Hella S. Haasse (1918-2011)

Hella Serafia Haasse, 1918 – 2011

I am deeply saddened by the death of Hella S. Haasse, in my eyes the greatest Dutch writer in the last two hundred years. Living with the thought that there will be no new novel or essay coming from the Grand Old Lady of Dutch Literature feels like a personal loss as she has for many years been my inspiration.

My admiration did not start with her greatest success (and almost inevitable must-read for high school student) Oeroeg but with that other novel that tells also a tale set in Indonesia. Although I never have been in that country the way Hella Haasse wrote about landscape, atmosphere and culture made me understand, smell and taste that wonderful country. She was born in that country and somehow her writings were often connected with it. Sometimes when I write about my beloved Nepal I try to understand how to describe that land in Hella’s fashion. Not mimicking her style but expanding on it. I find it extremely difficult to do that which tells me what amazing qualities she as a writer had.

But it wasn’t only her books set in the Indonesian landscape. Novels like ‘Het woud der verwachting’ (The Forest of Expectations) about Charles of Orléans, ‘De wegen der Verbeelding’ (The roads of imagination), a contemporary literary thriller and so many other compelling literary novels were written based on strong research and experience combined with limitless imaginary powers. She researched like a true historian and the result of her research was transformed in a list of novels and essays of amazing quality. Still, international recognition has only come from France and not so much from other countries. She never won a Pulitzer or Nobel prize (but she did win the most prestigious Dutch prizes) and that actually is too bad for the foundations behind these prizes. She would have been a just winner.

I have no plan to write a long obituary about her as I guess most literary columnists and literature watchers will do that too often in the coming days and weeks. To let you, my reader, understand why there is no Dutch writer that has inspired me the most is Miss Hella Haasse, the best I can do is to show some lines of text from one of her publications. As only the written word of the writer truly shows what that writer is all about.

Miss Hella Haasse, I’ll miss your beautiful literature but I am also happy with the grand legacy that you have left to both the Dutch and the world literature. You were an amazing writer, one the best. After ninety-three years your pen will not jot down any word anymore on another piece of paper. In deep respect I want to show this citation from ‘Het woud der verwachting’ (The Forest of Expectations) to my audience hoping they will start (re)reading your wonderful work.

‘Als dan de zomer kwam, met zon en bloemen en diepgroen loof, verliet zijn moeder haast dagelijks haar kasteel om buiten te zitten op het gras, kransen te vlechten en kruiden te verzamelen. Vaak ook reed zij paard; het tuig was met vergulde knoppen beslagen en met belletjes versierd en gouden franje hing aan schabrak en zadeldek. Zo ging zij op jacht, met een valk op haar handschoen. Mooier zag Charles zijn moeder nooit, dan wanneer zij na zulk een tocht thuiskwam, met rode wangen en heldere ogen.’

‘So when summer arrived, with sun and flowers en deep green loaf, his mother almost daily left her castle to sit outside on the grass, weave wreaths and collect herbs. Also she often rode horse:; the reigns budded with gold plated knobs and bells and golden frails hanging on the caparison and saddlecloth. Like that she went hunting, with a falcon on her glove. Charles never saw his mother more beautiful, then when she came home after such a tour, with red cheeks and bright eyes.’

Alice Verheij © 2011

Advertenties

Incasseren

Dat je het als vrouw met een transgender achtergrond niet gemakkelijk hebt in het leven zal genoegzaam bekend zijn. Of op zijn minst voorstelbaar. Wanklanken genoeg om je heen en ook ik heb die in de loop van de jaren ruimschoots ervaren. Afwijzing, ridiculisering, schoffering tot aan fysiek geweld toe. Alsof anderen het recht hebben omdat je nu eenmaal ‘anders’ bent je dan maar in de hoek te schoffelen.

Het is geen mooi begin van een blog over een van de moeilijkste dagen in mijn leven. Condoleances ontvangen doet een mens tenslotte hopelijk maar zelden. De dag van gisteren was een loodzware. Vandaag is ook niet gemakkelijk maar toch anders. De gang naar dat neerslachtige uitvaartcentrum is me niet gemakkelijk af gegaan. Dan komen de eerste bezoekers. Goddank de bekende gezichten van een paar lieve vriendinnen. Wat zou ik toch moeten beginnen zonder de meiden? Zoveel genegenheid en begrip, het is als een warme deken en maakt me dankbaar dat ik zulke mooie mensen om me heen heb.

Dan de minder bekenden mensen, volslagen onbekend een enkeling en anderen die ik jaren niet gezien heb. Vrienden van mijn zus. En dan die wanklank. ‘Gecondoleerd Bert’ zegt de vriend van mijn zus en zwager sluiks in het voorbijgaan om maar zo snel mogelijk de kamer waar mijn moeder ligt te ontheiligen. Was het moedwillig om me zo op de condoleance van mijn eigen moeder me te schofferen? Was het bewust om me bij de naam te noemen die ik al jaren niet meer draag? Was het dat? Kan een mens zo diep zinken dat zelfs die minimale beleefdheid ontbreekt om te beseffen wie je de hand drukt als die persoon in diepe rouw is?

