Het is om te janken.

Het is om te janken, het is om te janken zo mooi.

Maarten Roozendaal is niet meer. Gewoon, zomaar. In korte tijd, een half jaartje of zo, kantelde zijn leven naar het niet leven.

Als een leeftijdsgenoot sterft, Maarten was van het mooie jaar 1962 dat ook mij voortbracht, als een leeftijdsgenoot sterft dan krijg ik een klap in het gezicht van mijn zelfvertrouwen. Zoiets zet me op mijn plaats. Doet me beseffen dat sterven misschien gewoner is dan leven. Er zijn immers meer gestorvenen dan levenden. Het maakt dat ik nog nadrukkelijker de angst voor het niet voluit leven voorbij wil. Zo ongeveer als de yellow roman candles van Kerouac. Maarten was een dichter. Sommigen zeggen liedjesschrijver of kleinkunstenaar. Maar voor mij was hij een dichter. De melodie immers was ondergeschikt aan de teksten die hij schreef en met zo’n aantrekkelijke intensiteit er uit gooide. Rock & roll is niet voorbehouden aan musici.

Trouwens, volgens mij zit Maarten nu ergens tussen die Nijgh en Vinkenoog ons te bekijken. Met een glas in de ene en een sigaret in de andere hand. Nijgh plagend om zijn softe teksten en door Vinkenoog geplaagd wordend want hoewel die twee voor mij op dezelfde eenzame hoogte van de Nederlandse poëtische ladder staan was Simon toch net even complexer. De drie kijken naar ons en zitten vast grappen en grollen te maken over die rare Hollanders die zich druk maken over wat er niet toe doet en ondertussen vergeten te doen wat zij deden: leven. Want geleefd heeft Maarten. Gezopen, gerookt en vast de rest ook wel. Ach, daar komt Martin Bril ook even. Ramses zit op een bankje aan de zijkant en kijkt koninklijk toe. Aan de andere kant zit Toon, met een glimlach. Hij schrijft een lief gedichtje.

Het is druk geworden daarboven. Alle mooie mannen van de taal lijken zich er verzameld te hebben en dat betekent als vanzelf dat het hier beneden verdomde leeg is geworden. Het gat dat al geslagen was in de afgelopen jaren is weer een beetje groter gemaakt door het vertrek van Maarten. Met stille trom, zonder al teveel gerucht. Gewoon uitgedoofd in een half jaar. Weg. Old soldiers fade away immers.

Het maakt het er niet leuker op hier en precies om die reden denk ik dat we maar een beetje ons best moeten doen om ons niet te laten afleiden door het gesodemieter van de politiek, de crisis, het geweld en de oorlogen en wat God, Joost of wie dan ook nog meer weet. Misschien moeten we maar wat gemakkelijker worden en onszelf het leven toestaan. Verliefd worden omdat dat zo lekker is, drinken als we willen drinken en met hedonistisch genoegen de bohémien uithangen. Want uiteindelijk doet het er allemaal niet zoevel toe. Voor ons vele anderen, of eigenlijk na ons vele anderen. Misschien moeten sommigen van ons meer een Maarten worden. Want hoewel zijn leven te kort was, was het wel een leven. In alle opzichten. Met passie, met woorden, met poëzie, met liedjes. Die allemaal achter gebleven zijn als een groot kado aan een wereld die er allemaal geen donder van begrepen heeft.

Maarten, het ga je goed daar man. Doe die andere mannen de groeten. Ik neem er eentje op je ondanks dat ik het flauw vind dat je vertrokken bent. Dat, Maarten, is gewoon helemaal niet leuk van je. Maar het is je vergeven. Want al valt het niet mee, het lukt ook zonder jou.

© Alice Anna Verheij

Geleende gedachten.

Dezer dagen gebeurt er meer in mijn leven dan ik zelf wellicht doorzie. Aan veranderingen ben ik gewend. Aan nederigheid en het accepteren van iets wat men lot noemt ook. Ik ben gewend geraakt aan niet verwezenlijkt krijgen waar ik van droom. Aan niet verwerkt krijgen waar ik mee worstel. Ik ben gewoon om niet meer te kunnen leven op een wijze die voor de meeste mensen van mijn generatie eigenlijk de gewoonste zaak van hun wereld is.

Maar hun wereld is niet mijn wereld.

Ik ben gewoon te reizen in mijn hoofd en soms in de realiteit. Altijd speelt het verleden daarbij een rol in een soort samenhang met mijn heden op een vooral ondoorgrondelijke wijze. Ik ruil mijn verdriet, angsten en gebrek uit tegen passie voor wat ik schrijf of fotografeer en vooral met wie ik dat samen doe. Mijn pen, papier, computer, ze zijn mijn gereedschap. Een uitgestelde mond die pas spreekt wanneer een ander me leest. Nooit is dat op het moment dat mijn handen vastleggen wat mijn gedachten mij vertellen. En zelden spreek ik mijn diepste gedachten uit, hoe intiem mijn tekst soms ook lijkt te zijn voor wie mij leest.

Dat is mijn wereld.

Na jaren intensief schrijven en bouwen aan wat mijn droom is, vecht ik tegen slijtage. Tegen vermoeidheid. Ik vier de kleine victories en mijn ziel poogt zich te verbinden met andere zielen die zijn als ik. Om dat te duiden lees ik verhalen uit de tijd die mij als geen andere tijd intrigeert. Over mensen die mij door hun leefwijze aantrekken. Ik lees hun werk, hun gedachten, hun pijn, hun liefde. Ik lees liefdesbrieven.

Hun wereld is een beetje mijn wereld aan het worden.

vita virginia

Ik heb idolen. Dat is het goede woord. Ernest Hemingway natuurlijk, mijn eeuwige inspiratie. Sinds een tijdje lees ik de boeken van Vita Sackville-West en Virginia Woolf’s werk. De afgelopen tijd heb ik hun liefdesbrieven gelezen en ben daar diep door geraakt. Want ik herken ze. Ik proef de stille liefde, de verhulde passie, de soms platonische maar o zo vaak nauwelijks verhulde liefde tussen hun geest, hun ziel. En ik herken het. Ik herken dat als mijn eigen gedachten, mijn eigen woorden en mijn eigen stille en ongeschreven teksten. Ik herken hun devote toewijding aan wat zij het liefste deden: schrijven. Ik herken dat zij dat konden door de verbinding die zij met elkaar hadden als vakgenoten, als geliefden hoewel die liefde lang niet geconsumeerd werd in de zin die men tegenwoordig maar al te gemakkelijk ziet als de enige basis waarop mensen zich verbinden met elkaar. Zij waren zo liberaal, zo gesofisticeerd in hun levenswijze. Zo niet angstig voor de consequenties van het helder willen zijn over hun gedachten, gevoelsleven, liefde en kunst.

En ik wil mijn wereld zelf ook zo graag zo ingevuld zien worden.

Niet in alle aspecten, maar wel in een aantal essentiële, is precies ook dat wat er gebeurt. Terwijl dat gebeurt en scheppen in vriendschap en samenwerking de basis is geworden van mijn leven voel ik ook de angst die in hun liefdesbrieven sluimert. De angst om het te verliezen. Wanhoop zelfs soms en vooral de vermoeidheid die het grootst is vlak na het gevecht. Vooral ook het besef dat achter blijft wanneer het gevecht tegen het verzwijgen van het eigen gevoel verloren is.

Dus ben ik gestopt met vechten, aanvaard mijn vermoeidheid na alle jaren, omarm mijn toekomst zoals die zich nu aan mijn ontvouwd en besef dat het mijn gedachten zijn die mijn grootste goed zijn. Tegen de stroom van de ratio in kan ik zeggen dat ik eindelijk van mijzelf hou. Genoeg om verder te kunnen en te willen. Die vermoeidheid zal minderen, de basis steviger worden en ik weet net zo min als Vita en Virginia wisten toen liefdesbrieven tussen hun wisselden hoe het zal eindigen. Ik weet hoe het hun verging. Toch ben ik mijn angst voorbij. Juist nu mijn leven eindelijk de vorm krijgt die het moet hebben, nadat mij na al die jaren en pijn mijzelf duidelijk is geworden wat mijn essentie is. Juist nu blijk ik te mogen vertrouwen op mijzelf, op wat ik maak en hoe ik dat zelf waardeer.

Dit schreef Vita aan Virginia, het passionele antwoord kwam later. Dat antwoord is bekend geworden bij de literaire liefhebbers maar de vraag die het antwoord ontlokte in mindere mate. Daarom citeer ik die tekst hier. Hoe het anderen vergaat die dit lezen weet ik niet maar ik begrijp het alsof ik het zelf geschreven had. Het zijn daarmee geleende gedachten. Ik sta mijzelf dat toe. Voor even. En leg dit opnieuw vast, in een andere tijd en een andere omstandigheid. Voor wie het aan gaat.

…I am reduced to a thing that wants Virginia. I composed a beautiful letter to you in the sleepless nightmare hours of the night, and it has all gone: I just miss you, in a quite simple desperate human way. You, with all your undumb letters, would never write so elementary a phrase as that; perhaps you wouldn’t even feel it. And yet I believe you’ll be sensible of a little gap. But you’d clothe it in so exquisite a phrase that it should lose a little of its reality. Whereas with me it is quite stark: I miss you even more than I could have believed; and I was prepared to miss you a good deal. So this letter is really just a squeal of pain. It is incredible how essential to me you have become. I suppose you are accustomed to people saying these things. Damn you, spoilt creature; I shan’t make you love me any more by giving myself away like this — But oh my dear, I can’t be clever and stand-offish with you: I love you too much for that. Too truly. You have no idea how stand-offish I can be with people I don’t love. I have brought it to a fine art. But you have broken down my defenses. And I don’t really resent it.

© 2013 Alice Anna Verheij

De Universiteit van Antwerpen, ik en Willem Elsschot.

Dan kom je na een moeilijke dag onverwacht een tekstanalyse programma (Stylene) van de Universiteit van Antwerpen tegen op facebook. Je doet die analyse op de laatst geschreven zeer persoonlijke en pure tekst die je schreef. En dan is de conclusie dat je noch man noch vrouw bent in je tekst, deze in hoge mate poëtisch / literair is en de dichtsbijzijnde auteur qua stijl Willem Elsschot is.

In de ogen van de algoritmes van de UvA (Niet die Amsterdamse maar die Antwerpse).
Ondanks de relativiteit van iets dergelijks ontkom ik niet aan een enorme glimlach. En dat had ik hard nodig.

