Eline

DEM

Hugo schreef deze prachtige tekst over onze evenzo prachtige ontmoeting in Antwerpen in het kader van het project ‘Date Ex Machina’ van het Belgisch literaire tijdschrijft ‘Deus Ex Machina’. De tekst vind ik zo mooi geschreven dat ik deze met veel genoegen hier herplaats. Eline is Hugo dankbaar voor dit literaire cadeau.

~

Tempus Ex Machina

Haar rode hoed verraadt waar ze vandaan komt. Ze heeft 131 jaar gereisd om mij te ontmoeten. De plaats van afspraak is goed gekozen. Het majes-tueuze uurwerk boven het buffet van de Antwerpse Middenstatie trekt haar aandacht. Haar mondhoeken vibreren mee met de schok waarmee de grote wijzer zichzelf verzet. Deze Spoorwegkathedraal bewaart op zijn gelaat de trekken van zijn geboortetijd. Ik ontmoet een Facebookvriendin in levende lijve. Ik schenk haar mijn uitgestoken hand en voltooi mijn verwelkoming met een dunne wangkus, zoals een man zijn zuster begroet. Een bang parfum bespeur ik niet.

Mijn gestrekte vingers nodigen uit. In haar ogen lees ik welke zitplaats haar voorkeur geniet. Ze verkiest geen damesplek tegen de lambrisering van waaruit zij de ruimte kan overzien en de aandacht in haar richting in zich opnemen. Gracieus neemt zij haar hoed af en legt die samen met haar fluwelen mantel op een lege stoel. Haar koffertje zet ze naast de tafel. We schikken ons in het midden van Le Royal Café, de stationsrestauratie van Antwerpen-Centraal. Ik gun haar het uitzicht op de wandklok waarop de geschiedenis niet verstrijkt maar verspringt van minuut tot minuut.

Het appelgebak met slagroom klieft ze met rechterhand; de caffè latte nuttigt zij zonder gestrekte pink. Nonchalant betreedt ze mijn tijdsgewricht; zelfs haar sieraden zijn gepast voor het moment. We spreken over Facebook en het vervagen van grenzen. Afstand in denken is een grotere bezoeking dan eender welk verschil in levensmijlen.

‘Mag ik je Eline noemen?’

Ze neigt haar hoofd welwillend. Ik bloos. Ik ben vaker jarig geweest dan zij, weet ze. Maar toch: in haar eeuw was ik nog bijlange niet geboren. Ze verdient mijn egards, bovendien is haar oeuvre groter dan het mijne.

Ik overhandig het boek dat ik voor haar heb meegebracht. Voor mij gaat ‘Godenslaap’ over een oude vrouw die vertelt over haar liefde en ontrouw tijdens de ‘Groote Oorlog’; voor Eline is het een roman over haar toekomst.

‘‘Ach… gunst… ’14–’18…? Wat bijzonder… en dit verhaal is geschreven door een man?!’

‘Het gaat over schrijverschap.’

‘Dankjewel.’

Eline opent het deksel van haar koffertje en beantwoordt mijn aandenken met een roman van haar eigen hand: een literaire getuigenis over een volksverstrooiing in een verafgelegen tijd en ruimte.

‘Schrijf jij in het Engels?’

‘Ook.’

Ik stel voor om te lunchen in de stad. Ze neemt haar hoed en mantel. Dat rood staat haar goed en het fluweel van haar lange jas oogt avant-garde. Terwijl ze naar haar koffertje buigt, vraag ik mij af wie haar korset heeft aangesnoerd. Opeens denk ik aan baleinen, oceanen en abiotische milieu-factoren zoals weer en wind.

‘De opwarming van het klimaat laat op zich wachten.’

‘Waar gaan we heen?’

‘Brussel is mij vertrouwd,’ hoest ik terwijl ik al bij voorbaat naar mijn sigaretten tast, ‘maar in deze stad ben ik net zo vreemd als jij.’

‘Ik ben hier ooit eerder geweest, lang geleden.’

Haar mondhoeken vibreren opnieuw zoals de grote wijzer op de klok. We verlaten de Middenstatie door de zijuitgang. Via Keizerlei en Meir schrijden wij richting centrum. Eline vergelijkt het statige stedelijk erfgoed met het Londen van Victoria. Ze wil een kunstenaarsgroep oprichten in Bloomsbury, een wijk nabij Camden. Ze heeft er al over gesproken met Leslie Stephen, maar voorlopig had haar redacteur zijn handen vol met zijn pas geboren dochter Adeline Virginia.

‘Virginia Woolf?’

‘Nee, Stephen.’

Ik haal mijn schouders op. Hoe kan het bestaan dat iemand uit haar tijd een Facebook account heeft? Ik onderdruk de vraag. Het wordt hoogtijd om iets te eten. Een Italiaan wil ik haar niet aandoen. Aan de overkant lonkt een beter etablissement. De keuken blijkt nog open en het aanbod aan absint baart een blije kriebel in Eline’s onderbuik. In afwachting van een vrije tafel  bestellen we beiden een bolleke. Nog voor het nippen krijgen we een plaats toegewezen bij de lambrisering onder de wandspiegel. Ik houd mijn pas in. Ik wil weten of zij verlangt naar omringende aandacht. Ze aarzelt. Ik laat haar geen keuze. Ze neemt plaats onder de spiegel. De Antwerpse stoverij smaakt er niet minder om. Eline ontpopt.

‘Het valt niet altijd mee.’

‘Die spiegel boven je…’

‘De mensen zeggen…’

‘Als we daarin nu eens een foto maakten van onze ontmoeting…’

‘De idee is goed. Of zeg jij “het” idee?’

‘Beide is juist, maar ik voel een nuance…’

‘Welke?’

‘De mensen zeggen wat?’

‘Ze zeggen dat ik mijn kinderen te kort doe.’

‘Kinderen?’

‘Ik ben vader van drie.’

‘Vader?’

‘Ja.’

‘…’

‘Ik was man. Onderweg ben ik vrouw geworden.’

‘Vandaag?’

‘Zo snel gaat dat niet.’

Ik doop een frietje in het mayonaisepotje. Op Facebook is de scheiding tussen waarheid en fictie als caffè latte; je weet nooit waar de melk ophoudt en de koffie begint. Oog in oog spreken we verder over leven, liefde en dood. Haar tijdgeest stemt tot bezinning over de mijne. Mijn voorgeschiedenis is haar werkelijkheid. Als dessert wensen wij nog een bolleke. Daarna opent zij andermaal haar koffertje. Ze neemt haar camera obscura ter hand en maakt een fotografie van onze ontmoeting via de spiegel aan de wand.

‘Komaan, Eline, ik ken nog een bruin café op de Grote Markt.’

Ze gaat maar wat graag mee. We drinken nog een glas of twee en dat geeft me een idee. We kuieren uitgelaten naar een hallucinante plek. Daar dalen  we af. Twee ellenlange oude roltrappen brengen ons knarsend naar benêe. Daar begint de tunnel, de lange, magische tunnel naar de moderne tijd op linkeroever. Je kan er te voet naar toe. Eline legt het wormgat vast op de gevoelige plaat. Verder gaat ze niet. Ik bied haar bijna mijn arm om haar terug te leiden naar het spoor. Haar rode hoed vertelt me haar bestemming. Ik vraag me af wat voor weer het zou zijn in Den Haag. Mijn ‘date ex machina’ keert terug naar het Valkenbosplein in haar eigen tijd. Morgen tref ik haar weer op Facebook.

 

© Hugo Schellekens, 3 april 2013

Advertenties

Date ex machina

Magica ex machina.

De wekker liet zich te vroeg horen. De avond ervoor had langer geduurd dan ze zich herinnerde en de hoeveelheid rode wijn was evenzo meer geweest. Althans, zo liet haar hoofd haar weten. De klok, nee de kalender, was mentaal zo’n slordige 120 jaren teruggezet in de nacht. Geen aprilgrap, wel 1 april.

Het kwam door zoiets eenentwintigste eeuws als Facebook. Tijdens het kleeden en thee zetten bedacht ze dat ze de man nooit eerder ‘in the flesh’ getroffen had. Hij was tot dan een profielfoto en een verzameling gevatte commentaren en conversaties geweest. Charmant in tekst. Het idee voor een ontmoeting bestond al eerder en, eerlijk is eerlijk, was ook al gepland voor een later, zonniger en warmer, moment.

Hugo. Een mooie stevige naam. Lekker kort, beetje vierkant maar met een vriendelijke klank.

Tot dan toe waren de uitwisselingen beperkt geweest tot het literair vliegen afvangen, het uitruilen van kwinkslagen op statusmeldingen en het bewonderen van foto’s met, zonder uitzondering, een nostalgische lading. De man hield van wat de modernisten ‘vintage’ noemen. Zij zelf ook. Het was een foto geweest van een raar autootje, een driewieler met enige verwantschap met een cicade, of een cockpit van een oude Spitfire. Het ding was gemaakt door Messerschmidt en natuurlijk was er de verrassing geweest dat een dame als zij zo’n ding bij naam en toenaam kon benoemen. Een tweetal telefoongesprekken waren het gevolg èn het zalige plan zo’n karretje te bekomen teneinde ergens langs de kust daar een pier mee te berijden. En toen kwam er dat olijke plan van Deus Ex Machina: ‘date ex machina’.

date ex machina

Als een waar tijdreizigster was het vanzelfsprekend gebleken af te reizen naar Vlaanderen. Antwerpen om precies te zijn. Een niet echt vanzelfsprekende plaats voor een Haagse maar gegeven de psychologische ligging halverwege Brussel en Den Haag, de enige plaats die in aanmerking zou kunnen komen voor een afspraakje. Post Victoriaans bezien was het geen afspraak en al helemaal geen date. Dat soort zaken zijn respectievelijk twintigste en eenentwintigste eeuws. Het was eerder een tête à tête. Zonder chaperonne. De gekozen locatie, hoe kan het ook anders met tijdreizigers, was natuurlijk de restauratie van de spoorwegkathedraal van Antwerpen. Een passender plek bestond niet. Een passender datum overigens niet. De zon scheen zelfs.