Maar ik heb me leren beheersen. ‘Het is Alice’ kwam er nog uit om hem vervolgens mijn rug toe te keren en te gaan naar die mensen die het waard zijn om mijn aandacht te krijgen. Mijn lieve vriendinnen die zoveel moeite gedaan hebben om te komen. Om mij te condoleren met het verlies van mijn moeder. Degenen die niet konden komen waren in gedachten zeker bij me, ik weet dat. Waarmee de belangrijkste mensen op mijn kinderen na gisteren bij mij waren om mij hun warmte te geven. Iets wat ik nooit zal vergeten.

De man die me zo fout aansprak keek me niet meer in de ogen en zodra ik hem aankeek wendde hij de blik af. Wat mij de bevestiging gaf dat er sprake van kwade opzet was en geen achteloosheid. Het liefste had ik hem bij kop en kont gepakt en het pand uitgegooid. Maar ik ben door mijn moeder opgevoed als een fatsoenlijk mens en dus ben ik de ruimte uitgegaan waar die man was. Vandaag is er grote kans dat hij er met zijn vrouw weer is op de crematie. Ik zal de hand niet aanvaarden deze keer want in mijn hoofd strijden nu de herinneringen aan de warmte van vriendschap en de schoffering door een engerd met elkaar, dankzij ‘Frits’. Dat de vriendschap mag winnen.

Het was fijn om na die rare middag met een paar vriendinnen een glas wijn te drinken op een rustig plekje in het Voorburg dat ik me nog herinner van vele jaren terug. Een afsluiting mijn moeder waardig.

Alice © 2010

Dag mam

Vandaag zal ik je voor het laatst zien en voor het eerst zie ik daar tegenop. Vanavond komen onbekenden mij de hand schudden met een ernstig gezicht. Bekenden, vrienden zullen me ongetwijfeld een kus geven en me begrijpen. Ongetwijfeld ook zullen sommige mensen zeggen dat je ‘er mooi bij ligt’. Anderen dat je er zo oud uit ziet. Een wassenbeeld van vlees en botten. Maar jij bent er zelf niet bij en ik weet dat ik tegen een zielloos lichaam aan zal kijken.

En ik wil het niet. Ik wil jou niet op mijn netvlies krijgen als iets wat je niet was. Ik wil je bij me houden zoals je altijd geweest bent. Met ogen die levenslust uitstralen, met je kleine maniertjes die ik misschien nooit helemaal begrijp. Ik wil dat je me nog honderd keer vraagt wat ik in mijn koffie heb terwijl dat al dertig jaar hetzelfde is. Ik wil de afwijzing voelen als ik je probeer te helpen want je kan het immers nog zelf doen. Ik wil nog, ach wat wil ik nog? Het zal niet meer gebeuren en ik ben verplicht nog een keer afscheid te nemen. Vorige week van je ziel, vandaag van je lichaam en morgen van een anonieme kist, in een anoniem crematorium in een anonieme buitenwijk. Wel bloemen, geen toespraken, wel muziek, geen persoonlijke woorden. Op voorhand maakt het me koud. Misschien zal ik als ik oud ben ooit begrijpen waarom je kiest voor die soberheid, dat kille afscheid. Is het omdat je er niet meer bent? Is het omdat je je verzet tegen die oude tradities waar je mee opgroeide in dat dorp waar families altijd ruzie maken onderling. Is het omdat je jezelf zo wegcijfert dat je liever geen aandacht ziet voor dit laatste afscheid?

Al dagen hul ik me in zwart ondanks dat ik weet dat jij daar niet zoveel van moet hebben. Maar hoe kan ik anders mijn verdriet laten zien? Straks, na morgen zal ik weer een beetje kleur toelaten en drie weken later leg ik het af want dan gaat het leven verder. Ik moest immers die draad verder afhechten die je me gegeven hebt. Maar dat leven is een stuk minder leuk geworden. Het besef verweesd te zijn is zwaar. Redenen om terug te gaan naar de plek waar ik opgroeide zijn gereduceerd tot een bezoek om naar het verleden te kijken, van mij leeft daar immers niets meer. Een ouderlijk huis is er niet en in mijn hart is kou. Het is buiten het leven thuis niet een veilige plaats voor me gebleken, er is teveel gebeurt dat niet had mogen gebeuren.

Gedachten gieren al dagen door mijn hoofd als roofvogels die af en toe in duikvlucht me een klap geven met hun klauwen. Op de vreemdste momenten zijn er die tranen en veel muziek is onbeluisterbaar. Slapen, waken, het is een patroon dat ik niet meer omarm. Al tijden niet maar de laatste week helemaal niet meer. Ik rust als ik denk te moeten rusten en ik waak als ik de rust niet kan vinden. Als ik in de tram zit of door de stad wandel zie ik soms een blik, het moet ook vreemd zijn zo’n vrouw in het zwart met dit weer. Of misschien is er soms een blik omdat iemand me in de ogen ziet. En vandaag zie ik jou dus nog een keer, ik weet op voorhand dat het één keer teveel een blik op wat rest zal zijn. Maar ik kan niet anders. Vannacht hoopte ik op een teken van je, net als de nachten hiervoor. Ik weet, jij weet, dat er een moment komt waarop jij er ineens weer bent. We weer even met elkaar praten, waarop je me laat weten hoe het daar met je is. Want ik weet, jij weet, dat het niet opgehouden is, dat ergens in wat voor dimensie ook jij er bent. Net als pa dat is. Alleen jij weet wanneer het tijd is voor dat teken. Ik wacht op je. We hebben de groet nooit gebruikt maar ik doe het nu wel want het is de enige passende: namasté mam, namasté.

