First sentences when awake 1: “Where is Alan Road?”

I dream a lot. And I capture dreams. In contrast with many people I can recall my dreams for some time. That allows me to get inspired by the most wonderous stories that happen in my dreams. Most of my dreams have to do with traveling. Well actually almost all of my dreams. The explanation for that is that life for me is one big continuous process of change. Change I welcome and never am afraid of. It even drives me to write the way I do about the topics I choose. It makes me follow those dreams and makes me travel. As such my dreams are often the seed where new experiences and friendships derive from.

Being a dreamer is nothing like being unrealistic or a being out of reality. It merely is a mirror of my life combined with imagination, inspiration and experiences. My dreams tell me things I do not easily recognize when fully awake. They do change the coarse of my life and even the most important decisions in my life have been triggered by the subcontious reality of my dreams.

So I learned to value my dreams and to sometimes chase them. For me my dreams define me as a person and as an artist. As a writer.

Because of that I’ve been capturing the first sentence that pops in my mind as soon as I am waking up. I pen them down, for reference. It’s a way of capturing those dreams. Sometimes these sentences do not telle me that much, sometimes they explain themselves later. Sometimes much later. The moment I am really awake I try to spend half an hour writing down the dream I had based on that one sentence. And that way of handling my dreams sometimes brings me stories or poetry. Or the need to change someting in my way of life. I also log the time with that sentence that I pen down in those early hours. Somehow that seems important although I do not (yet) know why.

This morning’s sentence at 6.54 AM was: “Where is Alan Road?”.

Alan Road could of course be a road. But Alan Road wasn’t a road in my dream, it was a person. This Alan Road is someone I’m  searching for. I met him on a trainride from The Hague to London. He was a young man, a performer. A poet. He was on his way to perform in London in an old pub where they have poetry evenings where writers and poets come to listen to each other and enjoy each others company. Alan was a quiet man, I think around his thirties. With an unshaven face, like some guys think is looking cool. He was sitting there in the fast moving train quietly on his mental island. So was I. We didn’t talk at first.

It took us an hour before we exchanged words. He started first, I answered. We talked about how the landscape changes colour while traveling in a fast train. And how that seems like a film, a fast changing decor. Something that is not really out there but that’s projected. Alan started this game of imagining a world outside the train that was not real even though we were looking at it. I went along with him and we had a lot of fun thinking of all kind of situations and people inside that moving landscape. And what they did to each other, how the loved and cheated, what businesses they had and who killed who, where a little boy was about to be born and what that boy would later become. We envisioned people walking in the fields in northern France, hand in hand being romantic. And about a cyclist who tried to follow the train for a while abviously unable to keep up with us. Within mental minutes we were in Calais riding into to Channel Tunnel and quickly after that on our way on the English main land. We laughed a lot. Alan was a nice guy.

By the time we arrived at the trains destination we had exchanged phone numbers and plans for the coming days. I promised to come to his performance, somewhere in the Wimbledon area. So, a few days later I went there. There was indeed a poetry night going on in the Alexandra, the pub he told me to go to. He described the place accurately so I had no doubts. But Alan wasn’t on the program. I waited, searched, but didn’t find him. No Alan. Halfway the evening I asked a barkeeper wether he knew where Alan Road was. His answer was simply “Just around the corner miss, two blocks away.”

alan road

Only then I realized I had been in Alan Road years ago, to visit a friend who lived there. It must have been more than 30 years since, and I wonder why this place came back to me. I guess I’ll have to check it out someday or maybe another dream will explain this.

© Alice Anna Verheij

Advertenties

Eline

DEM

Hugo schreef deze prachtige tekst over onze evenzo prachtige ontmoeting in Antwerpen in het kader van het project ‘Date Ex Machina’ van het Belgisch literaire tijdschrijft ‘Deus Ex Machina’. De tekst vind ik zo mooi geschreven dat ik deze met veel genoegen hier herplaats. Eline is Hugo dankbaar voor dit literaire cadeau.

~

Tempus Ex Machina

Haar rode hoed verraadt waar ze vandaan komt. Ze heeft 131 jaar gereisd om mij te ontmoeten. De plaats van afspraak is goed gekozen. Het majes-tueuze uurwerk boven het buffet van de Antwerpse Middenstatie trekt haar aandacht. Haar mondhoeken vibreren mee met de schok waarmee de grote wijzer zichzelf verzet. Deze Spoorwegkathedraal bewaart op zijn gelaat de trekken van zijn geboortetijd. Ik ontmoet een Facebookvriendin in levende lijve. Ik schenk haar mijn uitgestoken hand en voltooi mijn verwelkoming met een dunne wangkus, zoals een man zijn zuster begroet. Een bang parfum bespeur ik niet.

Mijn gestrekte vingers nodigen uit. In haar ogen lees ik welke zitplaats haar voorkeur geniet. Ze verkiest geen damesplek tegen de lambrisering van waaruit zij de ruimte kan overzien en de aandacht in haar richting in zich opnemen. Gracieus neemt zij haar hoed af en legt die samen met haar fluwelen mantel op een lege stoel. Haar koffertje zet ze naast de tafel. We schikken ons in het midden van Le Royal Café, de stationsrestauratie van Antwerpen-Centraal. Ik gun haar het uitzicht op de wandklok waarop de geschiedenis niet verstrijkt maar verspringt van minuut tot minuut.

Het appelgebak met slagroom klieft ze met rechterhand; de caffè latte nuttigt zij zonder gestrekte pink. Nonchalant betreedt ze mijn tijdsgewricht; zelfs haar sieraden zijn gepast voor het moment. We spreken over Facebook en het vervagen van grenzen. Afstand in denken is een grotere bezoeking dan eender welk verschil in levensmijlen.

‘Mag ik je Eline noemen?’

Ze neigt haar hoofd welwillend. Ik bloos. Ik ben vaker jarig geweest dan zij, weet ze. Maar toch: in haar eeuw was ik nog bijlange niet geboren. Ze verdient mijn egards, bovendien is haar oeuvre groter dan het mijne.

Ik overhandig het boek dat ik voor haar heb meegebracht. Voor mij gaat ‘Godenslaap’ over een oude vrouw die vertelt over haar liefde en ontrouw tijdens de ‘Groote Oorlog’; voor Eline is het een roman over haar toekomst.

‘‘Ach… gunst… ’14–’18…? Wat bijzonder… en dit verhaal is geschreven door een man?!’

‘Het gaat over schrijverschap.’

‘Dankjewel.’

Eline opent het deksel van haar koffertje en beantwoordt mijn aandenken met een roman van haar eigen hand: een literaire getuigenis over een volksverstrooiing in een verafgelegen tijd en ruimte.