Na de thee kwam de koffie en een croissant. De bakjes van de kat vulden zich met zalm, niet bepaald een prettig luchtje zo in de ochtend, en water. Een spiegelmoment verzekerde haar van zichzelf en na wat twijfel over passende kleding en hakhoogte verdween ze in haar jas en onder een bolhoedje. Tijdreizigers dragen hoeden immers. De tram kraakte en piepte als een eeuw geleden en de trein vertrok van een station dat zich in zekere zin kon meten met dat van de bestemming van de trein. Ze reisde van Holland Spoor naar Vlaamse trots, het klonk als een boektitel. Geen Fyra te bekennen, dat was vooral geruststellend. Geen vertraging ook. Overstappen in Roosendaal, deze keer geen roepende negotiant met karretje met koffie en koeken op het perron. Die was immers in de tijd verdwenen. Enkele hoofdstukken later dook haar trein ondergronds om aan te komen in het Antwerpse ruimtestation. Captain Kirk was nergens te bekennen, net zo min als Mister Spock. Het verbaasde haar opnieuw welk een wandeling en klim er nodig bleek om in de kathedraal te komen. Eenmaal daar echter bleek de tijdreis er op te zitten. De brede marmeren, of waren het granieten, trappen brachten haar naar de restauratie. ‘Le Royal Cafe’ staat er boven de toegangsdeur. Iets deed haar bedenken dat er eigenlijke ‘Le Café Royal’ zou moeten zijn, ze twijfelde.

Drie seconden waren er nodig om de brede lach en de opgestoken hand van haar amice te zien. Dertig seconden om gezamenlijk te landen aan een tafeltje ergens in het midden van het etablissement. De plaatsing was zodanig dat het haar lukte om de wijzer van de immense klok in de even immense spiegel op het halve uur een sprongetje te zien maken en al vibrerend tot stilstand te zien komen. Het was half twee. Een dame wenst overzicht te hebben.

Beleefdheden en grapjes werden uitgewisseld. Tot wederzijds genoegen. Goede koffie en een side-dish vergezelden hen. Niet lang duurde het voordat de boeken op tafel kwamen. Hij had een bijzonder boek meegenomen, een boek over een oude vrouw die schrijft, van een mannelijke auteur, een leeftijdsgenoot. ‘Godenslaap’ geschreven in 2008 door Erwin Mortier had het voor hem gewonnen van onder meer de Brontë’s. Omwille van het tijdreizen. Zij had, uiteraard, haar laatst geschreven roman meegenomen. Van ‘The old man and the sea’ van Hemingway kon ze immers onmogelijk scheiden en hoe kon trouwens een verhaal van een andere schrijver meer geliefd zijn dan het boek dat je zelf schreef?

Een middag, een goede maaltijd, vele gespreksonderwerpen, een stadswandeling, een bezoek aan (natuurlijk) Den Engel op de markt en een blik in de Scheldetunnel verder, eindigde de ontmoeting waar die begon. Zelfs een val kon niet voorkomen dat ze aan hetzelfde tafeltje in het station zaten. Want cirkels zijn rond en het is belangrijk om wat mooi is begonnen, mooi af te ronden. Een vervolg zal er zeker en vast (of is het ‘vast en zeker’?) komen. In Brussel. In ‘s-Gravenhage. Aan het begin van de avond wandelde ze wederom het ruimteschip in om terecht te komen in een trein. Naar een station in het Haagse. Naar een piepende tram. Naar een kamer waar een kat ongeduldig wachtte. De zalm was op. Het was gegaan zoals ze verwacht had. Een heerlijke dag, een pracht ontmoeting, twee geesten die verwant bleken te zijn, plezier en aandacht voor de schoonheid van het verleden en bedachtzaamheid over het heden. Een ontmoeting ook die welzeker niet alleen een vervolg verdient maar het grote genot van het lezen van een prachtboek dat in de tas mee terug reisde opleverde.

Alice Anna Verheij ontmoette Hugo Schellekens in het kader van ‘date ex machina’ en het werd bovenal een ‘magical date’.

© Alice Anna Verheij

Eindigt vanavond mijn strijd?

Vanavond om kwart over acht vergadert de Tweede Kamer plenair over wat de wijziging van de transgenderwet wordt genoemd. Hier kun je er meer over lezen. Het is voor mensen als ik een historische vergadering, in potentie. Voor mij kan het betekenen dat ik na die vergadering eindelijk de erkenning krijg voor wie ik ben, iets dat mij tot op heden door de Nederlandse Staat onthouden is.

Als het goed gaat vanavond zal ik over enige tijd een nieuw paspoort kunnen halen aan het loket van de gemeente waarin bij geslacht een ‘V’ staat in plaats van het injuiste ‘M’. Ik hecht daar waarde aan omdat ik nu eenmaal als vrouw door het leven worstel. Zelfs mijn lijf is aangepast en toch is de juridische wijziging er nooit gekomen.

tgflag

In het kort is (en hopelijk was) mijn strijdpunt dat ik weiger me te onderwerpen aan een wet waarbij van mij geeist wordt dat ik met een doktersattest aantoon onvruchtbaar te zijn. De huidige wet immers schrijft gedwongen sterilisatie voor transseksuelen voor. Dat is uiteraard een grove schending van de mensenrechten want die Universele Rechten van de Mens schrijven voor dat een staat de fysieke integriteit van een mens niet mag (laten) aantasten. De overheid heeft simpelweg het recht niet om een dergelijke voorwaarde te stellen. Waarbij nog komt dat voor die wijziging een gang naar de rechter nodig is die vaak niet betaald kan worden en onnodig duur is. Tot slot mag een ander dan zelfs nog bezwaar aantekenen wat er op neer komt dat zo ongeveer iedereen het recht heeft op dit moment om tot juridische aanranding over te gaan bij transseksuelen. Want wat heeft een ander ermee te maken of ik als mens onvruchtbaar ben.

Natuurlijk hoop ik dat het huidige wetsvoorstel geaccepteerd wordt en de wet aangepast wordt naar een meer humane wet. Waardoor mijn lijdensweg eindigt en ik in de toekomst verschoond zal blijven van de bijna dagelijkse post van overheid en overheid gerelateerde organisaties die me aanschrijven als ‘dhr’ in plaats van ‘mevr’. Ik zal niet langer door de telefoon en aan het loket moeten uitleggen bij de meest banale handelingen dat ik toch echt A.Verheij ben en ja dat ik een vrouw ben en niet een man zoals op het scherm van de ander staat vermeldt.

Maar ik wantrouw de politiek diep. Ik wantrouw de parlementariërs die jarenlang mijn groep mensen bedrogen heeft, veronachtzaamd heeft en onze rechten geschonden. Ik wantrouw de partijen die vaak riepen maar nooit waarmaakten en ik ben bang voor de woorden van kamerleden die om wat voor reden dan ook dit wetsvoorstel tegen willen houden. Die woorden immers, als ze vallen, zullen in mij snijden, mij kwetsen, mij weer opzij zetten.

Misschien valt het mee. Misschien komt het goed. Misschien eindigt mijn strijd. Vanavond zal ik er zijn, op de publieke tribune. En als ze die wet niet wijzigen zal ik me laten horen, ook als de kamerregels dat verbieden.

© 2013 Alice Anna Verheij

Opportunity knocks.

Life is a strange happening.

It is, really. You never know how things will evolve. No one can be sure about his or hers future, no one can be sure about winds in favour or winds against them. Life truly is full of surprises and changes, chances, threats, mishaps and fortune. Thing is to never loose faith, to never loose hope for better times when things are bad or become worse. To rejoice when life is good to you, to embrace happiness, no matter how small. Because one simply can’t know if life will continue its course with ones lide.

opportunity_knocks_quote

Quite often I use the phrase ‘it is like is is’. It’s a Buddhist phrase, and Asian attitude. It’s Zen. Life is like it is. Always. One only has to accept for what it is, no matter how terrible it presents itself or how glorious and wonderful.

My life hasn’t been easy in the past decades. Actually, ever since I was twelve life has turned itself against me for most of the time. Surely I did have good times, happiness and triumphs. But the winds have been against me more often than in favour of me. I should have been bittered by now. I should be cynical. And sad. And honesty forces me to write that I was like that sometimes. But never for a long time. I was born in the Aries sign. Aries are fighters, they are built to overcome difficulties, find their own path in life and follow it. They are, I am, survivors. Believe me, I have nearly lost it a few times. But I’m still here.

In the past few days, a new friendship turned into something special. From that friendship has come an opportunity in my life that I didn’t expect anymore.

Since 2006 I’ve been writing. Developing myself as a writer, a novelist, playwrite and literal artist. I worked hard against the odds like lack of name and fame. I made beautiful stories and books, a wonderful play and much more. But the audiense never really got to the level that I had hoped for. I never got my lucky break, my breakthrough to the level of fame that would enable me to live the life of a writer and artist on the level that my ambitions tell me.

But now that opportunity has risen. I wasn’t seeking or expecting anything to happem, I didn’t aim for it, I simply did what I learned myself to do: open up to people that challenge me in one way or another. And than, all of a sudden, it’s there. This year I’ll write a book that I didin’t expect to write and of which I can be dead sure that it will get media attention and visibility. It will vest my name as a writer and as such bring me what I desired: the recognition as a professional writer.

Life still is a challenge, the difficulties I have to overcome are enormous and often too much to oversee and overcome. But since a couple of months I’ve been able to turn life around again. Now I find myself making books, films and exhibitions on a professional level. My art is sloly but gradually finding its way to an interested audience and I am thankful for it. And I do know it is a lot of hard work, but at least now I get the opportunities I hoped for (and believed in).

Next year around this tims, God or whoever else prevails, that book will be there. By that time there will be media attention and a lot of visibility, simply because of the topic and the way it comes together and with who it is made. All I have to do is survive and dedicate life and time to this. I simply just have to do it. Believe me, I will. I certainly will. Because alongside with this work my other work will find its way. I have the confidence, I have the strength and now I finally have the opportunity. Opporunity knocks and I will answer!