Alice © 2010

In memoriam Aagje Ros 21 maart 1933 – 16 juli 2010

Vandaag lijkt het net of je longen slechts vergeten zijn te ademen om dan plotsklaps in het gebrek aan ritme te vervallen tot de stilte die nu gevallen is. Jij, mijn sterke moeder bent er niet meer. Wat rest zijn een gesloopt lijf, herinneringen en liefde.

Aagje Verheij, na haar geboorte voorzien van een voornaam als een verkleinwoordje. Wellicht omdat ze bij geboorte al klein was. Een zevenmaands kindje geboren in de crisisjaren op een derde van de vorige eeuw. Het hele leven klein gebleven en overleden nadat mijn jongste zoon even groot als haar was geworden, bij overlijden opnieuw de kleinste in de familie net als bij de geboorte. Maar kleine mensen zijn uitzonderlijk sterke mensen, zoals ze zelf vaak zei moest ze altijd knokken tegen die lange slungels en dat knokken heeft ze geleerd en nooit meer verleerd. Geboren in het gezin van een visser die later huisschilder werd en een moeder die als naaister werkte en klederdracht maakte. Een gezin in betrekkelijke armoede met ‘zand op de vloer’. De naald en draad zouden haar hele leven een belangrijke rol blijven spelen. Ondanks dat de meeste zevenmaands kindjes in die tijd het niet overleefden gelukte het haar wel om door die tijd heen te komen. Een jeugd in een land onder eerst oorlogsdreiging gevolgd door het juk van een bezetting. De tijd was moeilijk en tegen haar. Het gezin werd geëvacueerd uit Duindorp, de volkswijk van Scheveningen naar de Joden en hoerenbuurt van Den Haag. Die huizen in Duindorp en in het centrum van Den Haag staan er nog steeds. De Joden zijn er niet meer, de hoeren wel want sommige dingen veranderen niet. Het waren jaren waarin dat kleine meisje dat als een krijger leerde overleven geconfronteerd werd met zaken waar een kind niet mee mag worden geconfronteerd. Honger, oorlog, geweld, dood, allemaal ingrediënten van een potentieel trauma. Maar kinderen zijn flexibel, zelfs onder die omstandigheden en het gezin redde het. Mijn moeder dus ook.

Na de oorlog ontmoette ze haar man en gedwongen door de woningnood verhuisden ze na hun huwelijk naar verschillende plekken in de stad om terecht te komen in de naoorlogse wijk Mariahoeve een de noordgrens van de stad uitkijkend over de weilanden tussen Den Haag en Leiden. Een jonge wijk voor jonge gezinnen met een saamhorigheid tussen de vrouwen in de wijk zoals we die nu nauwelijks meer kennen. Zestiger jaren, zeventiger jaren, ze vergleden tot uiteindelijk 2010. De woonadressen wisselden maar ze bleef in de wijk waar het grootste deel van haar leven zich afspeelde. Een leven als jonge moeder, een leven als vrouw van middelbare leeftijd en tot slot een leven als een van de weinige oorspronkelijke bewoners van die naoorlogse wijk, een oude dame.

Een leven ook waar de gevolgen van de onvolgroeidheid van haar lichaam als gevolg van die jeugd haar parten ging spelen. Het ene medische probleem volgde het andere op. Geslagen door bijna doofheid, door organen die het niet meer goed deden en door het overlijden van haar man met wie ze een gezin had doen opgroeien en zoveel jaren gelukkig mee was geweest.

De laatste negen jaren waren moeilijke jaren. Het wegvallen van mijn vader, de verandering die ik doormaakte, ziekten in de familie en de eindeloze reeks medische problemen die haar trof gingen hun tol eisen. Tot het laatste echter woonde ze nog zelfstandig, klein maar dapper, in haar flat. Een paar extra voorzieningen en de laatste jaren thuiszorg maakten die zelfstandigheid mogelijk. Tot het laatst liet haar geest haar gelukkig ook niet in de steek, op een enkele periode in een ziekenhuis een paar jaar terug na. Er zijn verschillende momenten geweest in haar leven dat haar omgeving dacht dat ze het niet zou overleven. Artsen spraken al decennia terug uit dat ze maar een paar jaar te leven had. Het werden er nog zo’n veertig. De laatste maanden werd het allemaal wat moeizamer maar de snelle verslechtering van de afgelopen maand had niemand voorzien. Iedereen wist dat zij op een medische tijdbom leefde. Verschillende organen functioneerden slecht en de hoeveelheid medicijnen leek de laatste jaren alleen maar te groeien. Totdat het niet meer kon en de incidenten thuis elkaar opvolgden.

Ze werd opgenomen in het ziekenhuis met als doel de medicatie weer op orde te krijgen en de verwarring die zich meester had gemaakt te bestrijden. De verwarring verdween maar het lijf werkte niet meer mee. De breuk van een schouder in het ziekenhuis hielp ook niet mee en de laatste twee weken verslechterde haar toestand zienderogen. Enkele dagen terug nog vroeg ze om de aanwezigheid van al haar kinderen en kleinkinderen.