Voor wie het zelf wil proberen, dit is de link naar de website.

tekststijlanalyse

Momenten van geluk

Er zijn momenten dat geluk er al is terwijl ik het niet in de gaten hebt. Wanneer ik dat dan eindelijk inzie wordt me plots duidelijk dat hoe nauwkeurig ik ook de wereld observeer, mijn eigen wereld zal ik nooit helemaal doorzien. Gelukkig maar want dat maakt dat ik verrast kan blijven worden.

Op de achtergrond zingt Francis Cabrel ‘ Je t’aimais je t’aime je t’aimerai’ en zo is het.

Voor ieder van ons blijft de zon te lang weg en is de zomer een schim geworden van een herinnering en zelfs nauwelijks een beeld dat we ons nog kunnen voorstellen. De winter duurde te lang, het voorjaar was er niet en het sjagrijn in bijna alles lijkt te regeren. Toch is de werkelijkheid anders. Wanneer mijn kamerdeur openstaat zoals vandaag en de zon haar warmte laat voelen, hoor ik de wind door de bladeren van de berkenboom voor mijn deur ruisen. Sluit ik dan mijn ogen dan lig in het gras ergens in de vrije natuur en luister naar wat zoveel anderen voor mij hoorden en zoveel anderen na mij ook nog zullen horen. Dan besef ik dat deze wereld niet de onze is maar dat wij van die wereld zijn. Niets is mijn of jouw eigendom, we hebben alles te leen en tegelijkertijd is die vrije wereld, al dat moois jouw eigendom en het mijne tegelijk. Dat schept verplichtingen naar de natuur, naar jou en naar mezelf. Bladeren ruisen niet voor niets. Ze doen dat om ons te laten weten dat er iets groters is dan wij zelf. Iets veel belangrijkers. De boom voor mijn huis stond er al voor ik hier kwam wonen en zal wellicht zelfs ouder zijn dan ik zelf. De kans dat die er nog zal staan als ik hier niet meer woon of niet meer leef is aanwezig. Dat stelt me gerust.

home (1)

Ik ben een mens van verandering, zo schijnt. Althans, dat denken de mensen om mij heen vaak van mij en in zekere zin cultiveer ik dat beeld. Mijn geest dwingt mij immers mijn hele leven al naar voren, naar de toekomst. Verleden is niet iets waar ik met onbevlekte vreugde aan denk. Die eeuwige vlucht naar voren maakt dat voor sommigen ik onberekenbaar ben. Ze kennen mij niet echt. Anderen die ik reken tot mijn liefste vrienden weten beter hoop ik. Mijn drang om niet alleen naar de toekomst te kijken maar er ook naar toe te willen gaan lijkt in schril contrast met mijn behoefte om nu juist me te verdiepen in geschiedenis, in tijden van voor mijn bestaan. Die voorwaartse beweging gekoppeld aan een blik naar het verleden is misschien wel de belangrijkste karakteristiek van mezelf en in plaats van die te bestrijden door me te concentreren op het korte moment van het heden omarm ik die karakteristiek. Het is een wezenlijk deel van mij om te willen leven in het verleden maar daar vooral mijn toekomst op te baseren.

Mensen die dat herkennen zijn collega tijdreizigers.

Mijn punt is dat door mij zoveel minder met het heden bezig te houden ik vaak niet kan voldoen aan wat de maatschappij van mij verwacht. Die immers houdt zich bijna uitsluitend met dat heden bezig. Zaken worden belangrijk gevonden die dat helemaal niet zijn en vaak besef ik dat een probleem of situatie van het moment over een tijdje voorbij is. Verleden tijd is geworden. Onveranderlijk geworden en daarmee voor de toekomst niet relevant. Immers, de toekomst kan een mens beïnvloeden, het verleden niet meer. Maar om die toekomst te kunnen beïnvloeden zijn er wat mij betreft twee belangrijke zaken aan de orde die ik poog vast te houden: goed doen in het heden en het verleden kennen en begrijpen. Er van willen leren. In klein verband als het om mezelf gaat maar in groter verband is dat minstens zo belangrijk.

De maatschappelijke problemen van vandaag zijn gemakkelijker te duiden nu ik de Victoriaanse tijd bestudeer. De analogieën zijn veelvuldig en overduidelijk. Het fin de siècle gedrag van het einde van de negentiende eeuw kent zoveel overeenkomsten met deze zogenaamd moderne tijd. En deze tijd is zoveel behoudender en conservatiever dan die van pakweg dertig jaar geleden. Wellicht vreemd maar dat besef van hoe de maatschappij in het westen zo lang terug functioneerde in vergelijking met hoe die nu functioneert bepaald vaak mijn keuzes, mijn standpunten en vooral de zaken waar ik me mee bezig hou.

Waarmee ik weer terug kom bij die geluksbeleving. Want met de mooie zang van die Fransman in mijn oren vermengd met het ruisen van de wind door de bladeren van de berkenboom besef ik dat ik misschien wel de belangrijkste tijd in mijn leven doormaak. Besef ik dat ik dat wellicht iedere dag doe en dat het heden belangrijker is dan gedacht. Het dwingt mij om te kijken naar de zon die door de gebedsvlaggen op mijn balkon schijnt en mij trakteert op heldere kleuren en een zuivere blik. Een windhorse is niet een verzinsel van monniken maar een gebed, een zegen die ik op momenten als deze voel. Sommigen zullen dat geluk noemen.

Ik vandaag ook. De zomer komt er echt aan.

© 2013 Alice Anna Verheij

Date ex machina

Magica ex machina.

De wekker liet zich te vroeg horen. De avond ervoor had langer geduurd dan ze zich herinnerde en de hoeveelheid rode wijn was evenzo meer geweest. Althans, zo liet haar hoofd haar weten. De klok, nee de kalender, was mentaal zo’n slordige 120 jaren teruggezet in de nacht. Geen aprilgrap, wel 1 april.

Het kwam door zoiets eenentwintigste eeuws als Facebook. Tijdens het kleeden en thee zetten bedacht ze dat ze de man nooit eerder ‘in the flesh’ getroffen had. Hij was tot dan een profielfoto en een verzameling gevatte commentaren en conversaties geweest. Charmant in tekst. Het idee voor een ontmoeting bestond al eerder en, eerlijk is eerlijk, was ook al gepland voor een later, zonniger en warmer, moment.

Hugo. Een mooie stevige naam. Lekker kort, beetje vierkant maar met een vriendelijke klank.

Tot dan toe waren de uitwisselingen beperkt geweest tot het literair vliegen afvangen, het uitruilen van kwinkslagen op statusmeldingen en het bewonderen van foto’s met, zonder uitzondering, een nostalgische lading. De man hield van wat de modernisten ‘vintage’ noemen. Zij zelf ook. Het was een foto geweest van een raar autootje, een driewieler met enige verwantschap met een cicade, of een cockpit van een oude Spitfire. Het ding was gemaakt door Messerschmidt en natuurlijk was er de verrassing geweest dat een dame als zij zo’n ding bij naam en toenaam kon benoemen. Een tweetal telefoongesprekken waren het gevolg èn het zalige plan zo’n karretje te bekomen teneinde ergens langs de kust daar een pier mee te berijden. En toen kwam er dat olijke plan van Deus Ex Machina: ‘date ex machina’.

date ex machina

Als een waar tijdreizigster was het vanzelfsprekend gebleken af te reizen naar Vlaanderen. Antwerpen om precies te zijn. Een niet echt vanzelfsprekende plaats voor een Haagse maar gegeven de psychologische ligging halverwege Brussel en Den Haag, de enige plaats die in aanmerking zou kunnen komen voor een afspraakje. Post Victoriaans bezien was het geen afspraak en al helemaal geen date. Dat soort zaken zijn respectievelijk twintigste en eenentwintigste eeuws. Het was eerder een tête à tête. Zonder chaperonne. De gekozen locatie, hoe kan het ook anders met tijdreizigers, was natuurlijk de restauratie van de spoorwegkathedraal van Antwerpen. Een passender plek bestond niet. Een passender datum overigens niet. De zon scheen zelfs.

Na de thee kwam de koffie en een croissant. De bakjes van de kat vulden zich met zalm, niet bepaald een prettig luchtje zo in de ochtend, en water. Een spiegelmoment verzekerde haar van zichzelf en na wat twijfel over passende kleding en hakhoogte verdween ze in haar jas en onder een bolhoedje. Tijdreizigers dragen hoeden immers. De tram kraakte en piepte als een eeuw geleden en de trein vertrok van een station dat zich in zekere zin kon meten met dat van de bestemming van de trein. Ze reisde van Holland Spoor naar Vlaamse trots, het klonk als een boektitel. Geen Fyra te bekennen, dat was vooral geruststellend. Geen vertraging ook. Overstappen in Roosendaal, deze keer geen roepende negotiant met karretje met koffie en koeken op het perron. Die was immers in de tijd verdwenen. Enkele hoofdstukken later dook haar trein ondergronds om aan te komen in het Antwerpse ruimtestation. Captain Kirk was nergens te bekennen, net zo min als Mister Spock. Het verbaasde haar opnieuw welk een wandeling en klim er nodig bleek om in de kathedraal te komen. Eenmaal daar echter bleek de tijdreis er op te zitten. De brede marmeren, of waren het granieten, trappen brachten haar naar de restauratie. ‘Le Royal Cafe’ staat er boven de toegangsdeur. Iets deed haar bedenken dat er eigenlijke ‘Le Café Royal’ zou moeten zijn, ze twijfelde.

Drie seconden waren er nodig om de brede lach en de opgestoken hand van haar amice te zien. Dertig seconden om gezamenlijk te landen aan een tafeltje ergens in het midden van het etablissement. De plaatsing was zodanig dat het haar lukte om de wijzer van de immense klok in de even immense spiegel op het halve uur een sprongetje te zien maken en al vibrerend tot stilstand te zien komen. Het was half twee. Een dame wenst overzicht te hebben.

Beleefdheden en grapjes werden uitgewisseld. Tot wederzijds genoegen. Goede koffie en een side-dish vergezelden hen. Niet lang duurde het voordat de boeken op tafel kwamen. Hij had een bijzonder boek meegenomen, een boek over een oude vrouw die schrijft, van een mannelijke auteur, een leeftijdsgenoot. ‘Godenslaap’ geschreven in 2008 door Erwin Mortier had het voor hem gewonnen van onder meer de Brontë’s. Omwille van het tijdreizen. Zij had, uiteraard, haar laatst geschreven roman meegenomen. Van ‘The old man and the sea’ van Hemingway kon ze immers onmogelijk scheiden en hoe kon trouwens een verhaal van een andere schrijver meer geliefd zijn dan het boek dat je zelf schreef?