‘Schrijf jij in het Engels?’

‘Ook.’

Ik stel voor om te lunchen in de stad. Ze neemt haar hoed en mantel. Dat rood staat haar goed en het fluweel van haar lange jas oogt avant-garde. Terwijl ze naar haar koffertje buigt, vraag ik mij af wie haar korset heeft aangesnoerd. Opeens denk ik aan baleinen, oceanen en abiotische milieu-factoren zoals weer en wind.

‘De opwarming van het klimaat laat op zich wachten.’

‘Waar gaan we heen?’

‘Brussel is mij vertrouwd,’ hoest ik terwijl ik al bij voorbaat naar mijn sigaretten tast, ‘maar in deze stad ben ik net zo vreemd als jij.’

‘Ik ben hier ooit eerder geweest, lang geleden.’

Haar mondhoeken vibreren opnieuw zoals de grote wijzer op de klok. We verlaten de Middenstatie door de zijuitgang. Via Keizerlei en Meir schrijden wij richting centrum. Eline vergelijkt het statige stedelijk erfgoed met het Londen van Victoria. Ze wil een kunstenaarsgroep oprichten in Bloomsbury, een wijk nabij Camden. Ze heeft er al over gesproken met Leslie Stephen, maar voorlopig had haar redacteur zijn handen vol met zijn pas geboren dochter Adeline Virginia.

‘Virginia Woolf?’

‘Nee, Stephen.’

Ik haal mijn schouders op. Hoe kan het bestaan dat iemand uit haar tijd een Facebook account heeft? Ik onderdruk de vraag. Het wordt hoogtijd om iets te eten. Een Italiaan wil ik haar niet aandoen. Aan de overkant lonkt een beter etablissement. De keuken blijkt nog open en het aanbod aan absint baart een blije kriebel in Eline’s onderbuik. In afwachting van een vrije tafel  bestellen we beiden een bolleke. Nog voor het nippen krijgen we een plaats toegewezen bij de lambrisering onder de wandspiegel. Ik houd mijn pas in. Ik wil weten of zij verlangt naar omringende aandacht. Ze aarzelt. Ik laat haar geen keuze. Ze neemt plaats onder de spiegel. De Antwerpse stoverij smaakt er niet minder om. Eline ontpopt.

‘Het valt niet altijd mee.’

‘Die spiegel boven je…’

‘De mensen zeggen…’

‘Als we daarin nu eens een foto maakten van onze ontmoeting…’

‘De idee is goed. Of zeg jij “het” idee?’

‘Beide is juist, maar ik voel een nuance…’

‘Welke?’

‘De mensen zeggen wat?’

‘Ze zeggen dat ik mijn kinderen te kort doe.’

‘Kinderen?’

‘Ik ben vader van drie.’

‘Vader?’

‘Ja.’

‘…’

‘Ik was man. Onderweg ben ik vrouw geworden.’

‘Vandaag?’

‘Zo snel gaat dat niet.’

Ik doop een frietje in het mayonaisepotje. Op Facebook is de scheiding tussen waarheid en fictie als caffè latte; je weet nooit waar de melk ophoudt en de koffie begint. Oog in oog spreken we verder over leven, liefde en dood. Haar tijdgeest stemt tot bezinning over de mijne. Mijn voorgeschiedenis is haar werkelijkheid. Als dessert wensen wij nog een bolleke. Daarna opent zij andermaal haar koffertje. Ze neemt haar camera obscura ter hand en maakt een fotografie van onze ontmoeting via de spiegel aan de wand.

‘Komaan, Eline, ik ken nog een bruin café op de Grote Markt.’

Ze gaat maar wat graag mee. We drinken nog een glas of twee en dat geeft me een idee. We kuieren uitgelaten naar een hallucinante plek. Daar dalen  we af. Twee ellenlange oude roltrappen brengen ons knarsend naar benêe. Daar begint de tunnel, de lange, magische tunnel naar de moderne tijd op linkeroever. Je kan er te voet naar toe. Eline legt het wormgat vast op de gevoelige plaat. Verder gaat ze niet. Ik bied haar bijna mijn arm om haar terug te leiden naar het spoor. Haar rode hoed vertelt me haar bestemming. Ik vraag me af wat voor weer het zou zijn in Den Haag. Mijn ‘date ex machina’ keert terug naar het Valkenbosplein in haar eigen tijd. Morgen tref ik haar weer op Facebook.

 

© Hugo Schellekens, 3 april 2013

Date ex machina

Magica ex machina.

De wekker liet zich te vroeg horen. De avond ervoor had langer geduurd dan ze zich herinnerde en de hoeveelheid rode wijn was evenzo meer geweest. Althans, zo liet haar hoofd haar weten. De klok, nee de kalender, was mentaal zo’n slordige 120 jaren teruggezet in de nacht. Geen aprilgrap, wel 1 april.

Het kwam door zoiets eenentwintigste eeuws als Facebook. Tijdens het kleeden en thee zetten bedacht ze dat ze de man nooit eerder ‘in the flesh’ getroffen had. Hij was tot dan een profielfoto en een verzameling gevatte commentaren en conversaties geweest. Charmant in tekst. Het idee voor een ontmoeting bestond al eerder en, eerlijk is eerlijk, was ook al gepland voor een later, zonniger en warmer, moment.

Hugo. Een mooie stevige naam. Lekker kort, beetje vierkant maar met een vriendelijke klank.

Tot dan toe waren de uitwisselingen beperkt geweest tot het literair vliegen afvangen, het uitruilen van kwinkslagen op statusmeldingen en het bewonderen van foto’s met, zonder uitzondering, een nostalgische lading. De man hield van wat de modernisten ‘vintage’ noemen. Zij zelf ook. Het was een foto geweest van een raar autootje, een driewieler met enige verwantschap met een cicade, of een cockpit van een oude Spitfire. Het ding was gemaakt door Messerschmidt en natuurlijk was er de verrassing geweest dat een dame als zij zo’n ding bij naam en toenaam kon benoemen. Een tweetal telefoongesprekken waren het gevolg èn het zalige plan zo’n karretje te bekomen teneinde ergens langs de kust daar een pier mee te berijden. En toen kwam er dat olijke plan van Deus Ex Machina: ‘date ex machina’.

date ex machina

Als een waar tijdreizigster was het vanzelfsprekend gebleken af te reizen naar Vlaanderen. Antwerpen om precies te zijn. Een niet echt vanzelfsprekende plaats voor een Haagse maar gegeven de psychologische ligging halverwege Brussel en Den Haag, de enige plaats die in aanmerking zou kunnen komen voor een afspraakje. Post Victoriaans bezien was het geen afspraak en al helemaal geen date. Dat soort zaken zijn respectievelijk twintigste en eenentwintigste eeuws. Het was eerder een tête à tête. Zonder chaperonne. De gekozen locatie, hoe kan het ook anders met tijdreizigers, was natuurlijk de restauratie van de spoorwegkathedraal van Antwerpen. Een passender plek bestond niet. Een passender datum overigens niet. De zon scheen zelfs.