© 2013 Alice Anna Verheij

Haagse Kunstkring

16366_505683712803918_601327334_n

Sinds vandaag mag ik me werkend lid noemen van de Haagse Kunstkring, afdeling letteren, theater & film. De Haagse Kunstkring is een vereniging van kunstenaars en kunstliefhebbers / kunstkenners met als doel ontmoetingsplek te zijn. De afdeling letteren, theater & film richt zich vooral op schrijvers, dichters, acteurs, regisseurs, mimespelers, choreografen, dansers, cineasten en scenaristen. Met mijn werk val ik in een aantal van deze groepen maar vooral ben ik actief als schrijver, cineast en scenarist.

De Haagse Kunstkring is een vereniging die op eigen middelen drijft en daarmee onder andere een pand op de Denneweg in stand houdt. Ik ben blij dat ik me bij het illustere gezelschap van de leden van de kunstkring kan voegen en hoop dat deze vereniging voor mij een podium kan zijn om mijn kunst te delen met een groter publiek en hoop over niet al te lange tijd te kunnen exposeren of een boekpresentatie te houden met recent werk.

Meer informatie over de Haagse Kunstkring is te vinden op www.haagsekunstkring.nl.

Alice Anna Verheij

1500

1500

Op 28 november 2005 schreef ik de tekst ‘1 jaar’ hier. Dit is hem:

1 jaar.

Tsja, en dan is het op 28 november ineens 1 jaar geleden.
1 jaar terug was er de wanhoop.
1 jaar terug was er de worsteling.
1 jaar terug was er geen toekomst.
1 jaar terug was er een goede vriend.
1 jaar terug was er een goed gesprek.
1 jaar terug was er een arm om mijn schouder.
1 jaar terug kwam er weer hoop.
1 jaar terug kwam er weer rust.
1 jaar terug begon mijn nieuwe leven.
En ja, dan is het ineens 1 jaar verder.
Ineens ben ik 1 jaar.
Al had het misschien 20 jaar eerder gemoeten,
het is goed zoals het is. Het is goed zoals het gaat.
Het is nu 1 jaar dat ik op weg ben.
Het is nu 1 jaar dat bijna iedereen met me meereist.
Het is nu al 1 jaar een mooie reis.
Het was een wonderlijk, spannend, soms moeilijk maar vaak mooi jaar.
Het was een jaar waarin ik veel mooie mensen heb leren kennen.
Nu na 1 jaar voel ik me zoveel sterker.
Nu 1 jaar kan ik eindelijk mezelf zijn.
Vanavond brand ik een kaars voor al die lieve mensen om me heen.
Ik ben ze dankbaar.

Alice.

Nu schrijf ik het 1500e bericht hier. Op zo’n moment leest een mens zijn eerste tekst terug. Zo nalezend kan ik me de euforie van dat moment, een jaar na mijn coming out nog goed herinneren. Het was nog voordat de stormen mij zouden treffen. Voordat het leven definitief op zijn kop ging en mijn wereld voorgoed zou veranderen. Ik was nog in veel opzichten die persoon uit mijn vorig leven. Pas op weg. Groen. Kakelvers. Pril. Juvenile.

We zijn nu een krappe 7,5 jaar verder. Ik ben 7,5 jaar verder. Mijn oude leven lijkt een eeuwigheid geleden. Ik heb op verschillende plekken gewoond, in Azië zelfs op een paalwoning tussen rijstvelden in. Liefdes kwamen en gingen, Pijn kwam en ging. Ik leerde onderweg dat een mens niet ongestraft een transitie mag doormaken zoals ik dat gedaan heb. De straf is het verlies van mensen en bezit, status en in zekere zin veiligheid. Maar de uitkomst na als die tijd is interessant genoeg nu juist een positieve.

Mijn weg sinds dat bericht van die 28e november heeft me geleerd wat vriendschappen zijn, en wat liefde is. Het heeft me geleerd dat een andere manier van leven misschien wel veel beter is dan wat ik voor die tijd dacht. Ik heb geleerd erg gelukkig te kunnen zijn met erg veel minder, ik heb geleerd dat zelfs armoede niet per sé vervelend hoeft te zijn zolang er een dak boven het hoofd is en de gezondheid goed is. Ik heb geleerd dat zonder concessies me wijden aan de kunst die ik maak me uiteindelijk zo goed als alles in mijn leven heeft gebracht. Al mijn vriendschappen en activiteiten van tegenwoordig komen voort uit het schrijfvak dat op die 28e november hier startte.

Deze schrijfplek heeft me over de wereld laten reizen, van Amerika en Egypte naar verschillende landen in Europa en uiteindelijk naar Nepal en India dat altijd in mijn hart zal zijn. Recent naar mijn eigen verleden en jeugd, naar Engeland. Dat alles in het besef dat mijn reis nog lang niet ten einde is als mij de tijd gegund wordt.

Deze schrijfplek heeft me aangezet tot het schrijven van romans. Ik ben hier opgegroeid van de lichtvoetigheid en mallotigheid van ‘Droomreis Afrika’ via de maatschappelijke thriller ‘Eén latte, een cappu en een espresso’ tot het gevoelige ‘Headwind, Laxmi’s Story’ en uiteindelijk naar de trilogie ‘Lachrymae’ waar ik nu bijna een jaar mee bezig ben en die mij de komende jaren zal blijven vasthouden.

Maar het allerbelangrijkste dat deze schrijfplek me heeft gebracht is de meer dan 400.000 bezoeken waarbij mijn teksten gelezen zijn, becommentarieerd en soms vermenigvuldigd.

De komende week vertrek ik naar Londen voor ontspanning èn research ten behoeve van mijn nieuwe roman. Daarna ga ik in een onverwachte en ongewenste retraite waarover later dit jaar een boekje zal verschijnen. Er zal een radiostilte ontstaan hier die ik af en toe onderbreek met een tekst, een verhaal, een overweging of een gedicht.

Voor nu, bedankt voor het lezen van mijn teksten en de commentaren die jullie schreven. Blijf bij me, dan zal ik gewoon verder gaan.

Alice Anna Verheij

Aankondiging

Vooraf

Ik ben niet Christelijk Godsdienstig,
nog Hindoeïstisch of Boeddhistisch filosofisch.
Ik ben een vergaarbak, met Christelijke opvoeding.
Die ik ontstegen ben maar die haar plaats in mij heeft.
Ik schrijf dit zodat begrepen wordt dat wat ik schrijf een fundament heeft,
dat in de eerste zinnen van Psalm 130 is omschreven.
Over enige tijd kunt u lezen wat daaruit voortkomt.
Hopelijk met een mild gestemde grim-lach
omwille van wat het leven soms brengt.

Psalm 130

Uit de diepte roep ik, Heere,
Hoort, ik bidde U, naer myn stem!
Wilt Uw oor te mywaerd keeren
Die om bystand roepend ben!
Sloegt gy al myn zonden gade,
Heer! wie zou niet ondergaen?

Retraite

Als het leven verloopt zoals het zich heeft aankondigd zal ik binnen heel afzienbare tijd min of meer onverwacht voor enige tijd in retraite gaan. Een paar weken later zal er een manuscript voor een autobiografische novelle liggen op basis van een brief aan mijn geliefde wie dat ook moge zijn. Deels serieus gestemd, deels doorspekt met Kafkaeske humor omdat ik dat niet zal kunnen laten. Er zijn mij grotere auteurs voorgegaan bedenk ik me. Overigens, wees gerust, er is niets ernstigs aan de hand met mij. Hoogstens iets voor de meesten onverwachts en voor mij irritants. Goedbeschouwd is de bron van het citaat dat ik al enige tijd onder mijn emails heb staan mij dierbaar in meer aspecten dan de poëzie. Zo blijkt. Voor alles is immers een reden. Over alles valt te zeggen in hoeverre die reden loos is. Goddank heb ik de kracht van mijn pen nu ik eindelijk begin te begrijpen waar het de dichter om ging, met oefening zal ik hopelijk een vervolg kunnen maken op wat al eerder startte.

“Whenever people agree with me, I always feel I must be wrong.”
Oscar Wilde

oscar wilde

Vanaf mijn vijftienhonderdste tekst op deze plek volgt er ongeveer een maand radiostilte en zal hier niet gepubliceerd worden. Daarna zal ik dit manuscript in een digitale versie downloadable maken vanaf deze website.

© 2013 Alice Anna Verheij

Zoals het klokje thuis tikt.

Jaren terug, ik was nog getrouwd en woonde heel ergens anders, hadden mijn ouders wat te vieren. En dus kocht ik een kado voor ze dat ik wel bij ze vond horen; een Engelse tafelklok. Het viel in de smaak en jarenlang tikte de klok de seconden, minuten, uren, dagen en volle manen weg. Tot allebei mijn ouders gestorven waren.

De klok is naar mij terug gekomen zoals dat wel vaker gebeurt met erfstukken. Lange tijd vond ik het geen mooie klok maar dat had meer te maken met de inrichting van de appartementen waar ik woonde. Deze week echter verhuisde ik een etage naar beneden, naar een ruimere kamer met een balkonnetje, glas in lood ramen in de schuifdeur naar de suitekamer en een plafond met een mooi profiel dat nu eens niet op een rare manier afgekapt is. De klok die ik al menigmaal op de nominatie voor verkoop had gezet verhuisde mee. Net als mijn kat.

Deze keer heb ik een zwart marmeren schoorsteen die smeekt om de klok. Het uurwerk is in ere hersteld, opgewonden, gelijk geregeld afgestoft. Letterlijk. De eerste nacht schoot ik geregeld wakker van het geluid dat zich om het kwartier met lengende melodie laat horen om op het hele uur te ontaarden in slagen. Ik hoor de klok van mijn ouders weer. Deze keer in een kamer waar ik extra aandacht heb besteed aan een sobere maar smaakvolle inrichting. Het is een ruimte waar je graag wilt zijn en waar het getik van de klok niet afleidt maar juist aantrekt. Huiselijkheid.

Engelse tafelklok

 

De klok op de schoorsteen is niet origineel Engels maar een exemplaar van Warmink Klokken uit Enschede. Het bedrijf bestaat niet meer voor zover ik weet. Niet dat me dat iets uitmaakt overigens.