Ze nam afscheid toen ze het nog kon. Ernstig verzwakt maar nog bij haar volle verstand, gehinderd door een gemankeerd lijf overhandigde ze iedereen, zonder uitzondering, een draad met een naald er aan. Geen fysieke maar een symbolische. Tenminste dat denken we. Voor haar waren die draden en naalden werkelijkheid. Het waren draden van leven en naalden om die levens te hechten. De opdracht voor een ieder was duidelijk: ga verder met je leven. Je hebt er maar één, gebruik het!

Vandaag is ze dan uiteindelijk overleden na een letterlijk slopend ziekbed. De laatste dagen waren hartverscheurend om mee te maken maar tenslotte is daar de welverdiende rust voor de grote kleine vrouw. Moeder van twee dochters, grootmoeder van vijf kleinkinderen, weduwe van Gijs Verheij.

Aagje Ros, mama, rust zacht. Je was een geweldige moeder, een lief en mooi mens. Ik hou van je tot in de oneindigheid. Mijn hart is gebroken, voor mijn ogen hangt een waas van tranen.

Alice Verheij, juli 2010.

Als ik in jouw ogen kijk dan zie ik jou niet meer.

The book of life is brief.
Once a page is read,
all but love is dead.
That is my believe.

Drie zinnen uit een lied geschreven door de door mij zo bewonderde Amerikaanse singer/songwriter Don McLean. Zeventiger jaren vorige eeuw: mijn wereld was nog groot door mijn eigen kleinheid. Muziek uit een tijd dat ik op de lagere school zat. Een tijd die ik me herinner als de gelukkigste tijd uit mijn leven. Mijn onbezorgde jeugd. De enige zorg die bestond was of mijn vriendjes na schooltijd er weer waren om buiten te spelen. Ze waren er bijna altijd maar nooit voordat ik eerst nog na thuiskomst een kop thee met een beschuitje met suiker gegeten had. Beschuit, ik eet het bijna nooit meer. Een jeugd doorgebracht in lichte tinten in een lichte school in een lichte woonwijk in een vrolijke stad. Een ‘mammoetkind’ in een ‘babyboomwijk’. Het is als de dag van gisteren voor me want al de jaren daarna hadden schaduwen in zich die de herinnering versluieren. Schaduwen in een kwetsbaar puberleven, schaduwen in een onzekere adolescentie en uiteindelijk schaduwen in een huwelijk dat er, achteraf gezien, niet had moeten zijn. Soms ook met gelukkige perioden, dat wel.

Zelfs in een compleet nieuw leven na de ‘grote verandering’ bleven er schaduwen. Duidelijker zichtbaar dan vroeger, veelvuldig en kil. Maar ik kan er tegen inmiddels, zoals een mens zich kan harden tegen de kou door er maar lang genoeg in te verblijven. Een mens went aan schaduwen, zelfs die in je hoofd. Iedereen heeft ze in meer of mindere mate want ze zijn het gevolg van het opgroeien, van het volwassen worden. Die onontkoombare volwassenheid die vaak helemaal zo fijn niet is. Als kind wil je zo snel mogelijk tot de kring van volwassen horen maar eenmaal daar aangekomen wil je maar al te vaak weer dat kind zijn. De meeste mensen zien hun ouders bij hun leven wegvallen uit hun bestaan. Bijna iedereen verweest en dat is maar goed ook want meemaken dat je eigen kinderen ontvallen is ondraaglijk. Dat wegvallen is een heel gewoon gegeven, niets is normaler en nadrukkelijker een onderdeel van het leven als juist het einde van dat leven, doorgaans bewerkstelligd door de beperkte houdbaarheid van het lichaam.

And I wonder if you knew
that I never understood
that although you said you’d go
until you did, I never thought you would.

De tekstschrijver mag de woorden dan bijeengebracht hebben in een liefdesliedje over een verloren liefde maar voor mij heeft het een geheel andere betekenis gekregen de laatste maand. Een tijdje terug heb ik dit lied van diezelfde Don McLean hertaald, elders op mijn schrijfplek is het resultaat nog te vinden maar ik zal de Nederlandse tekst van de hertaling hier nog eens laten zien:

En ik vraag me af of jij weet
dat ik er nooit iets van begreep
dat ondanks dat je zei te gaan
totdat je ging, ik nooit dacht alleen te staan.

Dezer dagen gaat de tekst vooral over het wegvallen van jou, mijn moeder. In de loop van mijn leven ben je veranderd van een vaste waarde op de voorgrond die me opvoedde en losliet in die moeilijke wereld, zodanig toegerust dat ik er nog steeds ben. Dat is een hele prestatie van je, je hebt me sterk gemaakt. Je bent veranderd in een vaste waarde op de achtergrond waar ik altijd terecht kon voor raad en steun als het moeilijke tijden waren. De laatste drie jaar met de nodige regelmaat. Mijn rots in mijn branding. Klein, gehavend maar sterk en altijd met antwoorden op de vragen die ik had. Soms nog voor ik ze stelde. We hebben elkaar zoveel beter leren kennen.

