan ook trots op ben.

Maar die resultaten komen niet zonder een rekening. Een rekening die niet alleen economisch van aard is maar ook mentaal en fysiek. Die laatste twee wegen natuurlijk het zwaarst. In alle eerlijkheid: ik ben moe. Doodmoe. Moe van alle werk, moe van het eeuwige gevecht om het hoofd boven het water te houden en moe van teveel projecten tegelijk. Moe van mensen die van me geprofiteerd hebben, moe van de desinteresse die ik soms proef en moe van idioten die roepen dat een boek ze te duur is zonder te beseffen wat het mij kost in tijd en energie om het te maken of schrijven. Moe van gezeur en gezever. Moe van het jagen en haasten en de druk die er op me ligt of gelegd wordt zonder dat het me echt vooruit helpt. Moe dus.

En dus, alles overziend, heb ik de afgelopen week een paar stapjes terug genomen. Niet meer alles tegelijk willen doen. Niet meer keihard aan een project werken als de mensen waarvoor dat project er is zelf onrealistisch weinig moeite doen om er iets van te maken. Ik heb wat zaken geparkeerd en een paar andere op de (middel)lange baan geschoven. Gewoon om rust in mijn hoofd, mijn lijf en vooral ook mijn hart te creëren. Want zonder die rust gaat het allemaal niet lukken.

Mijn nieuwe boek schrijf ik met een balpen in een passend grote dummy. Dat levert dubbel werk op want ik moet dat ook weer overtikken. Het gaat dus allemaal veel langzamer dan mijn eerdere boeken en dat is behoorlijk wennen want ik schrijf doorgaans vlot. Nu dus even niet. Nu worden woorden, zinnen en alinea’s gewogen. Nu schrap ik als de zin er staat, niet tijdens het inkloppen van de woorden. Ik herlees ze, schrap wat, pas wat aan en gooi veel opzij. De berg teksten die niet in het manuscript zullen landen is sneller aan het groeien dan de tekst die er wel in komt. Ik worstel en vecht met de woorden, ruzie met mijn karakter en de karakters in mijn verhaal en studeer. Elke dag weer ontdek ik iets over een plaats of persoon en soms stapelen die ontdekkingen zich op. Het gevolg is wel dat wat er op papier komt (en deze keer is dat dus echt papier) heel veel mooier is dan wat ik voorheen schreef.

Ander werk naast dit heerlijk boek heb ik voor een tijd naar achter geschoven. Natuurlijk, het Headwind project met de exposities en de film loopt gewoon door en kost me tijd. Ook natuurlijk zijn er nog andere dingen die tijd vergen. Soms wat vormgeving, en zeker ook de stappen die ik in de reconstructie van mijn leven doe. Dat is een soort eindeloos durend project van formele dingen, brieven, gesprekken en acties die me er uiteindelijk bovenop helpen. Maar buiten die noodzakelijkheden is mijn wereld aan het krimpen naar waar het echt om draait: schrijven.

Door mijn schrijfwerk lees ik weer. De afgelopen jaren gunde ik me er de tijd niet voor. Ik ‘las’ doorgaans vier of vijf boeken tegelijk. Ik ben daarmee gestopt en lees nu één boek. Rushdie’s ‘De verleidster van Florence’ in een prachtige Nederlandse vertaling en ik merk dat ik weer kan genieten van zoveel moois.

De stappen terug die ik gemaakt heb maken dat ik zelf rustiger aan het worden ben en dat maakt dat de mensen om mij heen die er wel toe doen mooier worden naar mijn gevoel. Er stroomt vriendschap en liefde en ik kan het zowaar ook zien en ervaren. Om dit te ervaren moest ik wel afscheid nemen van allerlei zaken en van sommige mensen. Zaken die er niet toe deden en mensen die wel tijd van me vergden maar wiens zogenaamde vriendschap ik niet serieus kan nemen door de achteloosheid van hun gedrag. De afgelopen zomer en deze herfst en zeker de laatste weken hebben me duidelijk gemaakt dat het juist die achteloosheid is die ik soms bespeur bij overigens best aardige mensen die er voor zorgt dat ik ze buiten mijn wereld wil houden. Gewoon omdat ik aandacht voor de dingen een belangrijke deugd vind en die niet ondergeschikt wens te maken aan de haast van sommigen en de drukte van zovelen. Heeft iemand het altijd te druk dan is dat voor mij hetzelfde als dat die persoon het gewoon niet belangrijk of interessant vind. Zo iemand zal mijn deur gesloten vinden, ook wanneer zij mij nodig zeggen te hebben. Doet een organisatie er te lang over om een besluit te nemen om me iets te laten doen waardoor ik kan gaan rennen naar deadlines dan pak ik het klusje niet aan want waarom zou ik moeten stressen als gevolg van hun traagheid en zo zijn er nog wel meer van dat soort zaken waar ik me dus niet meer voor leen.