Hoe dan ook, mijn huis klopt. Of beter: tikt. Na een tijdje went men aan de kwartierssignalen van het uurwerk. Nog even laten en het is vooral een warme emotie voor me waarbij de gedachten aan mijn ouders zich regelmatig opdringt. Goede gedachten gelukkig. Het bijzondere van een klok is dat ik er geen negatieve gevoelens bij kan hebben als ik de seconden hoor wegtikken. Misschien, heel misschien, ben ik hier een beetje op mijn plaats.

© 2013 Alice Anna

De lange gang naar erkenning.

In de afgelopen jaren heb ik meerdere malen op deze plaats geschreven over de wetgeving rond aanpassing van het juridische geslacht en de geslachtsaanduiding, bij de burgerlijke stand. Dat heb ik gedaan vanuit de stellingname dat ik mij niet ondergeschikt wens te maken aan een wet waarvan allang gekend is dat die indruist tegen de universele rechten van de mens, verdragen waar de Nederlandse staat zich aan heeft verbonden, humane en ethische criteria en simpelweg boerenverstand van fatsoenlijke mensen.

Ik heb zelf er nadrukkelijk voor gekozen om na mijn fysieke geslachtsaanpassing in 2007 niet een procedure tot juridische wijziging van mijn geslacht bij de burgerlijke stand af te dwingen. Dat was en is een activistisch standpunt.

Lijdensweg

Mensen die mij kennen weten hoezeer ik lijd onder de structurele foutieve aanduiding in de post die ik van allerlei instanties krijg, aan de telefoon zodra er weer iets officieels aan de orde is of aan het loket als de ambtenaar in kwestie meer op zijn of haar computerscherm dan op mij als mens is gericht. Jarenlang structureel aangeduid worden als ‘meneer’ na alles wat ik al doorgemaakt heb is bepaald geen pretje. Sterker nog, het doet iets met je. Je voelt je buiten de realiteit geplaatst en in zekere zin buiten de maatschappij en er ontstaat, hoe goed je je daar ook tegen wapend, een zekere mate van verbittering. Ik noem dat schade. Het is de collateral damage die een transseksueel mens ondervindt als gevolg van de transitie in combinatie met het overeind houden van eigen waardigheid en principes. Ik had de wijziging kunnen laten doorvoeren onder de huidige wet maar dan wel ten koste van mijn principes rond mensenrechten.

transgenderlogoZelfs mijn beste vrienden, vriendinnen en vriendandersen hebben er in de afgelopen jaren bij me op aangedrongen om toch maar die gang naar de rechtbank te maken. Er is me zelfs aangeboden dat voor me te betalen als ik geen rechtshulp zou krijgen. Toch heb ik de stap nog steeds niet genomen. Want het valt me zwaar om me te schikken naar een wet die iets van mij eist dat gewoon niet in de haak is.

Op dit moment ben ik blij dat ik die stap niet gemaakt heb want het begint er op te lijken dat het over een tijdje niet meer nodig is. Na jaren pleiten, ageren, vechten, discussiëren en bedonderd worden door politici van ALLE politieke denominaties, lijkt het er op dat binnen afzienbare tijd ten lange leste die discriminerende en mensenrechten schendende wet van tafel is.

Hoe zat het ook alwaar met mijn bezwaren?

Allereerst eist de wetgever een artsenverklaring dat ik onvruchtbaar ben. Dat is een archaïsch en inhumaan criterium want het impliceert overheidsdwang tot sterilisatie voor mensen die in het maatschappelijk verkeer slechts aangeduid willen worden als zijnde van het geslacht dat in overeenstemming is met hun psyche. Los van de lichamelijkheid. Dit criterium heeft simpelweg mensenlevens gekost doordat sommigen niet overeind zijn kunnen blijven onder de druk van het moeten ondergaan van een geslachtsaanpassende operatie in combinatie met de transitie effecten in het dagelijks leven. Het suïcide percentage on transgenders is – gedocumenteerd – erg hoog en ik kan er helaas over meepraten. Dat wil zeggen, ik kan er nog over praten omdat ik geluk heb gehad. De overheid mag vanuit menselijk perspectief een dergelijke eis nooit stellen en zelf heb ik me door die eis altijd behandeld gevoeld als een freak die erger is dan de ergste zedencrimineel. Een overheid die mij oplegt om me gedwongen te laten steriliseren / castreren terwijl bij de grootste monsters dat nog niet wordt opgelegd als straf is een overheid die mijn vijand is. Voor de goede orde, het feit dat ik zelf er voor gekozen heb om me te laten opereren met als gevolg dat ik onvruchtbaar ben doet niet ter zake als het gaat om de vraag of de overheid rechtmatig handelt als ze een sterilisatie eis stelt. Vandaar mijn principiële standpunt waarin ik de overheid dat recht ontzeg gebaseerd op het universele en onvervreembare recht van een mens op integriteit van lichaam en geest. Vandaar dat in de jaren na mijn operatie ik die overheid ben gaan zien en ervaren als mijn vijand. Voor vijanden buig ik niet.

Daarnaast vind ik het problematisch dat er een rechtsgang nodig is voor juridische geslachtswijziging. Onnodig complex, onnodig duur en erger nog, er zit een beroepsmogelijk voor derden in die bezwaar tegen die verandering kunnen indienen. Daarmee wordt je in pricipe blootgesteld aan maatschappelijke chantage.

Wetsvoorstel

Op dit moment ligt na lange jaren wachten en discussiëren met onkundige politici en ambtenaren er eindelijk een wetsvoorstel bij de kamer. Staatssecretaris Teeven heeft in tegenstelling tot al zijn voorgangers woord gehouden. Later dan toegezegd door hem, maar het ligt er nu wel. Dat is op zich al een mijlpaal. Het voorstel houdt grof genomen in dat je simpelweg naar de Burgerlijke Stand in je gemeente gaat, een verklaring van een deskundige op de balie legt, de verschuldigde leges betaald en dan klaar bent. Je geslachtsaanduiding wordt dan in de Gemeentelijke Basis Administratie (en in het geboorteregister) aangepast. Geen rechtbank en geen sterilisatie eis. Alle honderden andere gekoppelde databases volgen automatisch. Het is afgelopen met de structureel foutieve benadering in de post en aan het loket en de telefoon.

En zo hoort het ook te zijn. Als dit door de kamer bekrachtigd wordt (het is een aanpassing op een bestaande wet en hoeft dan geen ellenlange politieke loop meer te hebben) dan is mijn maatschappelijk lijdensweg op dit gebied ten einde. Ik zal dan heel snel bij het loket staan om ervoor te zorgen dat ik dan eindelijk ook administratief en juridisch mezelf ben. Zonder inmenging van wie dan ook, behoudens die deskundige die de verklaring opstelde.

Is het nu dan goed?

Ja en nee. Ja omdat de wetgever zich eindelijk humaan naar mensen als mij gaat opstellen en uit mijn slipje blijft.

Nee omdat er nog steeds een deskundige nodig is en er additionele eisen aan die deskundigheid worden gesteld die de normale vakkennis van een huisarts of psycholoog overstijgen. Er wordt verlangt dat men specifieke ervaring heeft met ‘genderdysforie’. Dit wordt gepresenteerd als de invulling van wat we ‘informed consent‘ noemen. Een moderne wijze van omgang met mensen die een ingrijpende gebeurtenis moeten ondergaan zoals een zware operatie of in dit geval een grote maatschappelijk relevante aanpassing in juridische positie. Informed consent, het geïnformeerd zijn omtrent de mogelijke gevolgen van een ingreep is op zich een goede zaak. Het probleem echter dat ik ermee heb is dat men die specifieke deskundigheid op het gebied van genderdysforie onderstreept in wetgeving. Dat is de verkeerde weg.

Wat eigenlijk zou moeten gebeuren is het inbedden van basiskennis op het gebied van gendervariatie in de opleiding van (huis)artsen, psychologen en maatschappelijk werkers. Kennis over het simpele feit dat de wereld diverser is dan de traditionele man – vrouw verdeling zou gemeengoed moeten worden. Iedere huisarts en psycholoog moet in staat zijn om vast te stellen of er sprake is van een duurzame en gefundeerde noodzaak tot aanpassing van het geslacht. Als het om de juridische component gaat. Ontpathologiseren zou het devies moeten zijn van de wetgever. Waarbij voor diegenen die net als ik zijn en ook hun lichaam willen laten aanpassen, voor het medische traject dat daaraan verbonden is natuurlijk wel een gedegen behandeling en begeleiding moeten krijgen. Dat laatste is echter een zorgwet zaak en niet een zaak voor het familie- en burgerschapsrecht.

Tot slot

Het huidige voorstel is nog niet perfect. Het kan altijd beter, maar het is een majeure doorbraak als dit wordt aangenomen. Majeur omdat in één klap een hele groep mensen in de bevolking erkend worden als de mens die ze zijn. Zonder absurde eisen, zonder śtraf in de vorm van gedwongen sterilisatie, zonder dat derden zich daar tegenaan kunnen bemoeien en zonder dat zij en de maatschappij onnodig op kosten worden gejaagd door een dure en onnodige rechtsgang.

Ik hoop dat de kamer zich opstelt als een modern parlement dat streeft naar moderne wetgeving en Nederland uit de achterstandspositie op dit gebied haalt en de Nederlandse wet aanpast naar wat inmiddels in steeds meer landen de norm is voor humane wetgeving op het gebied van genderregistratie.

Ik hoop dat het niet lang meer duurt voordat ik mijn leven terug krijg. Ik ben tenslotte een vrouw en wens ook als zodanig erkend te worden door de overheid die op zijn beurt van mij van alles en nog wat eist. Ik wil mijn burgerrechten. Voor mijn lieve vrienden die me altijd gesteund hebben, heb nog even geduld met mij op dit punt, want het lijkt er op dat het nu uiteindelijk dus toch goed komt en ik ben, ondanks alles, niet gebroken.