Een middag, een goede maaltijd, vele gespreksonderwerpen, een stadswandeling, een bezoek aan (natuurlijk) Den Engel op de markt en een blik in de Scheldetunnel verder, eindigde de ontmoeting waar die begon. Zelfs een val kon niet voorkomen dat ze aan hetzelfde tafeltje in het station zaten. Want cirkels zijn rond en het is belangrijk om wat mooi is begonnen, mooi af te ronden. Een vervolg zal er zeker en vast (of is het ‘vast en zeker’?) komen. In Brussel. In ‘s-Gravenhage. Aan het begin van de avond wandelde ze wederom het ruimteschip in om terecht te komen in een trein. Naar een station in het Haagse. Naar een piepende tram. Naar een kamer waar een kat ongeduldig wachtte. De zalm was op. Het was gegaan zoals ze verwacht had. Een heerlijke dag, een pracht ontmoeting, twee geesten die verwant bleken te zijn, plezier en aandacht voor de schoonheid van het verleden en bedachtzaamheid over het heden. Een ontmoeting ook die welzeker niet alleen een vervolg verdient maar het grote genot van het lezen van een prachtboek dat in de tas mee terug reisde opleverde.

Alice Anna Verheij ontmoette Hugo Schellekens in het kader van ‘date ex machina’ en het werd bovenal een ‘magical date’.

© Alice Anna Verheij

Rood op oranje.

Vandaag is een rare dag. Wakker worden lukte niet zo goed. O ja, de koningin viert haar laatste verjaardag als koningin. Toch wel bijzonder bedenk ik me. Direct gevolgd met de gedachte dat het dus een oranje dag is. Op oranjedagen kleed ik me rood. Ik ben nu eenmaal ietwat tegendraads. Niet per sé een anti-monarchist of zo maar toch houdt me die rare job rotation tussen prinsen, koninginnen, prinsessen en koningen wel bezig. Na koffie, douche en weer koffie reorganiseerde mijn agenda zich als vanzelf. Leuke mensen op de rol vandaag en na het shuffelen van tijden en dagen, morgen dus ook.

In het rood, met hoed op want ik blijf het wat koud vinden, dan toch maar er op uit. Niet volledig helder volgt de routine van het opladen van het kaartje dat me naar de stad moet brengen en de rode tram die ik pas registreer als rode tram wanneer ik er in zit.
En dan op de Lijnbaan zie ik vanuit mijn ooghoek een hagelwitte koets aankomen. Zo’n lage met een baar er op. Pront op die baar een doodskist van het roodste rood dat je kunt bedenken. Als een uitroepteken geplaatst. In plaats van de schok van de aanblik van een lijkkoets veer ik op. Langzaam verschuift het beeld van rechts naar links achter langs de raamstijlen van de tram die op dat moment gelukkig bij de halte wacht. Een enkeling om me heen ziet het ook en verbazing is zichtbaar op hun gezichten.

Ineens weet ik het. Als ik ooit ga wil ik dat. In een knalrode kist door de straten gereden worden. Wel met een zwarte koets want met wit heb ik nooit zoveel gehad. De lange neus die de rode kist trekt naar de levende omstanders verraad een karakter dat me bevalt. Wie er in ligt heb ik geen idee van maar bij mij overheerst de glimlach en ik weet wel zeker dat precies dat de bedoeling geweest zal zijn van het mens dat langs mijn tram wordt gereden. Het kan niet anders dat er een passioneel romanticus ons nog even wat wou laten weten.

En dan rijden we de hoek om. Mijn dag is weer goed.

© 2013 Alice Anna Verheij

rode kist

Vandaag is een oranjedag.
Op dit soort dagen ben ik rood
en draag ik een hoed.
Zelfs de tram is zo rood als ik.
Hoe passend.

Halverwege rijdt er onverwacht
– want zo komt de dood meestal –
een hagelwitte lijkkoets.
In de tegengestelde richting.
Hoe passend.

Er op staat de knalrode doodskist,
als een lange neus naar het leven.
Dat een doodskist me blij kan maken.
Mijn hoed zet ik af.
Hoe passend.

Twee ontbrekende stenen.

De laatste tijd houd ik me onledig met onderzoek ten behoeve van een trilogie die ik schrijf. Dat onderzoek naar de hoofdpersonen is een onderzoek naar het verleden. Naar mensen die niet meer leven en waarvan weinig is terug te vinden. Het brengt me naast allerlei uithoeken van het internet naar archieven, musea en begraafplaatsen. Vooral die laatste categorie is fascinerend.

Graven zijn eigenlijk kleine (en soms grote) individuele gedenktekens. Ze geven een beeld van de status van iemand, de liefde van zijn of haar familie en vrienden en bestaan dat ze hadden. Vooral oude begraafplaatsen zoals het recent door mij bezochte Kensal Green Cemetery in Londen voegen daar nog een aantal kwaliteiten aan toe. Er is sprake van mode in grafmonumenten, architectuur zelfs en in zekere zin ook kunst. Menig grafmonument daar is meer een kunstwerk dan slechts een versteende memorie aan de overledene.

Vanavond was er een uitzending van Brandpunt waar aandacht was voor de verhalen van de overlevenden van de watersnoodramp van 1953. De ramp waar mijn vader als soldaat naar toe gestuurd werd om slachtoffers te helpen. Zijn taak was eerst verbindingen maken, later het redden van vee en tot slot het helpen met de ruimen van de kadavers. In de reportage komt ook een begraafplaats voor. Met grafstenen met namen en met telkens dezelfde datum als overlijdensdatum. Dat raakte me.

the gravefoto: Kensal Green Cemetery © 2013 Alice Anna Verheij

Kensal Green raakte me ook. Omdat ik daar tussen die honderden graven wandelde die vaak meer dan honderd of honderdvijftig jaar oud waren. Met bekende namen voor als je een beetje op de hoogte bent met de kunsten, wetenschap en politiek van die tijd. Met engelen, veel engelen en met spreukloze stenen en kale mausolea maar ook met dichtregels, citaten en soms hele toelichtingen op het leven of de persoon die in een stenen bouwwerk of onder een steen is gelegd. Ooit, lang geleden. Zo hier en daar is een nieuwer graf, te herkennen aan het materiaalgebruik of een bosje bloemen. In deze tijd van het jaar vooral kunstbloemen.

Zo een begraafplaats is intrigerend en rustgevend. Het doet een mens nadenken over wat belangrijk is en wat niet. Mij deed die ervaring en de Brandpunt uitzending me ineens tot een ontstellend besef komen. Het besef dat geheel tegen mijn gevoel en wens in er voor mijn ouders geen stenen zijn, geen plaats om te bezoeken, geen graf om bloemen op te leggen of in gedachten bij stil te staan. Zelfs geen urnenmuur. Mijn vader is uitgestrooid op een anoniem veldje en het keitje dat daar als obligaat monumentje bij was neergelegd is allang verwijderd. Van vader geen spoor. Mijn moeder volgde mijn vader, maar niet helemaal. Nog altijd heb ik een asbus in huis welke het mij tot nog toe onmogelijk is om te legen op de juiste plek. Na drie jaar denk ik dat het moment dat ik dat ga doen niet zo ver meer is. De plaats weet ik, ik zal er voor moeten varen.

Ik vind het erg om niet naar een grafsteen te kunnen gaan. Om mijn gedachten daar achter te laten, in fluistering. Ik mis de koude van een granieten of marmeren steen met er in gebeitelde letters die me de data laten zien achter de namen. Het was hun keus om in de anonimiteit te verdwijnen alsof ze nooit bestaan hebben, alsof ze niet wilden dat er nog aan hun gedacht werd. Het was een misvatting want ik denk nog altijd vaak aan ze. Dat zal niet veranderen. Het voelt alsof mijn herinnering twee ontbrekende stenen als last heeft.

Ik bedenk me dat wanneer het mijn tijd is en er de vraag komt wat er met mijn dode lijf moet gebeuren er hopelijk nog kinderen en vrienden zijn die me onder een steen leggen met mijn naam, de data en deze simpele tekst er in gehouwen:

‘Ze probeerde het tenminste.’

Gewoon omdat ik hoop dat er ooit iemand een roos bij me komt brengen. En als het even kan zou een engel er bij ook wel fijn zijn, zo eentje die een beetje met mos overgroeid is en uitgespreide vleugelen heeft waar ik onder kan schuilen als het regent.

In mijn gedachten weg wandelend van dat graf in de kou van de winter met het knisperende sneeuw onder mijn schoenen bevangt me de gedachte dat ik hopelijk nog heel vaak van mening mag veranderen over wat er met mijn stoffelijkheid gedaan mag worden voordat ik onder mijn steen kruip. Uiteindelijk is een graf ook maar een kille plek en ik kan niet zo goed tegen de kou.

Tijd om de kachel nog maar wat hoger te zetten dus. Tsja, graniet of marmer, zou het wat uitmaken en die engel, moet die zitten of staan?

© 2013 Alice Anna Verheij

Kroegschrijver

Ik ben een nachtschrijver en een kroegschrijver. Als vat vol tegenstrijdigheden houdt ik van de eenzaamheid ’s nachts om verhalen of gedichten te schrijven. Of een ‘stukje’ of kort verhaal. Mijn romans echter schrijf ik op een andere plek en op een andere manier. Ze zijn immers onderzoek intensief èn emotie intensief. Dat vergt een andere werkplek en eigenlijk zelfs twee. Één werkplek waar ik zonder problemen zes of zeven uur of langer kan doorschrijven, zonder hinderlijke onderbrekingen als eten, slaap of sociale contacten. Dat zijn de productiedagen, de dagen waarop ik vooral het ambacht beoefen want het boek is eigenlijk al geschreven en in mijn hersenpan opgeslagen in kasten met heel veel laden, gerubriceerd en geordend zodat alle onderdelen eenvoudig te vinden zijn voor wanneer ik ambachtelijk de hersenknipsels samenbreng in zinnen, alinea’s en hoofdstukken conform de al bepaalde verhaallijn. Er ligt natuurlijk een notitieboekje naast met met de feitjes, jaartallen, namen en plaatsen.