In de kamer even verderop in de gang van dit grote onpersoonlijke ziekenhuis licht jouw geest te vechten om dat lichaam eindelijk zover te krijgen dat het je laatste adem uitblaast. Je gezicht is in een kramp vertrokken, onmachtig zich nog in rust te plooien met een uitdrukking die van je ongekend is. De oogleden een beetje geopend waardoor jouw inmiddels versluierde ogen te zien zijn. Het licht wordt nog door ze opgevangen maar of er in je hersenen nog beelden van gecomponeerd worden zal ik nooit weten. Gezien de fletsheid lijkt me dat onwaarschijnlijk, maar wie ben ik.  Je ligt daar zo roerloos, met schokken ademend zonder de natuurlijke regelmaat van een normale ademhalingsreflex. Het gewicht van je te dunne armen is zo groot en je spieren zo zwak geworden dat de eindeloze reeks bewegingen die je armen maakten ten lange leste opgehouden zijn. Verstild en in een willekeurige houding geland op de witte lakens.

In mijn hart tel ik de dagen, de uren en de minuten die verglijden totdat het je eindelijk vergund zal worden om alleen je liefde bij me te laten. Je zwakke lijf is zo oneerlijk sterk in het rekken van je leven dat geen leven meer is en dat al dagen terug is afgelopen. Het verdwijnt steeds meer in een vorm die niet meer in overeenstemming is met wie je eigenlijk bent. Of was. Als ik in jouw ogen kijk dan zie ik jou niet meer en of je mij nog ziet zal ik nooit meer weten.

Als ik in jouw ogen kijk dan zie ik jou niet meer

Als ik in jouw ogen kijk
dan zie ik jou niet meer.
Slechts een schaduw rest
nog in jouw blik deze keer.

Even hoop ik op een flikkering
een simpel teken van herkenning.
Even slechts een blik mijn lieveling
een beweging of een laatste zin.

Als ik jouw handen vastpak
dan voel ik jou niet meer.
Slechts een schim is er nog
een huls, licht als een veer.

Even hoop ik op een flikkering
een simpel teken van herkenning.
Even slechts een blik mijn lieveling
een beweging of een laatste zin.

Even hoop ik op een flikkering
een beweging of een laatste zin.

Als ik door jouw haren strijk
dan zie ik de glans niet meer.
Slechts een paar plukken nog
ijl en dun en wit en teer.

Even hoop ik op een flikkering
een simpel teken van herkenning.
Even slechts een blik mijn lieveling
een beweging of een laatste zin.

Als ik in jouw ogen kijk
dan zie ik jou niet meer.
Slechts een schaduw rest
en zelfs dat is er niet meer.
Zelfs jij bent er niet meer.

Alice Verheij © 2010

Aan het sterfbed van mijn moeder.

Je oude bevende handen tasten in de lucht al die van een marionet naar door ons ongeziene naald en draad. Met vermoeide maar sierlijk bewegingen steken ze de draad door het niet bestaande oog van de laatste naald. De handeling schier eindeloos herhalend die zij hun leven lang hebben uitgevoerd. Het zijn niet de spieren en gewrichten maar enkel de gedachten die ervoor zorgen dat het hun lukt.

Eenmaal draad en naald verenigd in een streng van gedachten zoek je met onverwacht zekere blik de ogen van één van ons, de handen reikend naar diegeen van wie je afscheid neemt. Je kinderen, schoonkinderen, kleinkinderen. Zonder uitzondering geeft je iedereen een draad gesponnen van gedachten en voorzien van een naald om jouw gedachten te hechten aan die van ons. Om het breiwerk van je leven te ontvlechten alsof je een borduurwerk uithaalt. Voor iedereen één draad en één naald als dank, als afscheid, als opdracht in onbepaalde volgorde want ieder van ons is je even dierbaar. Het is jouw manier waarop je iedereen beloont met je volle aandacht, zelfs op je sterfbed is jouw afscheid er niet een van nemen maar van geven. Met je laatste dagen of uren die op je wachten, met het ongeduld om naar boven te willen en met je drang omdat pas te doen als alles klaar is en je de aanwezigheid van niemand meer nodig hebt. Een ons vreemd maar o zo passend en dankbaar afscheid waarbij jij alleen de regie voert. Zoals zo vaak door niet op de voorgrond te treden maar simpelweg door je aanwezigheid nu het nog kan.

Je ogen versluieren met steeds groter regelmaat het leven dat nog in je is. Je moede hoofd laat je soms rusten maar er is nog geen ontspanning. Alsof je er nog niet aan toe bent. Je wilt wel maar je kunt het nog niet. De donkerte van de nacht en het licht van de dag wisselen zonder nog van belang te zijn, zonder dat jij ze nog ervaart als relevant. Je bent tijdloos aan het worden. Je door ziekte geschonden lichaam zo klein en breekbaar gekleed in het wit van de lakens van je bed. De armen met regelmaat in beweging want handen moeten doorgaan. Precies zoals je altijd gezegd hebt. Tot ook die handen, zelfs die handen berusten in wat komen gaat.

Stil zit ik naast je, we spreken niet. Af en toe wisselen we een blik, soms kijk ik naar jou zonder dat je het merkt en soms ontdek ik jouw blik op mij gevestigd. Geen woorden zijn er meer nodig. Het grote wachten op dat waarvan jij en ik niet weten wat het is en wanneer het komt zal nog even doorgaan totdat misschien straks, misschien morgen of overmorgen je niet meer hoeft te wachten. Lieve moeder, ga maar vast vooruit, er wordt op je gewacht.