(c) 2013 Alice Anna Verheij

Mijn jeugd terug!

london

Ik wil mijn jeugd terug
hij is mij ontstolen
tegen een muur
door drie vrouwen
om beurten

Ik wil mijn jeugd terug
de zondagen waren zo mooi
op het korfbalveld
met al die anderen
samen spel

Ik wil mijn jeugd terug
teveel is me ontschoten
van wandelingen in het park
met mijn ouders
nog bij mij

Ik wil mijn jeugd terug
Londen is er nog steeds
ik jaag er over de straten
met hen waarvan ik hou
in gelijke tred

© 2013 Alice Anna Verheij

De zin van mijn bestaan.

schrijven

genoeg gezever, aan het werk, jij dromer
ik sta op, zet de kachel wat hoger
zodat na de douche er warmte is
in de kilte zijn de druppels heter
en ik glim een beetje van de olie
mijn haren klitten wat

twee boterhammen
een kop koffie
één schepje suiker slechts
rechts een stapel boeken, links die kachel
ondertussen zingt iemand zacht
een kindergedicht van lang geleden

mijn pen is stug en het papier stroef
ik zoek mijn hersens af naar een ankerpunt
maar er is geen vaste grond daarboven
het glas van de ramen achter mij
spiegelen de kou naar binnen
maar die kan mij niet bereiken

er valt iets, ergens anders in huis
voetstappen, stilte, voetstappen
niet naar mijn deur, niet naar een deur
het voelt bijna of ik ook aan het vallen ben
maar dan, net voor ik wil opgeven
zelfs wanhopig dreig te worden

ik heb beet en vang een woord
een begrip, een idee, er volgt een zin
een stukje droom en laat het komen
mijn hand beweegt gejaagd
want mijn hersenen zijn sneller
dan ineens is het klaar

ik leun achterover en kijk, lees
lees nog eens
neem een slok
sta op, wandel heen en weer
lees opnieuw en begrijp niet
waar die zin vandaan kwam

maar hij staat er
om nooit meer weg te gaan
ieder woord goed gekozen
het is maar goed dat jij me niet ziet
je zou moeten lachen
om mijn juichkreet

© 2013 Alice Anna Verheij

Rust. Of toch niet?

Het is alweer een tijdje terug dat ik iets schreef op deze plek. Voor de meesten zal het er op lijken dat ik mijn schrijfactiviteiten aan het verminderen ben. Niets is echter minder waar. De werkelijkheid is dat er wellicht een soort kantelpunt in mijn werk aan de orde is. Ik merk dat ik zelf minder behoefte heb om hier werk te delen èn ik merk dat ik het juist veel drukker heb gekregen met schrijven. Zelf denk ik dat het te maken heeft met een andere fase in mijn leven. Zoiets behoeft analyse.

anna-pencil3

Vorig jaar werd ik vijftig en dat heeft nogal wat aangericht bij me. Emotioneel wel te verstaan. Waar ik mij de afgelopen tien jaar staande heb weten te houden door te blijven werken aan nieuwe projecten en het dagelijks schrijven van korte teksten, gedichten en columns is er n een andere dynamiek gekomen. In een andere wereld zou zoiets professionalisering genoemd worden of de groei naar volwassenheid.

In 2004 stortte mijn toenmalige wereld definitief in. De scheuren in het bouwwerk waren decennialang groter en groter geworden en mijn kracht om ondanks die scheuren de façade in stand te houden evenredig afgenomen. November 2004, een maand die mij altijd bij zal blijven. Het halfjaar voorafgaand aan de grote crash was in toenemende mate zwaar voor me en na de wanhoop van september en oktober 2004 was er slechts een diep donker gat gebleven. Geen idee waarom ik trouwens nu hierover schrijf.

Vanaf 24 november 2004 zou mijn wereld gaan veranderen. Het werd, en dat kon ik onmogelijk voorzien, een rollercoaster waar ik niet meer aan kon ontsnappen. Jaren gesprekken met psychologen zouden volgen en een ‘transitie’ zoals dat schijnbaar mooi wordt omschreven kwam op gang. Alles gericht op het fysieke. Goed drie jaar later was de eerste grote storm voorbij en lagen er al wat schepen op de kade geslagen. Het einde van een huwelijk, het einde van een gezinsleven, het einde van de eigen bedrijven, het einde van een leven dat op een manier ingericht was dat ik er aan onderdoor was gegaan. Weer drie jaar later was de put dieper geworden. Van betrekkelijke welstand kwam er de armoedeval. Nooit gedacht dat die zo diep kon zijn. Er kwamen relaties die niet stand hielden. Wellicht omdat ik daar niet aan toe was, misschien simpelweg omdat ik mezelf weer opnieuw moest leren kennen, en vrijwel zeker een  combinatie van beide. Van bedrijven kwijt en een lijf dat niet deed wat er van verwacht werd, naar een nieuw en ander leven.

Ik heb het moeilijk gehad en ondanks de mensen om me heen die soms wisselden heb ik me eigenlijk al die tijd alleen en verlaten gevoeld. Ik vluchtte naar mijn geboortestad, naar mijn moeder. Mijn moeder stierf. Ik vluchtte naar de andere kant van de wereld om iets te doen dat ik niet eerder had gedaan en om naar nieuwe bronnen in mijzelf te zoeken. Ik kwam, werd vijftig en ziek. Niet alleen die bijna tien jaar onafgebroken ingrijpende veranderingen in mijn leven maar ook de inmiddels ontstane armoede hebben een tol geeist. Galstenen en een plekje op de maagwand dat er niet moet zijn, een gebit dat achteruit gaat zonder dat er mogelijkheden zijn om het goed aan te pakken of te doorstaan. Dus zo slijt een mens.

Ik dacht het vorige week nog: dus zo slijt een mens.

Afgelopen december was zwaar. Wat heb ik me vergeten gevoeld en wat een onzinnige gedachte is dat eigenlijk met zoveel bijzondere mensen om me heen. Maar er is iets veranderd in me. Het lijkt wel of er een soort dwang aan het wegvallen is. Waar de afgelopen ruim zeven jaren tijdens die lange storm ik wanhopig verlangde naar gezelschap is dat veranderd in de behoefte om alleen te zijn. Veel alleen te zijn. Hoezeer gezelschap juist fijn is, de momenten dat ik weg wil kruipen achter een schrijftafel of typemachine om gewoon te doen wat ik hoor te doen zijn aan het toenemen.

Dat drukt zich uit in verminderde activiteit op deze plek. Er komt gewoon minder in aanmerking hier gepubliceerd te worden. Naarmate ik meer schrijf ben ik onzekerder en ontevredener over wat ik schrijf. Naarmate ik meer werk aan het manuscript dat op mijn schrijftafel ligt merk ik dat er meer en meer van mijzelf in dat manuscript verdwijnt. Er blijft simpelweg minder over om hier te plaatsen.

Het is niet zo dat ik minder doe dan voorheen. Integendeel. Waar in het verleden de projecten die ik deed vooral solistisch van karakter waren zijn mijn huidige projecten op dat manuscript na vooral projecten waarin ik met anderen samenwerk. Documentaires, een toneelscript en wellicht nog eentje, een reisgids in het Engels en een kleinkunstprogramma voor op het kleine podium, ik maak ze niet alleen maar samen met begaafde kunstenaars. Gezelschap is voor mij vooral samen maken geworden. De spiegel daarvan is het grote soloproject van die trilogie waar het eerste deel in manuscript vorm langzaam vordert.

Maar er is meer. De behoefte het leven te delen met een ander is groter geworden. Verdiept vooral. Niet in de vorm van een behoefte in permanente lijfelijke aanwezigheid maar juist in de behoefte aan het delen van de diepere emoties die mijn schrijf, foto en filmwerk met zich meebrengen. En er is de keuze om zonder enig voorbehoud me uitsluitend nog te willen bezig houden met mijn kunst. Zonder voorbehoud wat zoveel wil zeggen dat ik mijn leven er op ingericht heb om dat te doen. Terug getrokken op een klein gebied in betrekkelijke afzondering. Dat terwijl afzondering nu juist zo bedreigen voor me is. De beweging van de drukte weg naar een verdieping toe ervaar ik als onomkeerbaar en vormend. Maar ook als angstig omdat mijn eigen emoties daarbij mij soms bang maken. Het gevoel iets te schrijven dat niet zonder gevolgen voor mezelf kan blijven is als de rand van een klif die hoe gevaarlijk ook, blijft aantrekken want die diepte wil ik zien.

En juist nu, juist nu merk ik de slijtage aan mijn lijf. De inmiddels bijna dagelijkse fysieke pijn die je leert te aanvaarden en de angst dat het uiteindelijk te vroeg fout gaat. Het is een irrationele angst maar ratio is niet wat me stuurt. Er ligt nog zoveel werk te wachten en er zijn nog zoveel zinnen te schrijven. Over een paar maanden komt er een film van me op televisie gemaakt met een collega filmmaakster. Aan het eind van het jaar hoop ik het eerste manuscript van de trilogie klaar te hebben en wellicht nog een tweetal korte documentaires, dat toneelstuk en die twee novelles. Tel ik de film- en schrijfdagen bij elkaar op dan blijft er weinig ruimte om hier nog te schrijven.

Er zal dus hier een tijdlang minder nieuw werk verschijnen. Mijn publicaties verschuiven tegen de stroom van de tijd in van het internet naar het papier en het beeld. Voor de lezers en kijkers hier zal dat betekenen dat als er prijs gesteld wordt op mijn teksten en beelden, er meer op uit getrokken zal moeten worden. Het zou fijn zijn als dat ook gebeurt. Ondertussen zal ik hier toch nog wel met enige regelmaat publiceren maar de frequentie is al gedaald en zal dat zeker nog verder doen. Deze plek zal meer en meer een plaats worden voor aankodigingen en verwijzingen naar werk dat ik elders publiceer, exposeer, vertoon of opvoer.

© 2013 Alice Anna

Rood op oranje.