 

Maar het echte schrijven, het componeren, vindt plaats in kroegen. Ik zou liefst zeggen kroegen en kathedralen maar die laatste zijn niet te vinden in de stad waar ik woon en als ze dat zouden zijn dan zouden ze gesloten zijn op de momenten dat ik er wil schrijven. En dus plaats ik mezelf in die meest cruciale momenten van mijn schrijverschap in kroegen. Liefst van de soort waar de muziek deugd en niet te hard is, er een goede tafel staat en het geroezemoes nooit boven een geruis uitkomt zodat er een auditieve cocon ontstaat. Met mij er in. Stil, teruggetrokken in de wereld van het verhaal dat ik schrijf, regelmatig voorzien van koffie zoals ik die wil en vooral alleen tussen de mensen.

Er zijn niet veel kroegen die voldoen aan mijn eisenpakket. Soms is de muziek niet goed, soms zijn de gesprekken te luid en soms zijn de mensen te interessant om niet te observeren of een gesprek mee te beginnen. Maar een paar plekken heb ik gevonden die wel voldoen, een enkele is afgevallen na enige tijd omdat de situatie er veranderde of omdat er te gemakkelijk verstoringen optreden door de bevolking van het etablissement. En zo ben ik meerdere middagen per week te vinden op het Regentesseplein in een kroeg waarvan ik de eigenaren niet echt leuk vind maar waar de koffie wel goed is en er soms een biertje of glas wijn te vinden is na gedane arbeid. Het is er overdag binnen vrij stil. De muziek overtijgt het Skyradio niveau van veel andere plekken zonder echt geweldig – en dus afleidend – te worden. De kroeg staat midden in de laat negentiende eeuwse buurt waarin ik ook woon. Perfect passend bij het boek dat ik schrijf want dat speelt in de tijd dat de huizen hier gebouwd werden. De sfeer klopt. Ik ben er nog nooit blijven eten en dat zal ook niet gebeuren, daarvoor vind ik de zaak niet geschikt. Een biertje met vrienden drinken doe ik er ook niet, er zijn leuker plekken daarvoor. Maar het is een prima schrijfkroeg voor me.

Het is een fase in de creatie van mijn boek die ik er doormaak. Als die voorbij is zal ik in ‘splendid isolation’ het ambachtelijke werk gaan verrichten. Mijn hoofd leeg laten lopen in een omgeving die ontdaan is van alle stimulansen en afleidingen. Waar dat deze keer zal zijn weet ik niet. De vorige keer ben ik er de bergen in Nepal voor in gegaan maar dat zal nu niet kunnen. Misschien is een eiland of een bos dit jaar de meest geschikte plek. Of een huisje in de polder. Gelukkige dienen dergelijke plekken zich altijd vanzelf aan dus ik hoef er alleen maar op te wachten. Tot die tijd ben ik weer de kroegschrijfster. Voor een tijdje.

(c) 2012 Alice Anna

Een roerloze vrouw in een kooi met cupcakes & muffins en een rouwmantel houdt van je zusje en komt uit stille wateren.

foto: van facebook Tineke

Het samenstel van boeken dat een vriendin met haar verjaardag kreeg en fotografeerde bracht me tot de volgende openingszin van een kort verhaal. Dit het verhaal, een schrijfoefening in improvisatie.

‘Een roerloze vrouw in een kooi met cupcakes & muffins en een rouwmantel houdt van je zusje en komt uit stille wateren.’ Ik schoot in de lach.
‘Je zit me te dollen, mafkees!’
‘Nou ja roerloos was ze niet echt maar die cupcakes en rouwmantel waren er wel en ik verdenk haar er van dat ze wel degelijk een oogje op je zusje heeft en verder zei ze niets. De hele avond niet. En stille wateren, weet je. Ik denk niet dat Elisa het doorhad gisteren.’
‘Lijkt me ook moeilijk om wat te zeggen in zo’n situatie.’
‘Dat ook natuurlijk.’ Raymond legde zijn telefoon weg die ons gesprek hinderlijk had onderbroken. Hij was bleek.

Het was de eerste keer geweest voor Raymond. De eerste keer naar een club. De optredens waren leuk geweest. Lekker op het kantje maar altijd nog net netjes genoeg om theater genoemd te kunnen worden in plaats van showtjes in een louche nachtclub. Het was ook geen nachtclub in dat straatje op vijf minuten slenteren van de Moulin Rouge maar meer een theatercafé. Ik verwachtte ook dat er ergens halverwege de avond een man met flamboyante hoed á la Aristide Bruant zou komen opdagen. En dat Toulouse-Lautrec dus ergens achterin aan een tafeltje zou zitten schetsen. Niets van dat al. Wel cancan danseressen moderne stijl voor een half uurtje laat op de avond. Raymond en mijn zusje die sinds kort zijn vriendinnetje was keken hun ogen uit. Raymond was een uiterst fatsoenlijk opgevoede jongeling van krap eenentwintig en dus keek hij ietwat besmuikt naar de danseressen die zo hier en daar en zo af en toe een jarretelle lieten zien onder hun omhoog waaierende rokken.

Halverwege de avond kwam ze binnen. Gedragen in een draagstoel met daarop een kooi waarin ze zat. Gekleed in niets anders dan een overdadige zwarte bontmantel omringst door etageres gevuld met cakes en muffins. Ze zat er roerloos en zweeg. Op de achtergrond speelde het bandje een bevreemdende mix van latin, jazz en lounge die een erotiserende werking had op het publiek. Na een tijdje pakte de vrouw een paar muffins en stak haar hand door de tralies van de kooi om ze op het podium te zetten waarbij ze de vrouwen in het publiek strak in de ogen keer en af en toe een zuiver geëpileerde wenkbrauw ligt optilde om even later met een glimlach en de ogen weggedraaid zich weer terug te trekken in de kooi. Ze was niet helemaal naakt onder de bontjas.

Het was duidelijk de bedoeling dat de vrouwen uit haar publiek de muffins en cupcakes kwamen ophalen om die naar hun partners, man of vrouw of anderszins, te brengen. Zodra er iemand op stond om naar het podium te gaan voor haar beloning gaf de barman een seintje aan een serveerster die vrijwel onmiddellijk de champagne met glazen naar het tafeltje van de vrouw bracht die naar het podium was gegaan. Geen man durfde op te staan. Steevast kwam de serveerster met de drank tegelijk bij het tafeltje aan met de tafeldame als in een goed geregisseerde choreografie. Er werd geen woord gezegd, blikken werden er wel uitgewisseld.

Ik stond op, om het spel mee te spelen. Zodra ik onderweg was naar het podium en de kooi maakte zich een serveerster los van de bar met een blad waarop een fles en vier glazen stond. Ik draaide me even om alsof ik naar het tafeltje terug ging. De serveerster hield in, lachte en draaide zich ook om. Blijkbaar hadden we een overeenkomst. Alles of niets. Zodra ik naar het podium bewoog, bewoog zij naar het tafeltje. Zodra ik stopte, stopte zijn. En zodra ik een stap terug nam, nam zij een stap terug. De band zetten een tango van Piazzolla in. Onze bewegingen volgden het ritme in de wetenschap dat we elkaar halverwege zouden tegenkomen. Het ritme werd dwingender en de viool intenser. De dame op het podium in de kooi lokte me terwijl de serveerster steeds dichter bij mij kwam en ik bij haar. Tot we heel dicht bij elkaar stonden en ze met haar vrije hand me bij mijn hand pakte. Wat volgde was een tango waarbij zij als door een wonder geen last had van het dienblaadje terwijl ik me door haar ogen liet vangen. De belofte was daarin te vinden.

De beweging duurde niet meer dan een seconde of tien voordat ik me naar het podium wendde en de cupcakes pakte die het dichts bij me stonden. ‘Ze wacht op je…’ ze fluisterde het me in onvervalst Vlaams toe. Tenminste dat dacht ik te verstaan. De donkere ogen van de vrouw met bontjas keken me even strak aan voordat ze in een uitbundige lach uitbarstte. Ik kreeg het gevoel dat ik niet meer de baas was over mezelf en niets anders kon dan mee doen in het spel. Maar tegelijk dwong ik mezelf om controle te houden. Ik draaide me snel om en in no time was ik bij de tafel waar Raymond en Elisa zaten te wachten op me. Ik zette me direct neer en was me nog net gewaar van de met zijde gehandschoende hand van de serveerster die subtiel over mijn bovenarm gleed terwijl ze terug naar de bar liep. Ik rilde. Raymond en Elisa keken me niet begrijpend aan en ik sloeg mijn ogen neer.

‘Moet ik nu ook?’ vroeg Elisa. Raymond lachte en antwoordde direct bevestigend. Elisa, vier jaar jonger dan ik en twintig jaar onschuldiger, zag er de pret wel van in en stond op om ook naar de kooi te lopen. Er kwam geen serveerster naar ons toe maar wel veranderde de muziek plotseling in een up tempo melodie die welhaast tot dansen dwong. Terwijl Elisa bij de kooi was pakte Raymond mijn hand en troonde me mee de dansvloer op die zich rap vulde met de andere bezoekers. Het licht dat al niet al te sterk was dimde en bij het toneel verdween het zelfs geheel. Een volgspot scheen op de vloer en ving beurtelings dansende paren in de bundel met als gevolg dat het podium en de kooi niet meer zichtbaar waren. Na een minuut of tien werd de muziek wat rustiger en gingen we weer aan onze tafel zitten. Het podium bleek leeg te zijn, de kooi was verdwenen en Elisa ook. Ik keek Raymond aan.

‘Waar is Elisa?’
‘Geen idee. Ik denk even de neus poederen.’
Ik twijfelde maar bleef rustig. Het duurde minstens tien minuten voordat ze terug kwam, inderdaad vanuit de richting van de toiletten achter de bar. Ik keek haar aan maar ze keek snel weg naar Raymond en ging zitten.
‘Geen cupcakes?’ vroeg Raymond.
‘Nee joh, de act was klaar geloof ik. Gaan we zo dansen?’ Elisa schakelde sneller dan ik van haar verwacht had.
‘Ik ben zo terug.’ Terwijl ik opstond veranderde de muziek weer naar wat dansbaarders. Een rustige tango, iets wat deze muzikanten behoorlijk goed speelden waardoor de dansvloer al snel het domein werd van een paar ervaren dansparen. Ik was de enige bij het toilet, dacht ik. Maar toen ik het verliet stond de vrouw uit de kooi er te wachten en nèt toen ik met een knikje door wilde lopen zei ze ‘de cakes waren op, uw vriendin gelukkig niet.’ Voordat ik iets kon zeggen verdween ze achter het gordijn, mij verbaasd achter latend.