Na de thee kwam de koffie en een croissant. De bakjes van de kat vulden zich met zalm, niet bepaald een prettig luchtje zo in de ochtend, en water. Een spiegelmoment verzekerde haar van zichzelf en na wat twijfel over passende kleding en hakhoogte verdween ze in haar jas en onder een bolhoedje. Tijdreizigers dragen hoeden immers. De tram kraakte en piepte als een eeuw geleden en de trein vertrok van een station dat zich in zekere zin kon meten met dat van de bestemming van de trein. Ze reisde van Holland Spoor naar Vlaamse trots, het klonk als een boektitel. Geen Fyra te bekennen, dat was vooral geruststellend. Geen vertraging ook. Overstappen in Roosendaal, deze keer geen roepende negotiant met karretje met koffie en koeken op het perron. Die was immers in de tijd verdwenen. Enkele hoofdstukken later dook haar trein ondergronds om aan te komen in het Antwerpse ruimtestation. Captain Kirk was nergens te bekennen, net zo min als Mister Spock. Het verbaasde haar opnieuw welk een wandeling en klim er nodig bleek om in de kathedraal te komen. Eenmaal daar echter bleek de tijdreis er op te zitten. De brede marmeren, of waren het granieten, trappen brachten haar naar de restauratie. ‘Le Royal Cafe’ staat er boven de toegangsdeur. Iets deed haar bedenken dat er eigenlijke ‘Le Café Royal’ zou moeten zijn, ze twijfelde.

Drie seconden waren er nodig om de brede lach en de opgestoken hand van haar amice te zien. Dertig seconden om gezamenlijk te landen aan een tafeltje ergens in het midden van het etablissement. De plaatsing was zodanig dat het haar lukte om de wijzer van de immense klok in de even immense spiegel op het halve uur een sprongetje te zien maken en al vibrerend tot stilstand te zien komen. Het was half twee. Een dame wenst overzicht te hebben.

Beleefdheden en grapjes werden uitgewisseld. Tot wederzijds genoegen. Goede koffie en een side-dish vergezelden hen. Niet lang duurde het voordat de boeken op tafel kwamen. Hij had een bijzonder boek meegenomen, een boek over een oude vrouw die schrijft, van een mannelijke auteur, een leeftijdsgenoot. ‘Godenslaap’ geschreven in 2008 door Erwin Mortier had het voor hem gewonnen van onder meer de Brontë’s. Omwille van het tijdreizen. Zij had, uiteraard, haar laatst geschreven roman meegenomen. Van ‘The old man and the sea’ van Hemingway kon ze immers onmogelijk scheiden en hoe kon trouwens een verhaal van een andere schrijver meer geliefd zijn dan het boek dat je zelf schreef?

Een middag, een goede maaltijd, vele gespreksonderwerpen, een stadswandeling, een bezoek aan (natuurlijk) Den Engel op de markt en een blik in de Scheldetunnel verder, eindigde de ontmoeting waar die begon. Zelfs een val kon niet voorkomen dat ze aan hetzelfde tafeltje in het station zaten. Want cirkels zijn rond en het is belangrijk om wat mooi is begonnen, mooi af te ronden. Een vervolg zal er zeker en vast (of is het ‘vast en zeker’?) komen. In Brussel. In ‘s-Gravenhage. Aan het begin van de avond wandelde ze wederom het ruimteschip in om terecht te komen in een trein. Naar een station in het Haagse. Naar een piepende tram. Naar een kamer waar een kat ongeduldig wachtte. De zalm was op. Het was gegaan zoals ze verwacht had. Een heerlijke dag, een pracht ontmoeting, twee geesten die verwant bleken te zijn, plezier en aandacht voor de schoonheid van het verleden en bedachtzaamheid over het heden. Een ontmoeting ook die welzeker niet alleen een vervolg verdient maar het grote genot van het lezen van een prachtboek dat in de tas mee terug reisde opleverde.

Alice Anna Verheij ontmoette Hugo Schellekens in het kader van ‘date ex machina’ en het werd bovenal een ‘magical date’.

© Alice Anna Verheij

De laatste en de eerste tram.

Ik woon in een stad met trams. Dat heb je niet in alle steden. Sterker nog, het is een kleine minderheid van steden waar je trams tegenkomt. Wanneer je in zo’n stad niet al te ver van de trambaan af woont dan herken je het distinctieve geluid van zo’n stadse spoorwagen.

Bij mij direct om de hoek rijdt lijn twaalf. Tenminste, tussen twee minuten over zes in de richting Hollands Spoor bij de eerst passerende tram tot tien over half twee in de nacht de andere kant op naar de remise. Waar ik de hele dag de trams niet gewaar wordt vallen mij steeds vaker die eerste en die laatste tram op. Die klinken namenlijk anders dan de trams van de tussenliggende ritten.

Het lijkt een mysterie waarom dat zo is maar het is goed beschouwd heel wel te verklaren waarom de klank van die eerste en laatste tram zo afwijken van alle andere. De oorzaak ligt in mijn vaste overtuiging in een drietal belangrijke aspecten van stadse trams.
Het ene is het tijdstip. Want hoe druk ook de stad kan zijn, op de uren van die eerste en laatste tram is het doodstil buiten en dan is de klank van de voorbij rijdende tram minder verstoord door ander verkeer. Er is zelfs amper nog verkeer te bespeuren op die momenten.