Vandaag is een rare dag. Wakker worden lukte niet zo goed. O ja, de koningin viert haar laatste verjaardag als koningin. Toch wel bijzonder bedenk ik me. Direct gevolgd met de gedachte dat het dus een oranje dag is. Op oranjedagen kleed ik me rood. Ik ben nu eenmaal ietwat tegendraads. Niet per sé een anti-monarchist of zo maar toch houdt me die rare job rotation tussen prinsen, koninginnen, prinsessen en koningen wel bezig. Na koffie, douche en weer koffie reorganiseerde mijn agenda zich als vanzelf. Leuke mensen op de rol vandaag en na het shuffelen van tijden en dagen, morgen dus ook.

In het rood, met hoed op want ik blijf het wat koud vinden, dan toch maar er op uit. Niet volledig helder volgt de routine van het opladen van het kaartje dat me naar de stad moet brengen en de rode tram die ik pas registreer als rode tram wanneer ik er in zit.
En dan op de Lijnbaan zie ik vanuit mijn ooghoek een hagelwitte koets aankomen. Zo’n lage met een baar er op. Pront op die baar een doodskist van het roodste rood dat je kunt bedenken. Als een uitroepteken geplaatst. In plaats van de schok van de aanblik van een lijkkoets veer ik op. Langzaam verschuift het beeld van rechts naar links achter langs de raamstijlen van de tram die op dat moment gelukkig bij de halte wacht. Een enkeling om me heen ziet het ook en verbazing is zichtbaar op hun gezichten.

Ineens weet ik het. Als ik ooit ga wil ik dat. In een knalrode kist door de straten gereden worden. Wel met een zwarte koets want met wit heb ik nooit zoveel gehad. De lange neus die de rode kist trekt naar de levende omstanders verraad een karakter dat me bevalt. Wie er in ligt heb ik geen idee van maar bij mij overheerst de glimlach en ik weet wel zeker dat precies dat de bedoeling geweest zal zijn van het mens dat langs mijn tram wordt gereden. Het kan niet anders dat er een passioneel romanticus ons nog even wat wou laten weten.

En dan rijden we de hoek om. Mijn dag is weer goed.

© 2013 Alice Anna Verheij

rode kist

Vandaag is een oranjedag.
Op dit soort dagen ben ik rood
en draag ik een hoed.
Zelfs de tram is zo rood als ik.
Hoe passend.

Halverwege rijdt er onverwacht
– want zo komt de dood meestal –
een hagelwitte lijkkoets.
In de tegengestelde richting.
Hoe passend.

Er op staat de knalrode doodskist,
als een lange neus naar het leven.
Dat een doodskist me blij kan maken.
Mijn hoed zet ik af.
Hoe passend.

Ik ben zo moe van jou, o Nederland.

Noot: driekwart jaar geleden herschreef / hertaalde ik ‘Going to a town‘ van Rufus Wainwright. Een lied dat hij, eerlijk is eerlijk, uit verveling en baldadigheid schreef in de lobby van een hotel tussen concerten in. Zonder diepere bedoeling, zonder er een protestleid van te willen maken. Maar dat werd het wel. Het werd een lied dat bij deze tijd past.

Het is nu driekwart jaar later. Veel is veranderd. De pier op de foto is failliet en zal misschien afgebroken worden. Zoals er veel afgebroken wordt. Vandaag las ik dat het College Van Zorgverzekeraaars (CVZ) voorstelt om de psychische ondersteuning van mensen met psychische problemen alleen nog maar te vergoeden bij een medische noodzaak. Daarmee onderstrepend dat je voor hulp psychisch ziek moet zijn (volgens het daarvoor geldende normenboek DSM IV) en dat psychische problemen buiten die veroorzaakt door ziekte maar gewoon door jezelf en je huisarts (die daar niet voor geschoold is) opgevangen moeten worden. Wil je hulp, heb je hulp nodig, dan moet je dat maar zelf betalen. Kan je dat niet, zoals een toenemend aantal mensen, dan kun je voor wat betreft die verzekeraars doodvallen. Letterlijk.

Gaan die plannen door dan zuller er ook doden vallen want het aantal suïcides zal toenemen bij het wegvallen van de zorg voor mensen met post traumatisch stress syndroom, slachtoffers van misbruik, mishandeling, verkrachting, burn outs, onverwerkte traumas uit jeugd of anderszins. Zij zijn geen medische gevallen dus moeten het maar zelf zien te rooien. Daarmee is de verzekering van de Nederlandse gezondheidszorg indirect verantwoordelijk voor de doden die zullen vallen en het instandhouden of het versterken van het lijden van duizenden zoniet tienduizenden mensen. Hun aantal groeit als gevolg van de verharding van de maatschappij.

Nederland maakt hiermee zichzelf ziek, doodziek. En, als het aan deze mensen ligt die dit bedenken, uiteindelijk dood. Weg beschaving. Van Zorgverzekering naar een verzekerd zijn van verwaarlozing. Verwaarlozingsverzekering.

Ik ben nog steeds moe van Nederland en verlang naar de dag dat ik dit land definitief de rug kan toekeren. Of mij dat lukt weet ik niet, of ik dan in Europa of elders zal leven weet ik ook niet. Hoe dan ook, deze hertaling draag ik op aan de mannen en vrouwen van het CVZ die de plannen smeden om de geestelijke gezondheidszorg in Nederland te decimeren en daar willens en wetens slachtoffers mee gaan maken. Ik gun ze een jarenlange persoonlijke ernstige depressie. Ik mag dat als overlevende van diverse suïcide pogingen. Het hierna volgende schreef ik in april 2012, mijn mening is helaas niet veranderd sindsdien. Mijn leven overigens wel. Ten goede, dankzij de onbezoldigde zorg van een paar vrienden en een project van hte Rode Kruis. Een organisatie die goddank losstaat van de Nederlandse staat en haar beperkte blik op de rechten van haar burgers.

In een uitwisseling op Facebook legde mijn goede vriendin Floortje me nog eens dit prachtnummer van Rufus Wainwright voor. Ik heb er al zo vaak naar geluisterd en het heeft me altijd geraakt omdat ik er iets voelde dat ik niet kon omschrijven. Tot Floortje een hint gaf dat iemand maar eens een Nederlandse versie moest maken.

Er zullen mensen zijn die – terecht – vinden dat ik negatief schrijf over mijn eigen land. Er zullen mensen zijn die het met me oneens zijn of het me zelfs kwalijk nemen. En anderen die het niet begrijpen of me een zeur vinden. Maar er zijn er vast ook die zich herkennen in de pijn die ik heb proberen te verwoorden over hoe mijn eigen land verworden is tot iets dat ik verafschuw. Verwoord aan de hand van Rufus Wainwright die, wonend in New York, in een opwelling zijn originele tekst liet stromen en waarin hij onverholen kritisch is op de verwording van het Amerika van George Bush.

Mijn tekst laat mijn walging proeven over de staat van dit land. Een land zonder kleur maar met angst voor de vreemdeling, voor de andersdenkende, voor de ander die niet is zoals de gemiddelde burgerlijke grijze muis. Een land van egoïsme waar hypotheekrenteaftrekm pensioen en immigratie voor gaan op barmhartigheid en liefde voor hen die het moeilijk hebben. Een land dat maatschappelijk en politiek geen enkel ankerpunt meer voor mij vormt en dat mij gevoelsmatig wegjaagt. En hoezeer men het met mij oneens zal kunnen zijn, zijn de woorden gewogen en spreken ze mijn diepste gevoel uit. Mijn ontembaar verlangen to vluchten naar desnoods een stad die niet meer bestaat. Weg van het grijs, weg van de verzuring en de beschimping. Weg van de krantenkoppen vol mensenhaat, weg van het gebrek aan compassie, weg van de tweets van Wilders en de lamlendigheid van een tandeloze oppostitie. En vooral weg van het land dat mij mijn gevoel ontneemt en me omlaag drukt tot er niets meer van me over is. Met een vage hoop dat er ooit een andere tijd zal komen. Ik kan momenteel niet anders dan hiermee mijn diepste gedachten laten vallen op deze plek. Want ik ben moe. Heel erg moe van dit land. Heel erg moe van jou, o Nederland.

Hier is mijn versie:

“Ik ben zo moe van jou, o Nederland”

Ik ben onderweg naar een stad die niet meer bestaat
En loop weg van de plaats die ik altijd heb gehaat
Ik zoek naar mensen die hun hart niet hebben verbrand
ik ben zo moe van Nederland

Ik maak het goed voor de leugens van de Telegraaf
Ik maak het goed voor die liedjes o zo braaf
Het lijkt wel of hun waarheid niet meer bestaat
Ik ben zo moe van jou, o Nederland

Ik zoek er mijn eigen pijn, zal er niet eenzaam zijn
Ik heb mijn leven lief, o Nederland
Ik heb mijn leven lief

Zeg me, denk je echt over de hel omdat je teveel liefde gaf?
Zeg me, denk je echt dat alles wat je deed zo goed was
Ik moet het weten, na het bloed van die jongen die daar ligt in een plas
Ik ben zo moe van Nederland

Ik moet het weten
Misschien zal ik je nooit meer zien, of misschien ook wel
Jij had je voordeel van een wereld en ook van je spel
Ik ben onderweg naar een stad die niet meer bestaat
Ik ben zo moe van jou, o Nederland

Ik zoek er mijn eigen pijn, zal er niet eenzaam zijn
Ik heb mijn leven lief, o Nederland
Ik heb mijn leven lief
Heb nu teveel verdriet
Maar tòch ’n droom in ‘t verschiet
En dat is al, meer niet

Ik zoek er mijn eigen pijn, zal er niet eenzaam zijn
Ik ben onderweg
naar een stad die niet meer bestaat

Muziek, tekst: © Rufus Wainwright
Hertaling: Alice Verheij © 2012

Twee ontbrekende stenen.

De laatste tijd houd ik me onledig met onderzoek ten behoeve van een trilogie die ik schrijf. Dat onderzoek naar de hoofdpersonen is een onderzoek naar het verleden. Naar mensen die niet meer leven en waarvan weinig is terug te vinden. Het brengt me naast allerlei uithoeken van het internet naar archieven, musea en begraafplaatsen. Vooral die laatste categorie is fascinerend.