‘Wie was dat?’
‘Elisa.’ Raymond keek me verbaasd aan.
‘Wat is er?’
‘Ze is zegt dat ze in Parijs blijft.’
‘Wat?’
‘Ik begrijp er niks van. Ze zegt dat ze in Parijs blijft en ik niet op haar moet blijven wachten. Ze is cupcakes en muffins aan het maken, zegt ze.’

Alice Anna © 2012

Een kadootje voor mijn lezers.

Beste lezers,

soms moet je iets geks doen. Soms is dat heel zo gek niet.
Aangezien de drukkosten tegenwoordig hoog zijn en er geen fondsen zijn voor heruitgave van mijn debuutroman, gegeven dat ik die al lang in een eBook PDF versie klaar heb én gegeven dat ik gezien wat er allemaal dit jaar nog uitkomt aan nieuwe uitgaven, geef ik jullie hierbij een kado.

Daar is een reden voor. Ik ben een tegenstander van het beleid van het inmiddels demissionaire kabinet dat over zijn graf heen regeert en nog steeds allerlei maatregelen er door drukt die de samenleving schaden en de zwakken in de samenleving hard in de portemonnaie treffen. Ik ben een tegenstander van het beleid van de gemeente Den Haag die in navolging van dit cultuurbarbaarse kabinet de kunsten in Den Haag afslachten door intrekking van de steun aan het Koorenhuis waar duizenden Hagenaars met veel plezier tegen redelijke kosten kunst leren beoefenen. En ik ben tegen het intrekken van de subsidies aan kleine theaters als Branoul en de Regentes die een functie hebben in deze stad. Dat soort beleid raakt mij aan alle kanten. Het creeërt een klimaat in de samenleving waarbij kunst als nutteloos, overbodig en zonder waarde wordt gepositioneerd. Als hobby, als tijdverdrijf.

Met het gratis beschikbaar stellen van mijn debuutroman maak ik een statement tegen dat beleid. Tegen de destructie van de kunst, of dat nu amateurkunst of ‘professionele’ kunst is. Het is een statement gemaakt met de wanhoop van de schrijfster en de bohémienne die deze samenleving onderuit ziet gaan en als enig antwoord daar op heeft haar kunst op straat te gooien. Niet omdat die kunst niks waard is, maar omdat het de enige manier is waarop iedereen met of zonder geld daar kennis van kunnen nemen. In de hoop dat de bestuurders ooit hun verstand terug krijgen.

Mijn debuutroman Eén latte, een cappu en een espresso is vanaf vandaag gratis te downloaden vanaf deze website én vanaf GoodReads. Het downloaden hier is natuurlijk het eenvoudigst want dat is als U dit leest precies één klik weg. Klik HIER voor de eBook versie.

Ben ik gek dat ik de eBook versie gratis weggeef? Absoluut!

Alice Anna Verheij

For my English speaking readers: what is written above this is an announcement of the availability of my debuting novel FOR FREE DOWNLOAD. It is in Dutch, so if you’re in for a challenge, please go ahead and download and enjoy the book. And spread the word! To get it, just click on THIS.

Rond

Ineens viel het me op. Tijdens het douchen. Ik heb er niet zo op gelet het laatste jaar. Druk met andere zaken. Als ik de foto;s van mezelf nog eens bekijk tijdens mijn werk in Nepal zie ik vooral een stoere vrouw die soms jongensachtig, soms erg vrouwelijk is. Een beetje een kameleon. Wel bijna altijd met een lach behalve op de momenten dat het werk de harde kant van het bestaan van anderen zichtbaar maakt. Dan is ze serieus, ernstig zelfs soms. En ik zie dan een voorkeur voor kleurige kleding.

Op de bank zittend en dit stukje schrijvend bezie ik mezelf. Donker gekleed, wat somber en duidelijk niet op mijn plek. Ik zit er bij alsof ik een gast ben, een bezoeker die zo de deur uit kan wandelen naar, tsja waarnaar eigenlijk? Maar onder de douche vanmorgen zag ik mezelf ineens zoals ik nu ook ben. Rond met nadrukkelijk vrouwelijke vormen, een zacht gezicht. Kwetsbaar en met een lijf dat misschien wel bijna vijftig is maar oogt als veertig. Niet mooi of zo maar zeker ook niet onaantrekkelijk. De littekens van de operaties die me mijn leven terug gaven en mijn verleden verwoestten zijn amper meer te zien. Opgegaan in de omliggende huid. Een huid die vooral glad is geworden en in niets meer lijkt op die ruwere die mij tien jaar terug bedekte. In het vermoeide gezicht zijn dan soms de kleine rimpeltjes zichtbaar maar zo ’s morgens, net wakker, is zelfs daar geen sprake van.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Ik ben ronder geworden. Niet dikker maar ronder. Het hoekige dat toch al niet sterk ontwikkeld was is verdwenen en wat rest is de schaduw van een botstructuur uit het verleden. Deels mannelijke verhoudingen in een verder vrouwelijk lijf. Een lijf dat de transitie voorbij is, uitgegroeid en niet meer veranderen zal van structuur maar alleen nog verouderen zal. Een lijf ook zonder weg terug in de tijd en een lijf dat decennia gemist heeft. Het enige dat niet in verhouding lijkt te zijn is die afwezigheid van heupen alsof dat deel van mijn lichaam vergeten is. Het is niet anders.

Mijn lijf is me allang niet vreemd meer maar om te zeggen dat het me volkomen bekend is zou bezijden mijn waarheid zijn. De aanblik kan me immers nog steeds verrassen zoals vanmorgen. Niet op een vervelende manier maar op een troostende. Want ik weet waar ik naar kijk, ik zie de geschondenheid er van. De gevolgen van de ingrepen die een redelijk geslaagde poging waren om dat lijf mij te laten zijn. En het is wel goed zo eigenlijk. Ik denk dat ik mijn lijf vanavond maar een biertje geef. Even drinken op de liefde tussen mijn lijf en mij.

Alice © 2012

Maak van je moordkuil geen hart!

Voor een optreden ergens later deze maand ben ik met de nodige tekstperimenten bezig. Oefeningetjes om een bepaald thema bij de kop c.q. het kruis te pakken, tegen het noorderlicht danwel de (zons)ondergang te houden en af te maken met een lekker sausje. Of zo. Kortom woorddansen in de woordenstorm.

Eén zo’n thema is de stierlijkheid die mij vervelenderwijs overvalt als het gaat om de zelfzuchtige uitbundigheid van het supermarkt publiek wanneer zij al veelvratend de karren weer eens vol laden in de dichtsbijzijnde voedsel megastore. Ook wel: hoe overleven we de groente achter glas en de barcode? Daar gaat ie dan…

“Hé buuv! Gaattie lekker vandaag?”
“Och, zijn gangetje.”
“Koud hè?”
“Ja zo koud as de poten van Henk in bed.”
“Ben je nog met hem dan? Je had hem er toch uit gelazerd?”
“Jawel maar ja hij kwam weer terug hè en dan ken ik hem niet laten staan. Stom natuurlijk maar ja, ik mot toch ook wat?”
“Is ie nog steeds eh..?”
“Praat me d’r niet van. Gisteren weer de hele avond met de jongens op pad. Stelletje zuipschuiten.”
“O, ik dacht dat ie het rustig an most doen van de pil?”
“Henk en rustig an doen? Die zak hooi kwam dus vorige week thuis met weer zo’n wrak op wielen. Had ie geregeld met een vriendje van hem. Van die motorclub.”
“Zit ie daar nou nog steeds bij dan?”
“Ja meid, hij ken er geen genoeg van krijgen hè. Ach kerels en motoren, je weet hoe ze zijn, het blijven kleine knulletjes.
“Maar Ing, die motorclub waar ie bij zit dat waren toch die gasten van de Hell’s Angels of zo?”
“Nee joh, laat ie ’t maar niet horen zeg. Henk is van de Satturara. Heel wat anders volgens Henkie. Maar ik zie ’t verschil nie hoor, ze zuipen allemaal even hard en meiden mogen alleen komen als ze strak in het leer staan en ingevet motten worden.”
“O. Dacht dat ’t utzelfde was.”
“Nou niet echt hoor. Die lui kenne mekaars bloed wel drinken. Maar ja ik blijf er buiten hoor, ze komme d’r niet in bij mij. En mij zullen ze daar ook nie zien. Maar nou kwam ie gisteren dus weer tegen vieren nachts an kakken en hij ging tekeer joh. Waren ze hun hok uit gelazerd. Inval of zo.”
“Eet je vanaaf?”
“Bloemkooltje met een slavinkie. En jij?”
“Boerenkool natuurlijk maar ze verkopen hier alleen die zooi in plastic uit de glazen stad. Is nie lekker.”
“Glazen stad?”
“Ja joh, ze zetten hier ’t spul nou otch ook al achter glas? Stelletje zolen.”
“Ik vindt het wel mooi hoor anders.”
“’t Lijkt goddomme wel een toonzaal of zo joh. Mij eigen Pool is dicht vandaag dus moest ik hier naartoe. Ik hou nie van dat voer achter glas. ”
“Wat maakt jou dat nou uit dan?”
“T’is toch gek Ing? Zeg nou zelluf. Achter glas, alsof een plastikke kratje niet goed is of.”
“Ach ja joh, ’t is wel gek maar mij kan het niet echt boeie hoor.”
“Nou mij wel en ik zeg maar zo, ik zeg, ik maak van mijn moordkuil geen hart hoor. As ik ’t achterlijk vindt dan zeg ik ut.”
“T’is andersom Ing.”
“Wat is andersom kutje?”
“T’is van je hart geen moordkuil lieverd.”
“Nou bij mij niet. Zeker niet voor Henk as ie niet op tijd thuis is met die kauwe poten van em. Gadverdamme, die zak van jou lekt. Kijk nou, d’r komp water uit die rookworst. Nou ja, ik ga maar gauw naar huis. Kom ie nog effe een bakkie doen zo?”
“Nee, Leo komt zo thuis van ’t ziekenhuis.”
“O?”
“Had ruzie gehad met een paar lui van een motorclub. Blauw oog en pijn in zijn kaken. Is beetje zielug.”
“Die kerels ook altijd.”
“Tsja, kleine kinderen zijn ut. Kleine kinderen. Verdomme dat was de laatste rookworst.”

Alice © 2012

 

Uitgave nieuwe roman.