Marconistraat-Copernicusstraat

De kop van de Marconistraat uitlopend op de Edisonstraat waar lijn 12 rijdt.
foto: © 2012 Alice Anna Verheij

Maar dat is niet alles. Het heeft in het geval van lijn twaalf bij mij om de hoek ook te maken met de ligging van mijn kamer aan de voorkant van het huis hoog boven de straat niet ver van de kop van de straat. De huizen bij die kop van de straat zijn net zo hoog als het huis waarin ik woon en mijn straat eindigt in een T-kruising met aan de andere kant van de straat een gevelrij van gelijke hoogte als die in mijn straat. Die T-kruising is als ware het een klankbord waarbij de kop van de Marconistraat het klankgat is en mijn straat zelf de klankkast. Wanneer in de vroege of late stilte een tram voorbij rijdt dan galmt het geluid van die tram in reflectie via de lange gevelrij van de Edisonstraat rechtstreeks mijn straat in. Tramgeluid draagt ver en kondigt zich ook op een specifieke manier aan. De aankomende tram klinkt als glijdend metaal over een metalen oppervlak. Waar bij treinen spoorbielzen zijn die ritmisch dreunen wanneer de trein er overheen rijdt, heeft een tram dat niet. Er zitten geen onregelmatigheden op de rails die de hele dag door geslepen en gepolijst worden door de stalen wielen van de trams. Dus klinkt een tram alsof er ijzeren blokken over een ijzeren plaat geschoven worden, van zacht in de verte tot luid bij de kop van mijn straat naar wederom wegstervend op weg naar de volgende halte. Maar er is nog meer wat die eerste en laatste tram zo anders maakt in geluid.

Dat is de rijsnelheid.

Ik denk dat zowel bij de eerste als de laatste rit de tramconducteur in een andere emotie zit bij het besturen van zijn tram dan op de andere ritten. Er zijn nauwelijk passagiers in die eerste tram. De remise van de Lijsterbesstraat is maar een paar haltes weg en de kans dat er op zo’n vroeg tijdstip al passagiers bij de tweede halte in de tram kunnen zitten is heel erg klein. De conducteur heeft zijn wagen nog helemaal voor zichzelf. Iets dat de rest van de dag niet meer voorkomt. De man of vrouw achter de knoppen heeft de machine helemaal voor zichzelf. Het lijkt mij dat zoiets een weldadig gevoel van macht en controle geeft op die eerste rit. Er is nog amper verkeer op het vroege uur dus die macht wordt niet verstoord door andere verkeersdeelnemers. Het is het uur dat de tramconducteurs op het eerste deel van de eerste rit van de dag de keizers en keizerinnen van de stad zijn.

Bij de laatste rit is dat anders maar net zo specifiek. De tram is aan zijn laatste haltes bezig en steevast zijn er controleurs opgepikt door lijn twaalf en de andere trams die in de remise eindigen. Aan het eind van de werkdag in de eerste uren van de nacht verzamelen de trams met hun conducteurs en controleurs zich in die remises waarna de mensen naar huis gaan. Zo’n laatste rit is dus een ritje met meer collega’s dan passagiers in de wagen. Gedurende de rit, zo ongeveer vanaf een halte of drie voor het Copernicusplein bij mij om de hoek, verplaatsen de controleurs zich al pratend ontspannen naar voren, naar de werkplek van de conducteur. Ik stel me zo voor dat ze eenmaal in de remise ook door de voorste deur van hun tram uitstappen. Zo’n collega- en vriendenrit is anders. De spanning van de dag is er af en de dienst zit er op. Dus wordt er lekker doorgereden en ook dan is er amper ander verkeer in de uitgestorven straten. De stad slaapt immers al grotendeels.

Op een enkele schrijver na misschien die een tram voorbij hoort komen en zich afvraagt waarom de bestuurder van een tram conducteur genoemd wordt en nooit net als de bestuurder van een trein machinist.

© 2012 Alice Anna Verheij

Over Albanië, een koning, zijn voorganger en wat Nederland daar mee van doen had.

Zaterdag is in Albanië koning Achmed Zog 1 herbegraven. Hij was opgegraven in Frankrijk waar hij na zijn overlijden onder het marmer was gelegd. Zog 1 was koning van Albanië tussen 1928 en 1939. Voor die tijd was hij een aantal jaren president van het land. De man was afkomstig van een feodale familie van landeigenaren in Albanië en had banden met het Ottomaanse rijk. In zijn regeerprediode werd hij eerst ondersteund door de Italianen en later de economische gevangene van de westerburen. In ’39 viel Mussolini Albanië binnen en moest de koning met zijn vrouw en twee dagen oude zoontje Leka vluchten. Via Engeland kwam hij uiteindelijk terecht in Egypte als beschermeling van koning Faroek aldaar. Toen deze werd afgezet moest de familie – met hun kapitaal – opnieuw vluchten. Deze keer naar Frankrijk. Jaren later overleed Zog.

Koning Zog 1 van Albanië

Een decennium voordat Zog 1 aan de macht kwam had Albanië ook even een koning. In 1913 en 1914 was er een Duitse prins genaamd Wied die door een alliantie van staten (Engeland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Rusland en Italië) op de troon van Albanië was gezet. Het land was net internationaal erkend op de ‘ambassadeurs conferentie‘ in Londen in 1912 die een einde maakte aan de eerste Balkanoorlog. Maar prins Wied wist geen bal van Albanië en had kapitaal nog leger. Dus moest hij voorzien worden van een ‘politiemacht’ om de orde in het land te herstellen. Albanië werd in die tijd overlopen door onder andere Grieken, Ottomanen, Serven, Kosovaren en Italianen. Eigenlijk was er geen centrale regering die het hele land kon regeren en zeker ook geen krijgsmacht. Albanië was een prooi voor graaiers geworden. Aangezien Nederland onafhankelijk was in 1914 (en de rest van Europa in de Grote Oorlog betrokken werd) viel al snel de keuze op Nederland om een politiemacht te leveren. Zweden, de andere kandidaat had al een dergelijke klus in het Ottomaanse rijk. Die politiemacht was een soort ‘vredesmacht’ hoewel dat in die tijd met aanmerkelijk geweld gepaard ging. Wat dat betreft lijkt er nauwelijks iets veranderd te zijn in honderd jaar. Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat de eerste internationale interventiemacht van Nederland voet zette op het grondgebied van een ander land op basis van een mandaat van een aantal grote mogendheden: er werden vier militairen gestuurd.

In het midden links generaal de Veer en rechts kolonel Thomson. (bron: Robert Elsie)

Na het nodige gedoe rond het kabinet dat net gevallen was, besloot de regering van Nederland om een contingent marechaussees onder leiding van generaal de Veer naar Albanië te sturen. Colijn was de minister van Oorlog in die tijd. Hij droeg een vriend van hem, kolonel Lodewijk Thomson voor, deze militair was een veteraan uit de Boerenoorlog en wist van wanten. Na de onverwachte val van het kabinet kwam de leiding echter in handen van voornoemde generaal Willem de Veer, de kandidaat van de nieuwe minister van Oorlog Borsboom. Thomson werd secondant. De mannen gingen gezamenlijk op missie met hun adjudanten de sergeants van Reijen en Stok.