Tot mijn in de eerste zin uitgesproken verrassing is het gevolg van dit alles dat ik me met de dag beter en sterker voel. Meer gericht op waar het om draait in dit gestoorde leven, meer gericht op mijn kunst en op die paar anderen die er wèl toe doen. En ineens blijken er  dan zomaar hele lieve dingen gedaan worden die me heel erg blij maken. Omwille van de aandacht die er aan besteed is en de onbaatzuchtigheid die er uit spreekt.

© 2012 Alice Anna Verheij

Mijn hart.

Mijn hart is warm
het loopt vaak iets over
van enthousiasme
voor waar ik in kan geloven

Mijn hart is warm
’t klopt soms oorverdovend
van smoorverliefdheid
is het dan ondersteboven

Mijn hart is warm
jij mag het komen roven
als je het maar niet breekt
wil je me dat beloven?

Mijn hart is warm
geheel gevuld
met een overmaat aan liefde
van mijn liefde
gewoon
mijn liefde

© 2012 Alice Anna Verheij

Ophelia

Ik heb iets met gekte. Met de gekte in me en met mensen die afwijken van wat ‘men’ gebruikelijk vindt. Als iemand me gek noemt voel ik me gecomplimenteerd want voor mij houd dat in dat ik gezien wordt als niet conform wat die ander als gebruikelijk ervaart. Dat is vaak immers iets dat ik als grijs en onbetekenend ervaar. Ik loop niet in de groef want de groef is me vijandig en waar ik binnen hokjes, kaders en regels gedwongen wordt dan voel ik me beroofd van mijn vrijheid.

In de geschiedenis zijn er veel vrouwen geweest die voor gek versleten werden. Aangezien ik me al wat langer bezig hou met het einde van de negentiende vanuit het perspectief van vrouwen en kunst, kan het niet anders dan dat ik geraakt wordt door kunst uit die tijd die over die gekte gaan. Millais‘ Ophelia is één van de, zo niet hèt belangrijkste, schilderij uit die periode en juist dat schilderij gaat over een vrouw die slachtoffer wordt van haar eigen gekte. Het is als schilderij ook op een wijze tot stand gekomen die bijzonder is.

Toen Millais, één van de belangrijkste Pre Raphaelite schilders, het op zich nam om een bijzonder werk te maken koos hij voor Ophelia. De tragische vrouw uit Shakespeare’s Hamlet. Als model werd Elisabeth Siddal door hem gekozen. Siddel was een prachtvrouw en veelgevraagd model voor schilders als Gabriël Rosetti en dus ook Millais. Maar hoe schilder je een vrouw die sterft in een meer? Welnu, er werd een gevuld bad geplaatst waar Lizzie in ging liggen. Om te voorkomen dat de mooie dame het te koud kreeg in het bad werd het bad verwarmd door er brandende kaarsen onder te plaatsen. Dat ging lange tijd goed.

Echter, Millais was zo verdiept in zijn schilderwerk dat toen op zeker moment de kaarsen waren uitgebrand, hij dat niet door had. Siddal echter reageerde niet en uiteindelijk raakte ze zelfs buiten bewustzijn. De rest is geschiedenis en vooral voedsel voor anekdotes over de schilders en hun modellen. Natuurlijk ontstond er voor Millais (en zijn vrienden) het nodige gelazer door het voorval maar veel belangrijker, uiteindelijk kwam zijn schilderij er toch. En de Ophelia van Millais is nog steeds het topstuk uit die tijd. Wanneer de stroming in de schilderkunst waar hij toe behoorde genoemd wordt is zijn Ophelia de referentie.