In de zomer van dit jaar schreef ik mijn eerste Engelstalige roman in de bergen vijfentwintig kilometer noordelijk van Kathmandu. Daar, in het kleine plaatsje Kakani van waaruit je over als slagroom soesjes op een zee van laveldel blauwe lucht drijvende witte toppen van de Himalaya uitkijkt. Na enkele weken was het boek dat zich in mijn hoofd gevormd had als manuscript klaar.

Het is maanden verder. De laatste loodjes van mijn laatste eigen redactie op het manuscript zijn zwaar. Zoals loodjes horen te zijn. Over enkele dagen vlieg ik weer naar Nepal en zal ik vanuit het vliegtuig Kakani kunnen zien liggen. Ik ga er vrienden zien en in de verloren momenten zal ik er de laatste hand leggen aan mijn eigen redactie van dit boek. Ik weet nu al dat er een paar passages ernstig veranderen. Zo moet het ook zijn. Je maakt iets tot op het punt dat je aanvankelijk denkt dat het klaar is maar dan laat je het rusten en rijpen. Na een tijdje buiten zicht gerezen te zijn blijkt het laagje deeg een luchtige volle cake geworden. En dan gaat die uit de vorm, wordt aangekleed en opgesierd. Klaar voor consumptie.

Dat aankleden en opsieren gebeurt in december. De laatste correctie door een Engelstalige redacteur ook. En wanneer dat allemaal is gebeurt wordt mijn nieuweling opgediend. In Nederland en in Nepal. Een synopsis:

Headwind, Laxmi’s Story, want zo heet ze, is een verhaal over een jonge vrouw die in haar vroege adolescentie vanuit een vluchtelingenkamp met haar familie migreert naar Nederland. In het kader van een third country resettlement programma van de Verenigde Naties. Eenmaal in Nederland begint de integratie in de Nederlandse samenleving. Een samenleving die wonderlijk is maar die met de openheid van een kind benaderd wordt. Maar ook een samenleving waarbinnen haar familie als een soort cocon in stand probeert te blijven. Laxmi verwijderd door haar jeugd en de contacten met leeftijdsgenoten zich van haar familie. Meer dan haar jongere broer met wie ze optrekt. Haar oudere broers werken vooral hard, haar ouders worstelen met hun identiteit in dit land dat niet biedt wat zij zo nodig hebben.
Voor Laxmi het Beldangi kamp in het Jhapa district in Nepal verliet had ze een vriendje: Jigme. Een mooie jongen van haar eigen leeftijd maar uit een lage kaste waar haar eigen familie in een hoge kaste leeft. Jigme werd getolereerd door haar ouders en broers en zusje. Eenmaal in Nederland echter blijkt dat Jigme naar Amerika gaat. Hij en Laxmi proberen contact te houden want de liefde is niet verdwenen. Laxmi’s ouders, vooral haar vader, willen dat er een einde komt aan de vriendschap tussen Laxmi en Jigme en vind een ander voor haar. Maar een gearrangeerd huwelijk is voor Laxmi vooral een gedwongen huwelijk en na een ruzie verlaat ze het huis en haar familie.
Enkele jaren later, Laxmi heeft dan een bloemenstalletje samen met een vriendin die ze van de inburgeringscursus kent, staat ineens Laxmi’s oom Suraj voor haar. Suraj leeft in Amerika en vraagt Laxmi haar vakantie bij zijn gezin door te brengen.
En al die tijd dat Laxmi in Nederland is denkt ze terug aan haar oude leven. Aan wat er in het kamp gebeurde, aan de mooie dingen maar ook aan de moeilijke en soms gruwelijke ervaringen uit de tijd dat ze een vluchteling was. Tot ze beseft dat de vlucht nog niet voorbij is.

Headwind, Laxmi’s Story komt in januari 2012 uit. De Nederlandse druk zal uitgegeven worden door WoordenStorm in samenwerking met de Empowerment Foundation in een beperkte oplage. De Nepalese druk wordt in Kathmandu uitgegeven later in 2012 en zal niet beschikbaar komen voor de Nederlandse markt. Het boek zal uitsluitend via internet te bestellen zijn. De opbrengsten van de verkoop van de roman komt geheel ten goede aan het werk van de Empowerment Foundation en meer speciaal aan het Headwind project dat bestaat uit de uitgifte van de roman, de productie van de documentaire film Headwind en de fototentoonstellingen. Headwind is een Empowerment Foundation project met als doel het vergroten van de bekendheid van het vluchtelingenvraagstuk van de Bhutaanse bevolking die in het begin van de negentiger jaren uit het zuiden van Bhutan is verdreven door hun koning en zijn leger.

~

Uitgave: 310 pagina’s middenformaat paperback met full color cover
Prijs: €18,95 inclusief BTW maar exclusief verzending
Distributie: via de auteur en de Empowerment Foundation (www.empowermentfoundation.nl)
Voorintekening: kan vanaf heden plaatsvinden door een email te sturen naar alice@empowermentfoundation.nl 

A room with a view.

The second Rabbit Hole – My room with a view.

Ray Montagne sings it in the background.

Don’t let your mind get weary and confused
Your will be still, don’t try
Don’t let your heart get heavy child
Inside you there’s a strength that liesDon’t let your soul get lonely child
It’s only time, it will go by
Don’t look for love in faces, places
It’s in you, that’s where you’ll find kindness

Don’t look for love in faces, places… I guess that’s the lesson I’ve learned. In this early morning, after a coffee and a cigarette with my roommate who lives her life as I live mine on the same floor of the old house, I watch the sun playing with shadows through the small leaves of the birch tree outside my window. And I reflect upon my life as I live in a room with a view.

Is this place a stop like just another bus stop on a long journey or is it a destination for a long time to come. I am not sure but for the first time in many years it really feels like the latter. Somehow making this room I have in this house where I live mine was the easiest thing to do. Mainly because of that sunlight and the notion that I had to move from a much larger place just a room and an annex would force me to go to my core. Leave troubles and non essential goods behind. And I did. This place has everything I value when it comes to matter in it. I don’t need anything else. When I go back to the old place and see all the things there I realize that I don’t really need anything of it. I still have a month to empty that left over of past times and the longer it takes the lesser I want to bring anything from there to here.

Opposite me on the chaise longue, my cat lies snoring quietly. Melancholic music fills the room matching the exact mood I am in. My thoughts go back through the past ten years that were for a large part dominated by loss. Loss of both my parents, loss of a marriage and family life, loss of a fully functional body, loss of money, wealth and so many things not important. Sure, there was gain too. Gain in becoming who I am today, gain in enjoying matching physical and mental identities and gain of creativity to an extend that I had never imagined. I’ve become the artist I wanted to be without knowing it. And in my mind I add it all up with an outcome that feels good. Later this morning, the first summer weekend in the fall, I will go wandering the streets of the city, visit a second hand shop and go to the palace garden with a book and some music as my company. I know already that it is going to be a beautiful day. Maybe one of the best in this city so far. So I wander to the kitchen, make some sandwiches, give the cat some food and go. At least now there’s a place to come back to that feels safe… my new rabbit hole, my room with a view.

Alice © 2011

Monning ma’am, blackfust is leaddy.

Almost every morning around seven he comes to my room. Sometimes he doesn’t have to because I am already up and writing at the terrace behind the kitchen. But most of the days he climbs the few stairs, knocks on the door announced breakfast with the very same sentence: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. I am his only guest for most of the days, you see. The few times I was up earlier usually had to do with other guests being present. Nepali’s tend to wake up around five and start a noise morning ritual, especially when they are in a group.

Breakfast terrace view

Like little chubby penguins they invade the ladies bathroom and start washing themselves taking no notice of the fact that this other strange guest in the room next door is still trying to get some sleep. With total disregard for the ungodly hour, they chatter like the Nordic birds making more and more noise by the minute. After half an hour the penguins have made a complete mess of the bathroom with water everywhere on the floor, bits of soap laying around and penguin hair in the outlet of the shower making me skipping my morning shower and having a quick wash instead. There’s no one there to smell me anyway. These are the days that this rather nice place turns into what it sometimes also is: some sort of group accommodation for any group that is prepared to pay the (low) price to stay, sleep, dismantle the bathroom and eat here.

But in this time of the year, such groups are seldom here leaving me as the only guest. Thank Buddha or any other holy creature for that. And some mornings I just can’t get myself to go out and write before seven. Thing is I am always awake before six thirty and when I don’t feel getting up I just lay there dozing away. And then, just before seven as regular as clockwork I hear his footsteps on the stairs. With a pause when he crosses the little platform in between the first and second part of the stairs. Then there’s the knock. Well, actually three knocks. Not very quick but in rhythm that proves that the man is not in a hurry. Like one knock per second. Knock… knock… knock. Sometimes my door is already open and I am just resting on the bed, sometimes I am in the adjacent bathroom that I have for myself and sometimes the door is still closed and I am still in a near sleep.

Then that same sentence comes out in a way that I can’t really copy as it sounds very much like a Chinese in a kids cartoon: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. There are days when I hear the other two sentences two announcing ‘lunch’ and ‘dinnu’. Except for the breakfast and on days the cook gets enthusiastic, the announced meals are generally the same with rice and daal, some veggies and water, tea or instant coffee. Meager but solid meals that the people seem to like so much that they eat it every day. Not that they couldn’t cook anything different but they simply don’t. Blackfust on the other hand is a daily surprise. An occasional pancake or toast with jam and a boiled egg or fried eggs and a bowl of some sort of soup made of a combination of tomatoes, chilly and beans with some chunks of potatoes in it. Not exactly my cup of early morning soup but I’ll endure it anyhow. On other days there might very well be some bread. That is, hollow pieces of backed dough that have a vague resemblance with what I would think that a croissant might be. The tea however is of unprecedented taste. Especially when the man makes milk-tea and not black tea. For whatever reason the milk teas come with ginger or cardamom making them very tasty and the black tea usually is cooked too short to capture the taste of the tealeaves, so the superfluous amount of sugar prevails making that more like cups of sugar-water. No surprise that I prefer the milk tea.

I’ve began to like the blackfusts, sitting in the shadow with some light food overlooking the valley and in this monsoon season seeing only the tops of the mountains to the north making them look like floating white islands in a sea of light hazy blue skies. As if they were mirages and not mountains or distant thugs of war on a great sea. The blackfust marks the most productive part of my days. Here I am a morning-writer and not a night-writer, what I used to be. The morning mind still being fresh makes me write different and without any hinder from distracting thoughts. It allows me to be emotional while writing the emotional passages and strong when writing the strong passages. Writing here seems not difficult at all as the place and my mindset give me over a chapter a day making me wonder what would happen if I would be here not for a month but for a year. Somehow inspiration seems to be all around in an unprecedented sort of simplicity.