De aankomst van prins Wied met zijn entourage in Dürres. (bron: Robert Elsie)

Eenmaal in Albanië zetten ze een politiemacht op en leverden ze strijd met met name de Grieken en Macedoniërs om het land in één hand te brengen. Daarbij kregen ze ondersteuning van de Britten die ook een klein contingent manschappen en officieren stuurden. Het lukte hen een macht van 1000 man op de been te brengen. Bij decreet van Koningin Wilhelmina werd de Veer het hoofd van de Albanese politiemacht en de troepen werden uitgebreid tot uiteindelijk 5000 man waarvan zo’n 800 getraind. Toen barstte er echter een Ottomaanse opstand uit in het zuiden van Albanië.

Prins Wied achter de baar met het stoffelijk overschot van de Nederlandse kolonel Thomson. (Bron: Robert Elsie hwww.albanianphotography.net)

Om kort te gaan, na maanden gevechten en de nodige slachtoffers waar onder Kolonel Thomson die uiteindelijk in Nederland begraven werd, moest de politiemacht zich terugtrekken. Naar geruchte is Thomson omgekomen door een kogel in de borst afkomstig van een Italiaanse sluipschutter. In 1914 verlieten de Nederlanders na minder dan een jaar aanwezigheid Albanië. De missie had jammerlijk gefaald en Albanië werd weer een decennium in onrust gestort. Totdat koning Zog de macht naar zich toe wist te trekken en het land wist te verenigen. Voor even.

Nu, zo’n honderd jaar later blijkt er nog steeds een hang te zijn naar een monarchie in Albanië, ondanks de krachten vanuit het buitenland die al die jaren gepoogd hebben het land te knechten. Na de Nederlanders en de Ottomanen, de Grieken en de Italianen lukten het zelfs de Russen niet om van Albanië een stabiel land te maken. De klein republiek is nog altijd straatarm, de Europese landen proberen nog altijd voor de Albanezen te bepalen wat goed voor ze is. En Nederland? Nederland weet allang niet meer dat het gerommeld heeft in de Balkan begin vorige eeuw want Nederland is heel goed in het vergeten van internationaal geklungel.

© 2012 Alice Anna Verheij

Heel veel meer gedetailleerde informatie over deze bizarre episode in de geschiedenis van Albanië en de Nederlandse bemoeienis met het land is te vinden op de website van Robert Elsie die zich specialiseerde in vroege fotografie in Albanië. Het verhaal van de Nederlandse betrokkenheid en de inzet van de Veer, Thomson en hun mannen leest als een filmscript. De geschiedenis is ook hier boeiender en dwazer dan de fantasie.

Het huis aan de overkant.

Aan de andere kant van mijn raam, voorbij de berkenboom, de stoep en de auto’s aan mijn kant, de straat en de auto’s aan de andere kant, de stoep en een ondiep tuintje staat een huis dat gelijkt op het huis waar ik woon. Hoog, oud, voorzien van kamers en ramen zo hoog als de kamers en ramen in dit huis. Het grootste deel van het jaar zijn die ramen onttrokken aan mijn blikveld door het prettig ruisende groen van de blaadjes van de berk.

Maar blaadjes vallen.

Wie er achter de ramen wonen weet ik niet, ik spreek die mensen nooit. Wel bestudeer ik ze geregeld en dat doe ik soms zelfs wanneer de duisternis buiten de wereld versluierd heeft. Want in de nacht leeft een huis ook. Of de mensen in dat huis. Want er wonen dus wel degelijk mensen, ook ’s nachts. Dat weet ik want ik zie soms lichtjes bewegen door het huis. En in de kamer naast de kamer met de balkondeuren staat een buro waar achter soms in de nacht een man zit te werken. Soms leest hij, soms schrijft hij. Soms staart hij naar zijn laptop.

Geen idee wat hij voor werk doet. Of dat hij wellicht in de donkerte van de nacht bij gedimd licht op zijn laptopje naar porno zit te kijken. Het zou kunnen natuurlijk maar enig ander uiterlijk waarneembaar gedrag om dat te staven is er niet. Ik ga er dan maar vanuit dat hij dan iets anders doet op die momenten.

Maar buiten de buroman is er in het huis weinig anders te ondekken. Op de dwaalichtjes na. Vorige week zag ik ze voor het eerst. Alsof er iemand met een kaars in de hand door het huis loopt van de ene kamer naar de andere kamer, daar een tijdje blijft en vervolgens van de andere weer naar de ene kamer terug. De andere kamer is in dit geval die kamer met de balkondeuren, de ene is een kamer ergens in het achterhuis. En zo gaat dat regelmatig in de nachten. Eerst dacht ik dat er dan vast een klein kind in het huis zou moeten zijn dat regelmatig even de moeder nodig heeft maar dat is het niet. Er gaat voor zover ik heb kunnen waarnemen immers nooit een jonge moeder met kroost het huis in.

Het voordeurgedrag doet me inzien dat er een familie woont. De samenstelling is me nog niet geheel duidelijk maar op grond van wat ik wel gezien heb betreft het een familie met oudere kinderen. Wat het dwaallichtje des te onbegrepener maakt. Maar goed, het huis is het interessants in de nacht zoals zoveel zaken in de nacht interessanter zijn dan overdag. In de derde nacht van het bestuderen van het dwaallichtje dacht ik kortstondig te kunnen ontwaren dat het een lampje betrof dat vastgehouden werd door een vrouw. Vermoedelijk op middelbare leeftijd. Maar de te beperkte observatietijd maakt dat ik er nog niet zeker over ben. Hoewel het lichtje nu zeker een half uur doodstil op één plek bleef. Wellicht neergezet op een tafeltje of kastje maar ook dat was niet vast te stellen. Het is er binnen vrij donker. Na een halfuurtje bewoog het lichtje in een soort plat liggende zes door de kamer alsof er een rondje gelopen werd om vervolgens te verdwijnen.

De verrekijker de volgende morgen bracht enige duidelijkheid want het blijkt dat de kamer aan de overkant op die eerste etage schuin onder mij een kamer en suite is. Het verklaard in zekere zin de zesvormige beweging van het lichtje in de nacht. Maar verder blijft het huis uitblinken in een beperkt zichtbaar inpandig verkeer van bewoners. Ik moet daarbij zeggen dat op dit moment het dunner wordende bladerdek van de berk bij mijn raam nog teveel een obstakel is voor enige gedetailleerde waarneming. De constante beweging van de takken met bladeren (het waait hier altijd een beetje) doet me tijdens het observeren geregeld wat duizelen.

De blaadjes vallen me op dit moment niet snel genoeg.