Graven zijn eigenlijk kleine (en soms grote) individuele gedenktekens. Ze geven een beeld van de status van iemand, de liefde van zijn of haar familie en vrienden en bestaan dat ze hadden. Vooral oude begraafplaatsen zoals het recent door mij bezochte Kensal Green Cemetery in Londen voegen daar nog een aantal kwaliteiten aan toe. Er is sprake van mode in grafmonumenten, architectuur zelfs en in zekere zin ook kunst. Menig grafmonument daar is meer een kunstwerk dan slechts een versteende memorie aan de overledene.

Vanavond was er een uitzending van Brandpunt waar aandacht was voor de verhalen van de overlevenden van de watersnoodramp van 1953. De ramp waar mijn vader als soldaat naar toe gestuurd werd om slachtoffers te helpen. Zijn taak was eerst verbindingen maken, later het redden van vee en tot slot het helpen met de ruimen van de kadavers. In de reportage komt ook een begraafplaats voor. Met grafstenen met namen en met telkens dezelfde datum als overlijdensdatum. Dat raakte me.

the gravefoto: Kensal Green Cemetery © 2013 Alice Anna Verheij

Kensal Green raakte me ook. Omdat ik daar tussen die honderden graven wandelde die vaak meer dan honderd of honderdvijftig jaar oud waren. Met bekende namen voor als je een beetje op de hoogte bent met de kunsten, wetenschap en politiek van die tijd. Met engelen, veel engelen en met spreukloze stenen en kale mausolea maar ook met dichtregels, citaten en soms hele toelichtingen op het leven of de persoon die in een stenen bouwwerk of onder een steen is gelegd. Ooit, lang geleden. Zo hier en daar is een nieuwer graf, te herkennen aan het materiaalgebruik of een bosje bloemen. In deze tijd van het jaar vooral kunstbloemen.

Zo een begraafplaats is intrigerend en rustgevend. Het doet een mens nadenken over wat belangrijk is en wat niet. Mij deed die ervaring en de Brandpunt uitzending me ineens tot een ontstellend besef komen. Het besef dat geheel tegen mijn gevoel en wens in er voor mijn ouders geen stenen zijn, geen plaats om te bezoeken, geen graf om bloemen op te leggen of in gedachten bij stil te staan. Zelfs geen urnenmuur. Mijn vader is uitgestrooid op een anoniem veldje en het keitje dat daar als obligaat monumentje bij was neergelegd is allang verwijderd. Van vader geen spoor. Mijn moeder volgde mijn vader, maar niet helemaal. Nog altijd heb ik een asbus in huis welke het mij tot nog toe onmogelijk is om te legen op de juiste plek. Na drie jaar denk ik dat het moment dat ik dat ga doen niet zo ver meer is. De plaats weet ik, ik zal er voor moeten varen.

Ik vind het erg om niet naar een grafsteen te kunnen gaan. Om mijn gedachten daar achter te laten, in fluistering. Ik mis de koude van een granieten of marmeren steen met er in gebeitelde letters die me de data laten zien achter de namen. Het was hun keus om in de anonimiteit te verdwijnen alsof ze nooit bestaan hebben, alsof ze niet wilden dat er nog aan hun gedacht werd. Het was een misvatting want ik denk nog altijd vaak aan ze. Dat zal niet veranderen. Het voelt alsof mijn herinnering twee ontbrekende stenen als last heeft.

Ik bedenk me dat wanneer het mijn tijd is en er de vraag komt wat er met mijn dode lijf moet gebeuren er hopelijk nog kinderen en vrienden zijn die me onder een steen leggen met mijn naam, de data en deze simpele tekst er in gehouwen:

‘Ze probeerde het tenminste.’

Gewoon omdat ik hoop dat er ooit iemand een roos bij me komt brengen. En als het even kan zou een engel er bij ook wel fijn zijn, zo eentje die een beetje met mos overgroeid is en uitgespreide vleugelen heeft waar ik onder kan schuilen als het regent.

In mijn gedachten weg wandelend van dat graf in de kou van de winter met het knisperende sneeuw onder mijn schoenen bevangt me de gedachte dat ik hopelijk nog heel vaak van mening mag veranderen over wat er met mijn stoffelijkheid gedaan mag worden voordat ik onder mijn steen kruip. Uiteindelijk is een graf ook maar een kille plek en ik kan niet zo goed tegen de kou.

Tijd om de kachel nog maar wat hoger te zetten dus. Tsja, graniet of marmer, zou het wat uitmaken en die engel, moet die zitten of staan?

© 2013 Alice Anna Verheij

Londen in januari.

Toen ik jong was… Wat een rare zin want als ik jong was zou ik nu oud zijn maar ik voel me niet oud. Ben het ook niet. Denk ik. Maar goed, toen ik jong was een leven geleden, speelde ik korfbal. Ik heb altijd van die sport gehouden maar blijkbaar niet genoeg om het te blijven spelen. Sport is iets dat zo lastig is in te passen, vooral teamsport. Ik speelde dus korfbal. Bij een keurige Haagse vereniging waar mensen als een zoon van de oude Willem Drees en Karel de Rooij speelden. En ik. Ik zal ergens rond de vijftien jaren jong geweest zijn toen die keurige ‘Gymnasiasten Korfbal Vereniging’ een uitwisseling had met een Londense korfbalclub. Nomads Korfball Club, een vereniging uit zuid Londen ergens tussen Morden (nog net Surrey) en Raynes Park (niet ver van Wimbledon.

Die sportuitwisseling was het begin van een levenlange liefde voor Engeland en Londen. Maar een leven kan lang zijn en dus is die liefde voor lange tijd naar de achtergrond verdwenen zoals dat gaat met oude geliefden. Kwam ik in die tijd tientallen keren in de Britse hoofdstad en toerde ik regelmatig door zuid en west Engeland, de decennia daarna heb ik me er nauwelijks laten zien. Een huwelijk zat in de weg en de complixiteit van een ongewild leven.

Nu ben ik weer decennia verder en door een vreemde samenloop van omstandigheden en een schilderij dat me betoverde, is de oude liefde terug gekomen. Afgelopen week was ik weer in die stad, deze keer samen met mijn dochter die niet eerder in Engeland was. Het was een leuke week waarin ik met een opdracht door de stad wandelde, de gangen volgend van vrouwen uit het einde van de negentiende eeuw die hoofdrollen spelen in de boeken die ik aan het schrijven ben. Een stad ziet er anders uit als je met een dergelijke missie op pad bent. Musea, oude kunst, begraafplaatsen en straten in een wijk waar ik eerder niet vaak kwam, waren de bestemmingen. Daarbij sprongen er voor mij een drietal nadrukkelijk uit: 10 Avonmore Mansions op Avonmore Road in Hammersmith, Leighton House op Holland Park Road in Kensington en een heuveltje in een kwadrant in de uiterste westhoek van Kensal Green Cemetery.

avonmore mansions

10 Avonmore Mansions. Ze woonde er met twee jongere zussen en een jongere broer. Ada Alice, die zich Dorothy noemde en in het publieke leven een redelijke actrice, een prachtig model en één van de mooiste vrouwen was maar die daarbuiten de plaatsvervangede moeder voor haar zussen en broers was. Een vrouw met een dubbelleven. Wellicht bevriend met een andere, welhaast onvindbare, vrouw die ze ongetwijfeld in de studio van de schilder zal zijn tegen gekomen. Het is een gebouw dat ergens halverwege de negentiger jaren van de negentiende eeuw gebouwd werd in Hammersmith, om de hoek bij de brug over de spoorlijn en het grote Olympia en Kensington High Street. Op ongeveer een kwartiertje wandelen van Holland Park Road waar ze werkte. Nou ja, twintig minuten met een Edwardiaanse jurk aan denk ik. Op haar grafsteen staat haar artiestennaam, in het boek van de begraafplaats haar familienaam. 10 Avonmore Mansions is nog steeds een bijzonder stijlvol apartementengebouw, gebouwd in een degelijke bouwstijl en met een kwaliteit dat het nog steeds erg prettig zal zijn om er te wonen. Ik zou er zelf graag een tijdje wonen. Naast Dorothy woonden ook haar jongste broer Samuel er en de zussen Hetty en Lena. Minder bekend maar ook actrices en modellen. Edith zal in die tijd schuin tegenover Leighton’s huis in Holland Park road gewoond hebben. Ze was getrouwd met Gustav Schwartz, ook een schilder.

Het is vreemd voor een huis te staan waar twee vrouwen gewoond hebben die nu, ruim elf decennia later, zo en belangrijke rol spelen in mijn leven. Twee vrouwen die ik amper ken maar waarvan ik steeds meer kom te weten en waarvan ik steeds minder lijk te weten, want ze verrassen me regelmatig. Toch is het alsof er een verbinding is met ze. We zijn van Avonmore Road de route gaan wandelen die Dorothy jarenlang bijna dagelijks gelopen zal hebben in de maanden dat haar schilder niet in het buitenland was. Frederick Leighton was immers niet alleen een begenadigd en voornaam schilder, president van de Royal Academy of Arts en Dorothy’s Mister Higgins maar vooral ook een bereisd man. Met grote regelmaat trok hij naar Italië en de Levant (het huidige midden Oosten) en noord Afrika. Zijn huis in Holland Park Road was woonhuis, atelier en showcase voor zijn voorliefde voor klassieke, arabische en oriëntaalse kunst. Het huis is gelukkig behouden gebleven en recent uitstekend gerestaureerd tot misschien wel het mooiste huis in Londen. De Arabische hal is een meesterwerk van Victoriaanse oriëntaalse binnenhuis architectuur. Koranspreuken in de mozaïeken op de muren, een Syrisch houten raam en het zachte getinkel van een fontijntje in de kamer.