Niet mijn tekst maar de best passende tekst geschreven door de door mij zo bewonderde Frederique Spigt: ‘Ga maar vast vooruit’ van het album ‘Droom’.

Kun je mij wel horen
Kun je mij nu zien
Als ik zacht je handen streel
Voel je me misschien
Kun je ze ruiken
De rozen die hier staan
Als je ogen open zijn
Kijk je mij dan aan

Ga maar vast vooruit
Wees maar niet bang
Ga maar liefste
Ga maar vast
Je ligt hier al zo lang
Ga maar vast vooruit

Zie je ze bewegen
De wijzers aan de muur
En hoor je dat de klok steeds slaat
Elk half uur
Ik kus je droge lippen
En hoop dat jij het voelt
Alle woorden die ik zing
Zijn voor jou bedoeld

Ga maar vast vooruit
Wees maar niet bang
Ga maar liefste
Ga maar vast
Je ligt hier al zo lang
Ga maar vast vooruit
Ga maar vast vooruit
Vooruit

Alice Verheij © 2010

‘Ik kwam laatst mijn vader tegen.’

de-dikke-van-dale.jpg

Een gesprek dat nooit heeft plaatsgevonden.

’t Was een lome zaterdag. Zo’n dag in het late voorjaar die je vooral aan de zomer doet denken. Ik had niets omhanden. Ik was alleen, geen drukte van kinderen om me heen. Heerlijk om zo zonder doel, zonder wil en zonder last van tijd wat te slenteren door de mooie oude stad. Het strijklicht over de oude bakstenen in al hun schakeringen in de muren van de huizen geboetseerd bleef me boeien. Het stralende wit van de pas gelakte kozijnen en de voorname hoge ramen met fraaie omlijsting, de oude gebeeldhouwde deuren, vaak dubbel uitgevoerd, met het eerlijke koperbeslag. Vandaag kon het me allemaal bekoren. Het was net of de kasseien op de straten en pleinen alleen voor mij gemaakt waren. Het klonk zo lekker om er over te lopen, de houten hakken lieten zich horen op deze vroege morgen.

De warmte liet zich al voelen door mijn kleren heen. Het was pas april en toch voelde het net of de zon mij wilde strelen. De winkels gingen net open en langzaam kwamen er meer mensen op straat. Sommigen gehaast op weg naar de supermarkt of misschien gewoon de bakker of naar een vriend of minnaar. Anderen in alle rust slenterend net als ik. Ieder op zijn of haar eigen tempo en vreemd genoeg allemaal passend in het warrige ritme van de ontwakende stad. De oude kerk met haar vierkante en stevige toren, de geweldige zijbeuken en hoge muren keek minzaam omlaag naar het gewoel van de mensen beneden, voor de zoveelste dag in haar lange leven. Om half tien liet de bassende kerkklok zich horen. Een paar kinderen joelden naar elkaar, ze hadden plezier. Een jong stelletje liep gearmd langs de winkels om bij elke kledingzaak even te blijven staan en vrolijk goed of juist afkeurend tegen elkaar te fluisteren. ‘Vindt je dat mooi?’ ‘Nee joh, veel te rood voor mij lieverd.’ Na een kwartiertje trof ik mezelf aan onder de gietijzeren bogen van de oude markthal achter de kerk. De hoge donkere bogen droegen een houten dak dat ooit wit was maar nu wat vale vlekken en regensporen vertoonde. Het bouwwerk stond er wat verloren bij, de oude functie was vervallen en de nieuwe bestond uit niet meer dan het tonen van hoe het vroeger was. Ik denk dat mijn ouders er nog wel marktkooplui onder hadden zien handelen in hun jeugd als ze in deze stad hadden gewoond. Maar nee, ze kwamen uit een vissersdorp dat in hun jonge jaren al door de aangrenzende stad was opgeslokt. Daar zal vast ook wel zo’n oude markthal hebben gestaan bedacht ik me maar een concrete plek kon ik me niet herinneren.