De slome onthulling van het huis uitgespreid over de weken in dit jaargetijde is tergend en iets doet mij vermoeden dat die traagheid van het bladverlies zo is uitgedacht in verband met de nacht van 31 oktober op 1 november, Allerzielen, wanneer die onthulling wellicht pas voltooid zal zijn. Het zou mij niets verbazen dat berkenbomen in straten met oude huizen daar speciaal op geprogrammeerd zijn. En dus ook dat op die komende 31e oktober er in de nacht een feest van dwaalichtjes in dat mysterieuze huis zal zijn, de bewoners hebben ogenschijnlijk meer Halloween dan met Allerzielen bedenk ik me. Wellicht vergis ik me. Misschien een soort nachtelijke orgie van nachtcreaturen, mensen met de mij zo bekende morbide voorkeur voor nachtbraken en die in een geheime samenkomst de geesten komen plagen of eren. En dat ze allemaal een kaars in hun hand hebben tijdens het lopen of zweven. Wellicht zweven ze namenlijk. Naarmate die nacht nadert wordt het ook eerder donker waardoor de ongeziene voorbereidingen meer tijd krijgen en dat komt de kwaliteit van het schouwspel waar ik nu welhaast zeker van ben dat het zich aan mij zal gaan ontvouwen alleen maar ten goede.

29 oktober is het volle maan. Ik merk in de dagen voorafgaande de volle maan, de tijd van de wassende maan, dat ik van onbehagen naar opwinding verschuif om na volle maan weer terug te zakken naar een op depressie gelijkende toestand van versuffing. Iedere nieuwe maan is daarbij een kenterpunt, zoals eergisteren. Dat lichtje bewoon nu, terwijl in de kamer er naast om drie uur in de nacht de man in het zwakke licht van een bescheiden burolampje zich over zijn werk boog. Hij schreef. In een schrift. Het beeld van een schrijvend mens is zeldzaam tegenwoordig en het hanteren van een pen heeft daardoor iets archaïsch over zich en iets rustgevends maar ook iets bedreigends. Het gaat trager dan het inkloppen van woorden op een toetsenbord. De man zat in opperste concentratie te schrijven. Naast hem een glas dat ik herkende als een whiskeyglas. De beperkte vulling van het glas en de kleur van de vloeistof maken dat ik geloof dat er inderdaad whiskey in zat. Een uur lang observeerde ik de man, zelf slapering wordend. Het dwaallichtje in de kamer naast hem stond soms lage tijd stil en dan weer bewoog het met een constante snelheid in een soort cirkel in de kamer. De beweging soms even onderbroken alsof er stilgestaan werd. Om dan weer te landen op dezelfde plek in de kamer als vanwaar het vertrokken was. Er staat dus inderdaad een tafeltje. Nadere beschouwing overdag bevestigde me in die conclusie want er staken wat bloemen boven het onderste paneel van de balkondeur uit wat inhield dat er een vaas stond. En daar staan doorgaans tafeltjes onder.

Na een uur was er in de pose van de man nog niets gewijzigd. Net voordat ik mijn nachtelijk voyeurisme wilde beeindigen echter knipte het burolampje uit. Vrijwel tegelijkertijd begon het dwaallichtje te bewegen en verdween buiten beeld. Een zwak schijnsel ter hoogte van waar ik de suitedeuren wist, echter bleef zichtbaar. Even later was er een schimmenspel in dat nauwelijks bestaande licht. Alsof twee mensen met elkaar stonden te praten. Of te zoenen. En toen viel ook dat schijnsel weg. Toen ik mijn zware gordijnen dichttrok om mijn kamer in het maximaal haalbare duister te hullen bedacht ik me dat het prettig is dat niet alle huizen gordijnen hebben of niet een ieder ze gebruikt.

Er is een gerede kans dat ik vannacht toch weer eventjes kijk hoe het in het donkere huis ter overzijde is. En of ze als een beetje opschieten. En dat gefladder daar, was dat een vleermuis? In deze tijd van het jaar?

© 2012 Alice Anna Verheij

Jünkerath

Morgen is mijn moeder twee jaar dood. Mijn vader is dat al 11 jaar. Ik ben wees. Ik heb mijn ouders gekend en mijn moeder mij. Of mijn vader mij gekend heeft betwijfel ik want ik heb maar één teken gekregen dat hij me kende. Het blijft ingewikkeld. Zo ingewikkeld dat ik dit verhaal nooit uitgeschreven heb terwijl het zo een belangrijke plek in mijn leven inneemt. Vandaag doe ik dat dan toch maar. Omdat het verhaal me er toe dwingt en ik alleen maar kan volgen wat het verhaal zegt.

Het was 2001. Eind april. Mijn vader, een doorgaans duidelijke en gedecideerde man, was enkele weken eerder in as opgegaan. Onverwacht zoals dat soms gaat bij ernstig hartfalen. Het ene moment belden we nog met elkaar en een dag later was het eigenlijk voorbij. Nou ja, vijf dagen later naar het schijnt. Maar die vijf dagen herinner ik me niet zo goed meer. In dat soort situaties wordt tijd ondergeschikt aan emotie.

Zoals gezegd, de as was uitgestrooid en zijn leven vervlogen en ik wist, dacht te weten, dat mijn kans om hem te laten weten wie ik werkelijk ben samen met die as boven de kille Rijswijkse polder waar het uitstrooiveldje in de buurt ligt vervlogen was. Een uitstrooiveldje. Het woord is nog steeds een even surrealistische als concrete omschrijving van een lapje gras met afrikaantjes er omheen geplant waar de restanten van een leven uitgestrooid worden. En, als er een beetje wind staat, met de wind meegevoerd worden. Enfin, zijn as was dus ergens tussen dat groen en het loodgrijs van de lucht verdwenen. Ontraceerbaar en daarmee was een leven afgesloten. Ik zou de goede man nooit meer zien want in de hemel zoals die me op de lagere school door de juffrouwen Prakken en Kloosterman waren afgeschilderd geloof ik al lang niet meer. Wèl, zo wist ik inmiddels, zou er een gerede kans zijn dat ik iemand anders met de ziel die niet in as gevangen was tegen zou komen. Als in een volgend leven, een reïncarnatie. Want zoals ik niet in die hemel op witte wolken geloof ben ik wel overtuigd dat het einde geen einde maar een begin is.