leighton house

De curator, Daniel Robbins, heeft ons rondgeleid en honderduit verteld over de schilder, de dames Dene en de geheimen van het huis. De aparte entree voor de modellen is nu een binnendeur maar de kamers van de butler in de kelder is er nog. Het archief van Leighton House herbergt een schat aan informatie over de schilder en zijn leven en natuurlijk een paar echte schatten. Bij het spitten door het archief kwam de overlijdenskaart van Dorothy op tafel, samen met onbekende foto’s van de muze van Leighton. Dorothy in Siena in Italië, uitgenodigd door de familie Cartwright die in Italië woonde, Dorothy als actrice. Mooi, theatraal en mysterieus. Langzaam maar zeker wordt duidelijk welk een centrale rol zij gespeeld moet hebben in de levens van Leighton en haar zussen en broers. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat deze vrouw die de inspiratie is geweest voor George Bernard Shaw’s Eliza Doolittle in Pygmalion, een bijzondere vrouw was. Ik zal nog veel van haar zien en lezen in het komende jaar want net zoals in haar leven eind negentiende eeuw stelt ze ook in mijn onderzoek naar de levens van haar, haar jongste zus Lena en haar collega model Mary Lloyd, iedereen in de schaduw.

dorothy dene

Ik heb Dorothy’s graf uiteindelijk gevonden. Er staat een tekst op die door haar zussen en broers bepaald zal zijn. Liefdevol geplaatst op dat heuveltje op Kensal Green staat er nog een scheef gezakt kruis op een eenvoudige getrapte voet aan de korte kant van een met steen omrand perkje. Er groeit nu mos en wat onkruid. Mensen om het te onderhouden zijn er niet meer. Dorothy is in vergetelheid geraakt maar niet ver genoeg om te voorkomen dat ik de plek vond en er een roos kon neerleggen. Kensal Green is geen Highgate. Er liggen minder bekende mense begraven hoewel er wel degelijk de nodige adel, kunstenaars, schrijvers, dichters, theatermensen, musici, notabelen en militairen een eeuwige plek hebben. Thackaray ligt er, niet ver verwijderd van Dorothy, en WH Smith van de winkelketen, Blondin de koortdanser en de romanschrijver Wilkie Collins op wiens graf een bezoeker een Duitse vertaling van een roman van hem had gelegd en die door wind en regen zal vergaan. Voor mij ging het om iets anders, een soort eerbetoon aan iemand die zonder dat veel mensen het weten de echte Eliza Doolittle was, de enige echte My Fair Lady en voor mij een vrouw die liefdevol voor haar zussen en broers zorgde en een affaire had met de schilder wiens model zo zolang was.

dorothy dene (1)

Londen was anders dan decennia terug. De camera’s in de straten, de ondergrondse die nu vrij schoon is net als de straten. Het is een ander, mooier en interessanter Londen dan ik in mijn herinneringen had. Nu ik weer thuis ben is het goed in de wetenschap te leven dat ik altijd nog naar Londen kan om te genieten. De oude geliefde is weer in mijn leven en het is nu tijd om er over te schrijven en over de oude Dave, een romanticus die ons op de begraafplaats spontaan de bijzondere plekken liet zien.

© 2013 Anna Ros

Terug naar een oude jeugdliefde.

Ik ben een romanschrijfster en onverbeterlijk romantisch. Dat laatste was ik altijd al en dat eerste sinds een aantal jaren. Het is buiten de gebruikelijke uitdagingen heel erg leuk om romans te schrijven. Zeker voor mij omdat ik zonder concessies mij kan wijden aan het schrijversvak en mijn leven zo ingericht heb dat de belemmeringen om dat te doen minimaal zijn. Iets wat ik anderen ernstig ontraad overigens want het betekend wel leven in minimale omstandigheden. Mijn thuis is een kleine kamer op twee hoog voor.

De charme van mijn manier van het schrijven van romans is dat er veel onderzoek nodig is. Heel veel onderzoek. Mijn eerste gepubliceerde roman bracht mij op de wallen tussen de prostituees en in een vage club en mijn tweede in vluchtelingenkampen in Nepal. Ervaringen die mijn denkwereld ernstig hebben veranderd en mij voor een flink deel ook vrijgemaakt hebben van conventies, de moraal van (een deel van) mijn opvoeding en angsten die zinloos en onzinnig zijn.

De roman waar ik nu aan werk is in veel opzichten een omslag in mijn werk aan het worden. Ten eerste is het een roman die niet in het heden maar in het verleden speelt en toch geen historische roman is. Daarnaast is dit het boek waarin veel autobiografische elementen verwerkt worden door ze te projecteren op een van de personages. Daar komt nog bij dat het niet één boek is maar drie, een trilogie. Dat laatste was niet de bedoeling maar gegeven dat boeken in zekere zin zichzelf schrijven een logische uitkomst van een goed half jaar onderzoek op thematiek, locaties en personages. Maar er is nog iets.

Londen Januari 2013

Lachrymae (‘Tranen’) is in zekere zin ook een terugkeer naar een periode in mijn jeugd die zeer complex was maar waar ik gelukkig ook goede herinneringen naast de hele slechte heb. Die goede herinneringen hebben in sterke mate te maken met de jaren dat ik meerdere keren per jaar in Londen was. Ik had er een sport- en penvriend en we hebben veel tijd samen doorgebracht. Hij te gast bij mijn familie en ik bij zijn familie. Goed, hij woonde eigenlijk in Surrey en strikt genomen dus niet in Londen maar Morden is wel zo ongeveer het uiterste puntje van Surrey en voor de onbekende simpelweg zuid Londen. Een gezin in een kleine arbeiderswoning in een arbeiderswijk waarvan de vader postbode was en de moeder de twee zoons opvoedde. Een zeer Engels gezin ook.

Ik dwaal af. Mijn nieuwe werk brengt me terug naar Londen. Naar Kensington en Holland Park om precies te zijn en naar Burlington House (en natuurlijk de Burlington Arcade). Plekken in die stad waar ik vaker ben geweest maar in die tijd nog geheel onwetend van de reden waarom ik er nu terugkeer. Ik heb altijd erg van Londen gehouden. Toegegeven, Parijs is romantischer en tintelt meer. Maar Londen was en is een heerlijke stad met een geheel eigen sfeer. Of sferen eigenlijk. Deze keer heb ik een opdracht voor mijn bezoek. Ik ga er zoeken naar wat er nog over is van de geschiedenis van een paar vrouwen, schilders, beeldhouwers en dichters uit een vervlogen tijd. Een tijd waarin er nog de koetsen reden die langzaam vervangen werden door auto’s, een tijd met een zo op het oog strakke moraal maar een evenzo duidelijke hypocrisie die mensen er toe bracht om in het min of meer verborgene zich te onttrekken aan die moraal. Ondeugd zoals dat in Engeland kan zijn. Mijn vrouwen (het zijn er drie) leefden aan dat randje van de maatschappij waar de kunstenaars te vinden waren. De schrijvers en dichters, schilders, beeldhouwers, de eerste beroepsfotografen, acteurs en actrices, de zangers en zangeressen. Niet te vergeten ook de modellen voor de schilders, beeldhouwers en fotografen die niet zelden ook actrices en zangeressen waren of veaudeville of burlesque sterren. Of gewoon prostituee, want er waren in die tijd enorm veel dames die alleen op die manier een eigen bestaan konden opbouwen en onderhouden. Courtisanes, maitresses en hoertjes bevolkten de stad in grote getale want er was nu eenmaal heel wat emplooi voor ze. Zo niet mijn vrouwen, zij waren model en actrice of model en naaister. Een aantal van hen waren min of meer beroemd en een enkeling nadrukkelijk geroemd om haar exceptionele schoonheid.

Het is ruim honderd jaar later. Mijn vrouwen leven niet meer maar toch ook nog een beetje wel. Het is moeilijk om ze te vinden maar ze zijn er nog wel. Op muren van paleizen en musea, van Buckingham Palace tot de Tate Gallery zijn ze nog te zien. Alle drie. Dat maakt het zo heerlijk om naar ze te speuren. Ik ga ze zien straks, geschilderd in de tijd waarin ze op hun mooist waren, ik ga van enkelen de huizen zien (want die zijn er nog steeds) en een atelier waarvan ik zeker weet dat ze er alledrie model gezeten hebben voor één van die schilders. Samen met curatoren en anderen ga ik hun gangen na en ik weet zeker dat ik met aanzienlijk meer beelden en informatie over hun terugkom als wat ik nu heb voordat ik afreis.

De plaatsen die van belang zijn ga ik bezoeken, in mijn hoofd als één van die vrouwen. Ik ga er door haar ogen naar proberen te kijken en weet dat ik dan heel andere dingen zie dan iedereen om mij heen. De Tate Gallery, de Royal Academy, Leighton House en de straten in Kensington zullen er dit keer anders uitzien voor me dan toen ik er lang geleden was. Niet omdat de moderne tijd toegeslagen heeft, want op de overal aanwezige camera’s na valt dat wel mee maar vooral omdat ik anders kijk.

Als het allemaal lukt dat is dit bezoek het begin van een periode waarin ik vaker in die heerlijke stad zal zijn, speurend naar wat er nog wel is van een vervlogen verleden en ondertussen mijn jeugd een beetje terug halend. Voor mijn gevoel doe ik dat terwijl ik de meisjesnaam van mijn moeder draag. Ze zou het mooi hebben gevonden.

© 2012 Anna Ros

5.14u

nacht 2
foto: ‘Marconistraat bij nacht’ © 2013 Alice Anna Verheij

Het vuurwerk is verknald
de mens tot rust gekomen
Zelfs de wind ging liggen
maakte ruimte voor dromen
Deze nacht lijkt extra stil
de tweede nacht van ’t jaar
Een vroege tram verstoord even
mijn gedachten aan haar
Geen kater laat zich horen
of krakend bed bij de buren
Slechts het ritmisch tikken
en het slaan van alle uren
Mijn vermoeide hoofd
laat mij voor even vrij
Maar een tram later is
ook dat alweer voorbij

© 2013 Alice Anna Verheij

Writer’s Block in 2012.

The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2012 annual report for this blog.

Here’s an excerpt:

19,000 people fit into the new Barclays Center to see Jay-Z perform. This blog was viewed about 120.000 times in 2012. If it were a concert at the Barclays Center, it would take about 6 sold-out performances for that many people to see it.

Click here to see the complete report.