Maar wat stelt zijn versie van Ophelia precies voor?

In Shakespeares Hamlet heeft Hamlet op zeker moment en oogje op de mooie maar wat vreemde Ophelia, de dochter van Polonius en zus van Laërtes. Hamlet wil Ophelia huwen maar het komt er niet van. Haar vader Polonius is eerst tegen een verbintenis tussen de twee maar Hamlet is machtig en na een reeks incidenten rond Hamlet en Ophelia waarbij hij haar uiteindelijk aangeeft maar beter het klooster in te gaan ontstaat er een ruzie tussen Hamlet en Polonius. Polonius sterft onder de handen van Hamlet en vrij snel daarna slaat de waanzin toe bij Ophelia. De bevolking van het naburige plaatsje ziet haar bloemen strooiend en onbegrijpelijke liedjes zingend in het land. Laërtes komt terug uit Frankrijk om verhaal te halen over de dood van zijn vader. Na enige tijd wordt het verhaal de wereld in geholpen dat Ophelia uit een boom in een kreek is gevallen en verdronken. Laërtes echter is ervan overyuigd dat ze zelfmoord heeft gepleegd. De waarheid wordt niet duidelijk en Hamlet besluit om onder het gewicht van de dood van Ophelia haar broer te laten weten dat hij van haar hield zoals nog geen veertig broers zouden kunnen. Maar Hamlet is zoals bekend een onoprecht en kwaad mens. Aangezien Ophelia veel bloemen en kruiden uitdeelde maar zichzelf alleen wijnkruid gaf dat bekend stond als giftig en daarnaast ook gebruikt werd als middel om abortus te plegen (en een bestanddeel van grappa is maar dat is een geheel ander verhaal), wordt de toeschouwer duidelijk gemaakt dat Ophelia daadwerkelijk tot waanzin verviel als gevolg van de dood van haar vader en uiteindelijk zelfmoord pleegde. Waardoor Hamlet dus meer bloed aan de handen heeft.

Het is die Ophelia die door Millais op magistrale wijze geschilderd werd. In rust gestorven in het water van een ondiepe kreek. Gekleed in een prachtige jurk en bestrooid met bloemen en kruiden en met een serene uitdrukking op het gezicht alsof ze vrede heeft met haar dood. In haar dood is ze wellicht mooier dan in haar leven. Ondanks dat in Shakespeare’s stuk Ophelia als gek geworden wordt afgeschilderd kan de vraag gesteld worden of ze eigenlijk niet heel normaal was. De rouw om haar vermoorde vader, de dreiging van de enge Hamlet die eerst om haar hand dingt maar vervolgens haar in een klooster wil opbergen, kunnen immers gewoon teveel geworden zijn om nog verder te willen leven. En is het dan gek om er uit te stappen? Is ze daarmee eigenlijk niet metaforisch voor eenieder wiens leven om uiteenlopende redenen te zwaar is geworden en daar de ultieme conclusie uit trekt? Ik zal de mens die het opgeeft nooit verwijten gek te zijn geworden. In sommige gevallen is het alles behalve gekte wat er op zo’n moment aan de orde is.

Millais echter was, zo gaat het verhaal, gevangen door Elisabeth Siddal’s schoonheid en maakte Siddal onsterfelijk door haar te schilderen als een overleden vrouw. En dat is vooral eigenlijk een mooi gegeven.

© 2012 Alice Anna Verheij

Schouders

 

Glad en rond, het bot duidelijk aanwezig
precies op maat gemaakt voor mijn handen
krachtige symmetrie onder zachte huid

De gedachte mijn hoofd er tegen te leggen
is tastbare troost, zomaar voor het grijpen
alsof ze speciaal voor mij gemaakt zijn

Het kind in mij wil er op klimmen
om verder te kijken, de toekomst voorbij,
veilig met jou vlak in de buurt

Omhelzen zal ik ze uit liefde en lust
in gevecht om vooral niet los te hoeven laten,
ze strelen, grijpen in opwinding en proeven

© 2007 / © 2012 Alice Anna Verheij

(Aangepast van oorspronkelijke tekst 28 november 2007)