I am learning the sounds of the animals, the cry of the mountain eagle, the beo in the trees behind the dormitory, the crickets of which some are as big as seven centimeters and sitting as still as a statue. The dogs that come bye every now are quiet and I got to like the black one that although she looks awful has befriended me on the first day and follows me around wherever I go when she sees me. Oh, and the hundreds of little birds with nice colors and sounds in an endless variety from squeaks and whistles to short songs and bird rhymes. I like them most as I like the mosquitos the least. The little devils that seem to be able to enter my bedroom in numbers that are always bigger than my ability to squash them with the carton of the big map that I have with me, leaving me every morning with yet another four or five traces of mosquito bites on my arms and legs or more awkward places. The worst is that they prevent me from sleeping naked as I don’t want to be a to obvious target for them. It’s strange loosing habits here.

All in all, I love this place with it’s people, except for the penguins that is, the sounds of the animals, the simplicity of life here, the mountain views and the starry nights showing more stars than I have ever seen in my life and with Kathmandu laying in the valley in between the hills in the south. The big, noisy and stinking city with it’s mysteries, beauty and the filth and lack of compassion for the poor. But from a distance compiled of little white dots that shine in the sun during daytime while in the night being a compilation of blinking silver and golden lights like an army of fireflies waiting before the great battle with the dawn. That is, until blackfust is leaddy again.

Alice © 2011

Een boerderij in de Terai.

In het zuidoosten van Nepal, in de in deze tijd van het jaar zinderende laagvlakte van de Terai, staat een boerenhuis. Het is een huis op palen waar boven geslapen en beneden op de deel geleefd wordt. Er omheen palmen met kokosnoten en andere vruchten, bananen en mangobomen, een maïsveld en graanvelden. Naast het huis staat een simpele half open schuur met een os en een melkkoe, een geit en op het erf een paar kippen, een haan, een paar handenvol kuikens en een groepje eenden. Langs de weg de waterput waar je vers grondwater naar boven kunt halen dat niet vervuild is. Gewoon even filteren en dan kan je het opdrinken. Onder het dak van de deel hangen touwen gespannen waarover heen tientallen maïskolven hangen te drogen. Stoelen zijn er niet, wel lage krukjes en matjes zodat je eigenlijk zo goed of helemaal als op de grond zit. Een tafel is dan niet nodig wat het leven eerder gemakkelijker maakt dan ingewikkelder. Tafeldekken is op deze plek iets wat de mensen niet begrijpen.

De zon komt ‘s morgen om een uurtje of vijf op en gaat ‘s avonds rond zeven uur onder, het land binnen een uur tijd in absolute duisternis hullend. Het heeft tot gevolg dat de mensen het ritme van de afwisseling van licht en donker automatisch volgen. Na zonsondergang lang opblijven is zinloos want elektriciteit, wie heeft zoiets nu eigenlijk nodig, is er vaak niet en blijven liggen lang na zonsopgang is zinloos als je alleen ligt. Het leven op de boerderij verloopt in een ritme dat zich volledig verhoudt met het ritme van de omgeving. Zelfs de onstuitbare onweersbuien die van de vanuit de bergen met grote regelmaat het einde van weer een hete dag inluiden en gedurende de nacht het land geselen met harde regen, verstoren dat levensritme niet. Wassen doe je in een washok vanuit een teil water dat je net daarvoor uit de put naar boven gehaald hebt. Het toilet is een aanpalend hok met een gat in de grond dat in een gierput uitkomt die soms geleegd wordt.

Eten is iets dat je hier doet omdat eten bij het leven hoort. Het is niet een sociale gebeurtenis maar een noodzakelijkheid. Het maal is schaars een eenzijdig maar het went vanzelf na een tijd. De dagen worden doorgebracht met werken op het land, naar het dichtst bij zijnde stadje lopen dat op een uur loopafstand ligt en het met elkaar de tijd verpozen. Die wandeling naar de stad wordt soms vervangen door een fietstochtje van twintig minuten maar dat je dan wel de mogelijkheid ontneemt tussen de rijstvelden met reigers door te wandelen. Haast is hier zo volslagen overbodig dat die wandeling het gemakkelijk van de snellere fietstocht wint zolang je niet al teveel boodschappen hoeft te sjouwen. Het stadje is overigens van een rommeligheid die je al snel weer naar de rust van de boerderij doet verlangen. Wanneer je vanuit de kleine slaapkamer op de woonetage naar buiten kijkt gaat je blik tussen de hoge kale stammen van de palmen door om zich te vestigen op een tweetal vergelijkbare boerderijen even verderop. Loop je de weg voor het huis af de flauwe bocht door dan kom je bij de grote stenen bank die een ontmoetingsplaats is en waarboven een notenboom staat die harde noten produceert die eenmaal gebroken een romige vulling met een vage smaak van perziken hebben. De noten worden als medicijn gebruikt en staan bol van de vitaminen. Ze zijn ook nog eens bijzonder lekker. Net als de kleine bananen met zoveel meer smaak dan de melige exemplaren die in westerse supermarkten worden verkocht.

Het zal niet verbazen dat het leven op de boerderij met al zijn eenvoud heerlijk is. Je zult maar schrijver zijn en de gelegenheid zijn om een tijd op deze plek je te kunnen terugtrekken. Een meer inspirerende en tegelijk rustige plaats om te schrijven is nauwelijks voor te stellen. Eigenlijk is de boerderij als een eiland van rust en op eilanden wil iedereen wel een tijdje verblijven. Mijn boerderij staat in Damak dorp, een verzameling boerderijen, een buurtschap eigenlijk, dat even buiten Damak stad ligt. Ze wordt bewoond door een familie die bestaat uit de vader en moeder, drie dochters en twee zoons. Een familie die als vanzelf alles delen met wie er bij hun leeft, zonder vragen, zonder iets retour te verwachten. Met een gastvrijheid die alleen arme mensen kennen. Maar of ze echt arm zijn is voor mij de vraag want de rijkdom van hun bestaan is niet te vinden in geld of spullen maar in het leven zelf.

En de boerderij? De boerderij is een plaats waar ik met heel veel warmte aan terug denk. Het is een plaats waar ik weet dat ik altijd welkom ben. Zonder vragen maar met een allervriendelijkste lach van de familie voor een goede vriendin. Het is een plaats waar ik stilletjes verliefd op ben geworden.

Alice © 2011

A nightly bus ride.

On the left of me the orange moon looks down at me while I drive through the night with a speed of some sixty kilometers per hour. In a luxurious but rattling, shaking and most of all cramped bus. I don’t smell the sweat of the people around me. Probably due to the fact that the smell of the country has blended with my own sweat produced during the sweltering hot day.

The ride takes some six hours to our destination and will bring us to a small village in between the Jhapa district and Kathmandu along the Mahendra Highway. Somewhere in the front of the bus where I presume the driver to be located sounds a radio with a mixture of old style western disco music and Nepali Hindu music. Everything around me sounds alien so I don’t have to make an effort of trying to understand anything. Every now and then I stick my head out of the window to feel the wind blowing through my hair and to smell the country. Burned coal accompanied by the smell of rice and lentils, sometimes alternating with the smell of flowers. Sweet and spicy. Along the road small wooden shops with happy colored little lights show themselves in a permanent invitation to the travelers that pass them. At this hour everyone seems to be prepared to sell some food and water. Or a telephone card.

When we are still some hours away from our destination the bus stops for a while at a small stand where they sell watermelons. A quick calculation tells me that the stacks of melons count up to some fifteen hundred of them. Each as tasty as the other, refreshing, sweet, watery. One smaller stack is placed separately and after inquiring why we learn that this is a local variety that is tastier than the others. We have one cut into parts that we can eat. And so in the middle of a warm Terai night I eat the sweetest and tastiest watermelon I have ever had. After the stop the bus continues and brings us to our destination at the end of the following morning. To attend a wedding after a strange but enjoyable night ride.

Alice © 2011

Gevlucht, gered?

Het zal 2013 geweest zijn. Mijn vader was in dienst van de overheid. Hij zat in het leger zoals veel van de mannen uit onze stad in het leger werkten. Harderwijk was immers een stad geworden en aan de rand lagen legerplaatsen. Landmacht. Vierentwintig was ik, mijn studie was nog niet afgerond. Politicologie aan de UvA in Amsterdam deed ik en ik had het er naar mijn zin, hoewel de laatste jaren de stad zoveel truttiger was geworden.

Het was begonnen met een verbod op het dragen van hoofddoekjes omdat sommigen dat een religieus kledingstuk noemden. En dat mocht niet meer. Gevolg van de politiek van de vazallen van de koning. De nieuwe koning want de oude koningin was teruggetreden. Het verschil tussen de oude koningin en de nieuwe koning was al snel duidelijk. Nederland werd vooral Holland en alles wat niet Holland was telde automatisch minder mee. Friesland, Groningen, Drente, Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg, het waren allemaal achtergestelde gebieden terwijl toch juist daar het meeste voedsel geproduceerd werd. De provincies waren rijker geworden en hadden vastgehouden aan hun cultuur en taal. Het was zelfs weer in de mode geraakt om traditionele kleding te dragen die honderd jaar eerder gewoon was daar. De Hollanders vonden het maar niets.

De randstad werd afgeschaft door de koning en Noord Holland en Zuid Holland  werden samen met Flevoland, Utrecht en Zeeland samengevoegd tot ‘Holland’. Dat het historisch niet allemaal klopte maakte niet zoveel uit. Het ging er om dat er Holland was en de rest van het land. Holland en Niet-Holland. Niet lang daarna werden de ‘dialecten’ zoals onze eigen taalvarianten genoemd werden afgeschaft. Op de scholen werd alleen nog maar Hollands gesproken. Nog weer later mochten we ook de traditionele kleding niet meer dragen, te beginnen met het hoofddoekje dat sinds een aantal jaren weer in de mode was gekomen. De stadse kleding uit Holland werd verplicht gesteld. Er kwamen schooluniformen op de scholen en er werd op gelet dat we ons niet anders kleedden. Bij overtredingen kregen we eerst waarschuwingen en toen boetes. En toen dat niet hielp werden we soms opgepakt. Het werd gevaarlijk om naar Amsterdam en Den Haag en Rotterdam te gaan en traditionele kleding te dragen. Achterhoeks, Fries of Limburgs praten konden we beter ook maar niet doen.