De volgende dag was een rouwdag. Die daarna ook. En die daarna. Onwerkelijk omdat het gemis van iemand die me zo na stond nog niet te verklaren was. En pijnlijk omdat het moment dat er had moeten zijn nooit gekomen was. Ik had de kans voorbij laten gaan. Gewoon omdat ik er niet aan toe was en dat overigens pas jaren later zou zijn. Dagen vervlogen en het gemis verdween niet. Na een week reedt ik terug van mijn werk in mijn te grote leaseauto en tikte het nummer op de telefoon aan. De vertrouwde stem van mijn vader klonk door de speakertjes van de autoradio. Hij stond nog op het antwoordapparaat en ik had een paar seconden de neiging om iets terug te zeggen. Het ‘hallo pa’ was nog net van mijn lippen gerold toen ik de werkelijkheid van de in elektronica gevangen stem besefte. Ik hing op. Geschrokken. Waar het antwoordapparaat later gebleven is en wat er met die ene opname van zijn stem die zo bewaard was gebleven gebeurt is weet ik niet. Het is in ieder geval verdwenen en meteen bedenk ik me de dwaasheid van de handeling van het wissen van het bandje met die stem. Of het weggooien er van. Mijn ouders zelf waren niet zo van het gedenken. Graven mochten er niet komen want ze vonden het maar verspilling om hun kinderen naar een steen te laten kijken waar ze net een bosje bloemen bij zouden hebben gelegd. Nee, het moest spoorloos zijn. En zo is er niets meer terug te vinden van zowel mijn vader als moeder. Het kind in mij begrijpt dat nog steeds niet maar tegelijk is er wel een soort duidelijkheid in hun keuze die achteraf gezien niet vervelend is. Ik heb het geluid van het antwoordapparaat weggedrukt en ben ontdaan langs de kant van de weg gaan staan. Misschien wel een half uur of zo. Weer een week later was ik gewoon naar bed gegaan en snel in slaap gevallen.

Mooi he? Hij keek me aan met de bekende glimlach die hem sierde als hij het naar de zin had. We stonden op de heuvel in het bos waardoor de kleine rivier de Kyll in een dal stroomde om uit te komen in een klein stadje. Jünkerath. Vanaf de heuvel was het station te zien en onze blik gleed over de spoorlijn die ergens links onder ons het bos uit brak om ergens aan de andere kant van het stadje recht voor ons weer in een bos te verdwijnen. Er scheen een week zonnetje want het had net geregend en het bos rook zoals de bossen in de Eifel ruiken. Ik zat op mijn fiets die ik al sinds mijn dertiende verjaardag had. Een rode Gazelle met te weinig versnellingen naar mijn zin. Hij zat op zijn oude Jüncker Paramount. Mijn zoon rijdt nog altijd op die fiets. Hij zag er geweldig uit, gezonder dan ik hem in jaren had gezien. Niet getekend door roken en alcohol maar gebruind door de zomerzon. Hij wees met zijn rechterhand losjes naar het stadje en mijn ogen volgden de richting die zijn hand aangaf. Ik wist dat we daarvoor naar herten hadden gekeken op de open plekken in het diepe bos. Het was nog vroeg in de ochtend en door de regen hing er een waas in het dal waar het licht doorheen scheen. Je kent dat wel, gefiltert licht waardoor alles zachter en mooier wordt.

Ik keek opzij. Hij stond niet meer naast me. Hij was nergens meer te zien. Verdwenen. En ik werd wakker. Ik heb hem nooit meer gezien daarna. Ook niet toen ik er wel aan toe was kennis te maken met hem. Maar in mijn gedachten is hij er nog en probeer ik het hem te vertellen. Wie ik ben. En waarom. Naar Jünkerath ben ik niet meer terug gegaan. Het stadje en het bos zullen veranderd zijn. De open plek zal niet meer bestaan. En dat verlies wil ik niet ook dragen.

Alice Anna © 2012

Een roerloze vrouw in een kooi met cupcakes & muffins en een rouwmantel houdt van je zusje en komt uit stille wateren.

foto: van facebook Tineke

Het samenstel van boeken dat een vriendin met haar verjaardag kreeg en fotografeerde bracht me tot de volgende openingszin van een kort verhaal. Dit het verhaal, een schrijfoefening in improvisatie.

‘Een roerloze vrouw in een kooi met cupcakes & muffins en een rouwmantel houdt van je zusje en komt uit stille wateren.’ Ik schoot in de lach.
‘Je zit me te dollen, mafkees!’
‘Nou ja roerloos was ze niet echt maar die cupcakes en rouwmantel waren er wel en ik verdenk haar er van dat ze wel degelijk een oogje op je zusje heeft en verder zei ze niets. De hele avond niet. En stille wateren, weet je. Ik denk niet dat Elisa het doorhad gisteren.’
‘Lijkt me ook moeilijk om wat te zeggen in zo’n situatie.’
‘Dat ook natuurlijk.’ Raymond legde zijn telefoon weg die ons gesprek hinderlijk had onderbroken. Hij was bleek.

Het was de eerste keer geweest voor Raymond. De eerste keer naar een club. De optredens waren leuk geweest. Lekker op het kantje maar altijd nog net netjes genoeg om theater genoemd te kunnen worden in plaats van showtjes in een louche nachtclub. Het was ook geen nachtclub in dat straatje op vijf minuten slenteren van de Moulin Rouge maar meer een theatercafé. Ik verwachtte ook dat er ergens halverwege de avond een man met flamboyante hoed á la Aristide Bruant zou komen opdagen. En dat Toulouse-Lautrec dus ergens achterin aan een tafeltje zou zitten schetsen. Niets van dat al. Wel cancan danseressen moderne stijl voor een half uurtje laat op de avond. Raymond en mijn zusje die sinds kort zijn vriendinnetje was keken hun ogen uit. Raymond was een uiterst fatsoenlijk opgevoede jongeling van krap eenentwintig en dus keek hij ietwat besmuikt naar de danseressen die zo hier en daar en zo af en toe een jarretelle lieten zien onder hun omhoog waaierende rokken.

Halverwege de avond kwam ze binnen. Gedragen in een draagstoel met daarop een kooi waarin ze zat. Gekleed in niets anders dan een overdadige zwarte bontmantel omringst door etageres gevuld met cakes en muffins. Ze zat er roerloos en zweeg. Op de achtergrond speelde het bandje een bevreemdende mix van latin, jazz en lounge die een erotiserende werking had op het publiek. Na een tijdje pakte de vrouw een paar muffins en stak haar hand door de tralies van de kooi om ze op het podium te zetten waarbij ze de vrouwen in het publiek strak in de ogen keer en af en toe een zuiver geëpileerde wenkbrauw ligt optilde om even later met een glimlach en de ogen weggedraaid zich weer terug te trekken in de kooi. Ze was niet helemaal naakt onder de bontjas.