Ik wandelde wat verder en liep langs een paar winkels met winkelruiten die met de bocht van de straat meebogen. Mooi grote en voorname ramen met er achter vooral boeken en in één winkeltje zilveren sieraden. In de hoek van de etalage van de sieradenwinkel zag ik het in een oogopslag liggen. Ovaal en van donker goud. Achttien karaats denk ik en versierd met uitbundig filigrein over de bolle binnenkant. Het was er maar eentje en er was een klein gouden ringetje aan gesoldeerd, waarschijnlijk om er voor te zorgen dat ie als hanger kon worden gedragen. Niet origineel meer dus maar onmiskenbaar uit het geboortedorp van mijn ouders. Een klein prijskaartje aan een dun draadje vermeldde ‘€750’. Zo duur waren die dingen dus al tegenwoordig. Misschien weet de handelaar niet eens wat het is. ’t Glom prachtig in zijn voornaamheid en toch mistte het iets. Het hadden er natuurlijk twee moeten zijn. Twee ‘boeken’ op een zilveren ‘ijzer’ bedoeld om de kanten kap over te spannen. Oud klederdrachtsieraad, incompleet en eenzaam. Een beetje misplaats in dit zilverwinkeltje. Maar toch van een mystieke schoonheid. Het bracht herinneringen terug aan mijn moeder die nu zo oud was en net zo eenzaam en misplaatst als het gehalveerde sierraad. Mensen zijn soms net sierraden bedacht ik me. Als ze oud zijn worden ze in een hoekje weggelegd om er af en toe naar te kijken. Snel schudde ik de gedachte van me af, het was geen dag voor schuldgevoel. Het was eigenlijk gewoon koffietijd en in mij riep iets dat het hoog tijd was om een rustig café te zoeken om maar eens te genieten van een goede warme kop cappuccino. Zou ik er appelgebak bij nemen? Natuurlijk. Het duurde niet lang of ik vond een ongetwijfeld zeer oud etablissement dat me wel beviel. Mooi pand, gezellig interieur, geen truttige kleedjes op tafel maar ook niet te trendy. Het was aangenaam warm binnen. Langs de muren boekenkasten en allerlei dingen die een aangename huiselijkheid uitstraalden. Ik slenterde langs de lange toog en koos een tafeltje uit waar ik met mijn rug naar de muur kon zitten en de zaak goed kon overzien. Niks fijner dan mensen kijken. Het jonge meisje kwam al snel naar me toe met haar nu nog schone witte lange schort voor.
‘Wat mag het zijn mevrouw?’
‘Cappuccino graag. En een appelpunt.’
‘Komt er aan. Slagroom er op?’
‘Nee hoor.’
Ze trippelde vlot weg en ging aan de slag met het grote glimmende koffieapparaat. Ik bladerde zonder gedachten door de krant die op tafel lag maar legde die ook snel weer weg. Slecht nieuws allemaal en politiek en lange ingewikkelde verhalen. Niet geschikt voor zo’n mooie zaterdagochtend. De zon scheen buiten uitbundig en maakte de stad vrolijk. Na een paar minuten kwam het meisje met de koffie en het appelgebak. Lekker warm gemaakt. Ik pakte het boek uit mijn tas dat ik had meegenomen om uit te lezen en raakte al snel geboeid in het verhaal. De belevenissen van de vrouw van de zeeman en de manier waarop dat was beschreven spraken me aan. Ik verdween steeds verder in haar leven.