Sommigen van ons pikten het niet dat we zo achtergesteld werden en zochten hun heil over de grens in Duitsland en zelfs België dat de kant van Frankrijk had gekozen en ingelijfd was bij het machtige land. Vlaanderen was Frans geworden en veel Vlamingen waren naar Holland gegaan. Ik denk dat de koning en zijn vazallen geschrokken waren van wat er in het zuiden was gebeurt. Misschien ook dat dat de reden was achter de onderdrukking van alles wat ons in het oosten en zuiden eigen was. In de jaren na 2011 was het allemaal erger geworden. De wet werd gewijzigd en gemengde huwelijken werden niet meer toegestaan. Trouwde je met een niet Hollandse dan werd haar en je latere kinderen het paspoort afgenomen. Ze waren geen Hollanders meer.

In 2012 werd de naam Nederland afgeschat ten gunste van de naam Holland, ondanks hevige protesten in het oosten en zuiden. En toen begon het pas echt. De kledingopstanden werden onderdrukt en sommigen vluchtten weg. Toen enkelen velen werden pakte de regering onder leiding van de koning dat aan als reden om het leger de steden en dorpen in het noorden en oosten in te sturen op zoek naar mensen van ons die getrouwd waren met niet Hollanders. Langzaam maar zeker verdwenen steeds meer vrienden en familie naar het oosten. De grens over. Er kwamen verhalen dat het leger en de politie soms mensen documenten liet tekenen dat ze afstand deden van hun staatsburgerschap en het land vrijwillig zouden verlaten. Naar Duitsland. In oktober 2012 ontstond zo het eerst vluchtelingenkamp, net over de Rijn bij Keulen. ’s Nachts waren een paar honderd mensen door het leger de grens over gezet en richting Keulen gejaagd.

Vanaf dat najaar in 2012 tot eind 2013 vluchtten er steeds meer mensen de grenzen met Duitsland en Belgisch Frankrijk  over. Frankrijk had door de economische crisis geen geld om de stroom mensen op te kunnen vangen en dus werd iedereen die naar het zuiden ging opgejaagd richting Duitsland. Na twee jaar leefden we met wel vier miljoen mensen in grote vluchtelingenkampen langs de grote rivieren in Duitsland en op de hoogvlakte van de Ardennen, zuid oostelijk van Keulen.

En in 2013 was ons gezin aan de beurt. We hadden het zien aankomen. Mijn ouders bleven in het land want die waren te oud om een bedreiging te zijn voor de Hollanders. Maar ik en mijn broers en zussen, we waren met vijf, waren jong genoeg om te vertrekken. Zelf moest ik vluchten achtervolgd door de politie want ik had pamfletten uitgedeeld op de UvA en later op de VU. Ze waren het te weten gekomen en al snel hadden ze achterhaald dat ik er achter zat samen met nog twee studenten. In de nacht zijn we de grens over getrokken en naar kamp Vogelensang gegaan in de Eiffel. Het was een lastige tocht want overal in wat vroeger Nederland was werd gecontroleerd en omdat alle auto’s voorzien waren van apparatuur om die te volgen moesten we op de fiets gaan. De hele nacht zijn we door gefietst om uiteindelijk voormalig België in te trekken. Twee dagen later waren we opgepakt en naar Vogelensang gebracht. We waren er in ieder geval veilig en buiten bereik van de Hollanders.

Het is nu twaalf jaar later, de koning regeert nog steeds met harde hand en een flink deel van het oosten en zuiden is ontvolkt. Er was ‘ruimte’ nodig en de Hollandse cultuur mocht niet ten onder gaan. ‘Eén land, één volk’ werd het beleid genoemd. Iedereen moest Hollander zijn en taal en gewoonten uit de grote steden aannemen. Degenen die het niet deden werden onderdrukt, gevangen genomen, mishandeld, verkracht en soms vermoord. De totale bevolking was afgenomen tot veertien miljoen. De rest was niet Hollands naar de mening van de koning en de regering en het land uit gedreven. En de koning en de regering konden ongestoord hun gang gaan. Andere landen hadden soms wel kritiek maar er werd niet ingegrepen. Sinds aardolie minder gebruikt werd en er veel meer aardgas in het land was aangetroffen was er belang bij om Holland te vriend te houden. Energie was immers van groot economisch belang.

Duitsland was verarmd en dus werd geprobeerd om ons weer naar Holland terug te krijgen maar de Hollanders weigerden die ‘Duitser’ en ‘Fransen’ zoals we genoemd werden terug te nemen. We werden terroristen en criminelen genoemd. Bij de laatste volkstelling werd ook iedere niet Hollandse vrouw en de kinderen van die vrouw niet meegeteld als burger. Sterker nog, ze kregen de notitie ‘illegaal’. En zo leven we nu dus alweer twaalf jaar in de kampen. Zonder toekomst, zonder paspoort op een plek waar geen werk is en met net voldoende eten om te leven. Simpele houten huisjes in lange rijen op plekken waar ontbost is en de grond soms in modderstromen de heuvels af schuift of langs de rivieren die tegenwoordig sneller overstromen. Het leven is keihard in de kampen.

Vorig jaar is na tien jaar bedelen door de Verenigde Naties China als machtigste land ter wereld er toe over gegaan om mensen uit de kampen naar China te laten komen. In totaal nemen ze driekwart van onze mensen op en geven die een Chinees paspoort. Ik en mijn twee broers die in dit kamp leven zijn binnenkort aan de beurt om naar het noorden van China te reizen. Via Peking richting de grens met Mongolië waar we in de steden en dorpen een nieuwe toekomst krijgen. De eerste introductietrainingen hebben we al gehad en vooral de jongste kinderen die kunnen beseffen wat er gebeurt vinden het spannend. Er leven een flink aan kinderen in de kampen die hier geboren zijn. Maar we gaan niet allemaal naar China. Om redenen die ik niet zo goed begrijp moet mijn oudste zus naar Indonesië en mag mijn jongste broer helemaal niet weg.

Maar ik mag over twee maanden weg. Met een vliegtuig van Frankfurt naar Peking en dan met bussen naar het noorden. Ik ben blij dat ik kan gaan hoewel ik liever in Nederland wat nu Holland wordt genoemd zou zijn. Ik ben er immers geboren. Maar we mogen het land niet meer in en Duitsland heeft ook niets gedaan gekregen bij het buurland. Wel achttien keer hebben ze overleg gehad over de situatie en de Duitsers zijn boos geworden op de Hollanders die blijven weigeren ons terug te laten keren. Dus ga ik naar China. En ik ben er blij om maar ik ben ook bang. Bang dat ik de taal nooit leer. Bang dat ook daar weer buren zijn die ons niet willen. Bang dat ik geen werk vinden kan of alleen heel slecht betaald en zwaar werk. Bang dat zelfs mijn kind weinig mogelijkheden zal krijgen op een goed bestaan. Toch blijf ik hopen dat het goed gaat.

Mijn ouders heb ik al jaren niet meer gezien, ik spreek ze weleens over de telefoon als ze een keer naar engeland zijn gereisd en van daaruit met me kunnen bellen. Maar alleen de stem en het gezicht krijg ik te zien, aanraken kan ik ze niet. Elke keer dat ik ze op het computerscherm zie zijn ze weer ouder en versletener geworden. Mama is ziek sinds een tijdje en het breekt mijn hart dat ik niet naar haar toe mag om haar te verzorgen. Mijn vaders ogen staan nog altijd strijdbaar maar ook somber als ik hem zie op het scherm.

Alice © 2011

Naschrift: het bovenstaande verhaal verwoord vrij exact de gebeurtenissen in Zuid Bhutan in de periode vanaf 1985. Kantelen we de landkaart 90 graden en verplaatsen we ons naar de zuidelijk Himalaya dan is dit wat er gebeurt is. In alle absurditeit is dit ook wat de internationale gemeenschap laat gebeuren. De vluchtelingen zijn de slachtoffers er van. Een ieder die denkt dat een hoofddoekjesverbod terecht, begrijpelijk en niet ernstig is, zou zich beter eens verdiepen in de geschiedenis van Bhutan. Want het is onder andere zoiets banaals als kleding waarmee onderdrukking zich uit. Grofweg een derde van de bevolking van Bhutan kan daar, helaas,  over meepraten.

Saturday morning at the Saturday Café

People walking in prayers round the Boudhanath stupa in Kathmandu.

The big white stupa just around the corner smiles in the bright sun while somewhere in the background the monks sing their seemingly eternal mantras. The strangeness of the location and the assembly of dislocated people make it easy for me to blend in. It feels like fading away in a life I have always wanted but were unaware it existed. The nightly cold and early morning wake up call by the horns and drums of the monks in the monastery next door somehow makes my senses alert in way not experienced before. Even my skin feels different.

At the small table just behind me sits a woman from a country I haven’t been able to find out and on the other table behind me is an young man, I suppose he’s American. The three young kids, one boy and two girls sitting at the long table just underneath Mark Twain’s quote obviously know each other for some time. The probably work here as a teacher or in some health care project.

My eyes travel along the bookshelves and find Women’s Wisdom just alongside Dan Brown and a book about the problems of Islam in between LeCarré and Ludlum. Oh, and some Boeddhist books on the other end of the top shelf. The lady behind me answers her phone. It’s a Nokia, as the ringtone tells me. She’s talking Italian. On the lower part of the stupa small children sit and enjoy the warmth of the sun. The monks are still singing their mantra which I somehow don’t hear consciously. I suppose that’s how it’s supposed to work, slowly settling the sounds and words in my brain. Funny enough I feels like I can understand the words although I really don’t. But no, I do. I do understand.

The joy of locking out the world, easing the mind, soothing the soul is so tremendous that I understand how it can easily be addictive. If one is receptive for it. Funny how the tourists and the dogs seem to be the only ones walking counterclockwise around the stupa. The coffee latte tastes just like home. Home not only is far away, it also feels like that. Looking out the small barred windows I see the little Tibetan women with their colorful striped skirts slowly walking in the crowded but not very noisy street. Maybe I’ll join them, looking for the young Lama Dorji who I met two days ago at the temple near the stupa. His eyes are joyful and curious. I like that and maybe we’ll have another chat. Or maybe I’ll just sit in the sun on the roof. Silent. Listening. I guess no one will see the water behind my eyes.

Jus like any Saturday at the Saturday Café in Boudhanath, the other strange birds behind me are scribbling along or clicking away on their little laptops. Throwing thoughts into another world. Just like me.

Alice © 2010