Ik weet niet waar het door kwam maar op een onbepaald moment keek ik op en zag een oude man binnenkomen. Hij zei niets, keek even om zich heen, en liep toen traag door. Ik verstarde. Dit kon niet waar zijn, dit soort dingen gebeurt niet echt. Bedriegen mijn ogen me? Maar de man liep gedecideerd door en op twee tafeltjes afstand keek hij me recht in de ogen, weemoedig. Ik kon mijn ogen niet van zijn ogen losmaken en na drie stappen stond hij bij mijn tafeltje. Het zonlicht achter hem benadrukte zijn silhouet. Hij was het, ik herkende hem uit duizenden. Zonder aarzeling en zonder te vragen ging hij op de stoel tegen over me zitten. Zijn jas legde hij over de nog vrij stoel op de mijne.
‘Ik mag hier vast wel zitten toch? Mevrouw?’
Ik kon niets zeggen, mijn kaken kwamen niet in beweging, mijn tong bleef op zijn plek.
‘Ken je me dan niet?’ vroeg hij.
‘Jawel, maar dit kan toch helemaal niet? Je bent toch al lang overleden?’
‘Dat is zo, maar dat wil niet zeggen dat ik toch graag nog met je wil praten.’
‘Zeg me dat… dat mijn ogen me bedriegen, dat je het niet bent, dat je niet hier bent…’
De tranen stonden in mijn ogen inmiddels en ik voelde me wee worden.
‘Je ogen zijn prima en ik ben het wel, je vader. En ik ben ook hier, nu, met jou aan deze tafel. Om met je te praten want dat wou je toch zo graag?’
Ik voelde de tranen in mijn ooghoeken zich opdringen maar kon me inhouden. Ik was duizelig.
‘Neem nou eerst je koffie eens en eet van je gebak. Straks is het koud en anders eet ik het op. Hoewel… er zit geen slagroom op.’
‘Ja pa, als je het maar laat hoor. Laat je wel vaker mensen zo schrikken?’
‘Welnee, dit is speciaal voor jou. Jij wilde dit en ik vindt het hoognodig om je de mogelijkheid te geven met me te praten waar we het vroeger om de een of andere reden ooit over konden hebben. Het is goed.’
‘Was je niet verbaasd me te zien? Hoe herkende je me? De meeste mensen van vroeger herkennen me echt niet hoor.’
‘Ik ben je vader, weet je nog? Natuurlijk herken ik je. En ja, ik was wel verbaasd een vrouw te zien, hoewel ik natuurlijk van de verandering weet. Het gaat je goed zo te zien want je ogen stralen iets uit wat ik vroeger nooit zag. Of ik moet het gemist hebben.’
‘Je hebt veel gemist denk ik. Dat is geen verwijt hoor, je moest immers voor je gezin zorgen.’
‘Toch had ik er moeten zijn om je te helpen toen het nodig was. Hoewel ik niet geweten zou hebben wat te doen. Een vader wil zijn kinderen toch gelukkig zien. Het doet pijn achteraf te weten dat je dat nooit helemaal was.’
‘Het was de tijd, pa. Het zou toen toch niet gekund hebben, een zoon die dochter wordt. Hoe had dat gelegen in de buurt en op school, wat had je de collega’s op het werk moeten vertellen? Nee het had te moeilijk geweest.’
‘Toch is het jammer, je bent een leuke vrouw om te zien. Zitten de mannen niet achter je aan?’
‘Doe niet zo gek zeg! Ik ben vijfenveertig hoor, de meeste kerels zoeken het jonger. Dat weet je best. Maar ik voel me wel heerlijk natuurlijk.’
‘Heb je geen spijt dat het zolang heeft moeten duren dan voordat dit kon?’
‘Soms wel.’
‘Niet altijd? Je hebt zoveel gemist, zoveel moeilijkheden gehad.’
‘Nee spijt heb ik zelden. Ik hou niet van omkijken. Nieuwe dingen vindt ik belangrijker. Wat achter me ligt kan ik toch niks meer aan veranderen. Vandaag en morgen, dat kan ik zelf bepalen.’
‘Ik geloof je niet helemaal, dame.’
‘Nou ja als het vijfentwintig of dertig jaar eerder was gebeurt had ik het wel beter gehad natuurlijk. Het had het misschien gemakkelijker gemaakt. Maar misschien ook niet hoor. Weet jij veel hoe de mensen toen gereageerd zouden hebben? Misschien was ik nog wel veel meer getreiterd.’
‘Ik denk het wel. Er kon niet zoveel in die tijd. Trouwens ik denk dat ik niet geweten zou hebben wat ik met de situatie moest aanvangen. Ik was nooit zo goed in die dingen. Je moeder was daar beter in.’
‘Misschien ook wel niet. Het is nu immers ook ontzettend moeilijk voor haar.’
‘Maar hoe is het je nu vergaan in die paar jaar? Is het niet ontzettend moeilijk om dit te doen?’
‘Klinkt gek misschien, maar eigenlijk niet dus. Het is voor mij een vorm van thuiskomen in mijn eigen lichaam, mijn wezen. Ik had nooit verwacht dat het zo vertrouwd zou voelen. Maar dat kan je jezelf vast niet voorstellen.’
‘Ach weet je, daarboven maakt het niet uit of je man of vrouw bent. Het is er wat raar geregeld maar om de een of andere reden bestaat het onderscheid niet meer.’
‘Hoe is het daar dan? Is het mooi? Ken je iedereen en is alles goed?’
‘Daar mag ik niets over zeggen. Je komt er wel achter als het jouw tijd is.’
Er viel een vreemde stilte, alsof de tijd even een pauze nam.
‘Koffie misschien?’
‘Dat heb ik niet meer nodig. En roken ook niet meer trouwens. Wel een wat drastische manier om er vanaf te komen, maar het heeft wel gewerkt.’
‘Ja, het kwam wel als een donderslag zeg. We wisten wel dat het niet goed zat maar dit heeft niemand aan zien komen.’
‘Ik ook niet. Het was zover voordat ik er erg in had.’
‘Het was wreed, vooral voor de kleine meid.’
‘Ja ik weet het en dat heb ik heel erg gevonden. Maar ook dat heeft een reden hoor. Ze komt er wel achter als ze opgroeit. Je hebt trouwens mooie kinderen. Ik mis ze soms wel en dan neem ik even een kijkje.’
‘Dat meen je niet, kan zoiets dan?’
‘Jawel maar ik mag er niet over praten. Het zou jullie levens veranderen.’
‘O.’
‘Zul je op ze letten? Op iedereen? Ze hebben je allemaal nodig weet je.’
‘Maar natuurlijk. Ik kan toch niet zonder ze? Maar waarom vraag je dat?’
‘Geen vraag. Het is een opdracht van je vader.’
‘…’
‘Het is nog wel een vreemde aanblik om je zo te zien.’
‘Ja, het is wennen hé?’
‘Het past bij je, je bent veel echter nu, die vreemde laag die je om je heen had is er niet meer. Het is wel goed zo denk ik.’
‘Meen je dat? Ik was toch je zoon waar je zo trots op was.’
‘Ik ben nog steeds trots.’
‘Echt?’
‘Als je het maar uit je hoofd laat ooit terug te veranderen.’
‘Pa, dat kan niet meer. Al zou ik het willen. Sommige dingen zijn onomkeerbaar, dat moet jij toch zeker weten.’

‘Mevrouw, wilt u nog een kopje koffie misschien?’
Het meisje keek me vragend aan met haar bruine ogen.
‘Uh ja. Ja, geef er nog maar eentje.’
In verwarring keek ik om me heen. De stoel voor me was leeg. Er lag geen jas meer over mijn jas op de stoel naast me. Was ik ingedommeld door het zonnetje dat naar binnen scheen en me loom maakte? Hé, wat kan dit weer gekke dingen met je doen. Ik voelde me nog steeds een beetje duizelig en keek op mijn horloge. Het was al bijna half twaalf, ik zat hier dus al ruim een uur. Dat kan toch niet zo lang? Nou ja, nog even een bakkie en dan snel naar buiten. Een frisse neus zal me goed doen. Zomaar indommelen in een café…

‘Alstublieft mevrouw, uw koffie.’ Op kopje stond “Café Gijs” en ik moest glimlachen.
‘Mag ik zo de rekening van je?’
‘O, maar die heeft die meneer daarnet al betaald hoor. Ik moest u nog zeggen dat het wel goed was.’

Januari 2007 – © (M)alice