Het was duidelijk de bedoeling dat de vrouwen uit haar publiek de muffins en cupcakes kwamen ophalen om die naar hun partners, man of vrouw of anderszins, te brengen. Zodra er iemand op stond om naar het podium te gaan voor haar beloning gaf de barman een seintje aan een serveerster die vrijwel onmiddellijk de champagne met glazen naar het tafeltje van de vrouw bracht die naar het podium was gegaan. Geen man durfde op te staan. Steevast kwam de serveerster met de drank tegelijk bij het tafeltje aan met de tafeldame als in een goed geregisseerde choreografie. Er werd geen woord gezegd, blikken werden er wel uitgewisseld.

Ik stond op, om het spel mee te spelen. Zodra ik onderweg was naar het podium en de kooi maakte zich een serveerster los van de bar met een blad waarop een fles en vier glazen stond. Ik draaide me even om alsof ik naar het tafeltje terug ging. De serveerster hield in, lachte en draaide zich ook om. Blijkbaar hadden we een overeenkomst. Alles of niets. Zodra ik naar het podium bewoog, bewoog zij naar het tafeltje. Zodra ik stopte, stopte zijn. En zodra ik een stap terug nam, nam zij een stap terug. De band zetten een tango van Piazzolla in. Onze bewegingen volgden het ritme in de wetenschap dat we elkaar halverwege zouden tegenkomen. Het ritme werd dwingender en de viool intenser. De dame op het podium in de kooi lokte me terwijl de serveerster steeds dichter bij mij kwam en ik bij haar. Tot we heel dicht bij elkaar stonden en ze met haar vrije hand me bij mijn hand pakte. Wat volgde was een tango waarbij zij als door een wonder geen last had van het dienblaadje terwijl ik me door haar ogen liet vangen. De belofte was daarin te vinden.

De beweging duurde niet meer dan een seconde of tien voordat ik me naar het podium wendde en de cupcakes pakte die het dichts bij me stonden. ‘Ze wacht op je…’ ze fluisterde het me in onvervalst Vlaams toe. Tenminste dat dacht ik te verstaan. De donkere ogen van de vrouw met bontjas keken me even strak aan voordat ze in een uitbundige lach uitbarstte. Ik kreeg het gevoel dat ik niet meer de baas was over mezelf en niets anders kon dan mee doen in het spel. Maar tegelijk dwong ik mezelf om controle te houden. Ik draaide me snel om en in no time was ik bij de tafel waar Raymond en Elisa zaten te wachten op me. Ik zette me direct neer en was me nog net gewaar van de met zijde gehandschoende hand van de serveerster die subtiel over mijn bovenarm gleed terwijl ze terug naar de bar liep. Ik rilde. Raymond en Elisa keken me niet begrijpend aan en ik sloeg mijn ogen neer.

‘Moet ik nu ook?’ vroeg Elisa. Raymond lachte en antwoordde direct bevestigend. Elisa, vier jaar jonger dan ik en twintig jaar onschuldiger, zag er de pret wel van in en stond op om ook naar de kooi te lopen. Er kwam geen serveerster naar ons toe maar wel veranderde de muziek plotseling in een up tempo melodie die welhaast tot dansen dwong. Terwijl Elisa bij de kooi was pakte Raymond mijn hand en troonde me mee de dansvloer op die zich rap vulde met de andere bezoekers. Het licht dat al niet al te sterk was dimde en bij het toneel verdween het zelfs geheel. Een volgspot scheen op de vloer en ving beurtelings dansende paren in de bundel met als gevolg dat het podium en de kooi niet meer zichtbaar waren. Na een minuut of tien werd de muziek wat rustiger en gingen we weer aan onze tafel zitten. Het podium bleek leeg te zijn, de kooi was verdwenen en Elisa ook. Ik keek Raymond aan.

‘Waar is Elisa?’
‘Geen idee. Ik denk even de neus poederen.’
Ik twijfelde maar bleef rustig. Het duurde minstens tien minuten voordat ze terug kwam, inderdaad vanuit de richting van de toiletten achter de bar. Ik keek haar aan maar ze keek snel weg naar Raymond en ging zitten.
‘Geen cupcakes?’ vroeg Raymond.
‘Nee joh, de act was klaar geloof ik. Gaan we zo dansen?’ Elisa schakelde sneller dan ik van haar verwacht had.
‘Ik ben zo terug.’ Terwijl ik opstond veranderde de muziek weer naar wat dansbaarders. Een rustige tango, iets wat deze muzikanten behoorlijk goed speelden waardoor de dansvloer al snel het domein werd van een paar ervaren dansparen. Ik was de enige bij het toilet, dacht ik. Maar toen ik het verliet stond de vrouw uit de kooi er te wachten en nèt toen ik met een knikje door wilde lopen zei ze ‘de cakes waren op, uw vriendin gelukkig niet.’ Voordat ik iets kon zeggen verdween ze achter het gordijn, mij verbaasd achter latend.

‘Wie was dat?’
‘Elisa.’ Raymond keek me verbaasd aan.
‘Wat is er?’
‘Ze is zegt dat ze in Parijs blijft.’
‘Wat?’
‘Ik begrijp er niks van. Ze zegt dat ze in Parijs blijft en ik niet op haar moet blijven wachten. Ze is cupcakes en muffins aan het maken, zegt ze.’

Alice Anna © 2012

The Story of Mary Lloyd.

She was a beautiful and praised model at the end of the 19th century. Then she was forgotten.
Until 1933 when a newspaper article told her sad story to it’s readers. The she was forgotten again.
Until 1996 when Dr. Martin Postle, a British art historian discovered photographs of Lord Frederic Leighton’s atelier just after he died showing multiple paintings for which Mary posed. Just like she posed for Frederic Brock when he made the Victoria Memorial years later. Then she was forgotten again.
Until I saw the painting by Frederic Leighton titled ‘Flaming June’ and learned about the dispute regarding the model who sat for Leighton when he painted this painting. That triggered and puzzled me. And when I found out about Mary’s story there was no way back for me.

Mary Lloyd, the forgotten model is the main character in my upcoming Dutch language novel (hopefully to be translated into English later) De Engel van Kensington (The Angel from Kensington). Although large parts of Mary’s life are unknown and impossible to retrieve from the past the story of Mary Lloyd, the upper middle class girl who became a painters model and lived a rather quiet life, is a beautiful story full of 19th century fin de siècle atmosphere, 20th century interbellum excitement and love.

Mary Lloyd who at seventy was still a beautiful woman leading a poor life as a seamstress and housekeeper but looking back at a wonderful modelling career, deep friendships, beautiful art a two loves of her life. So, what really happened in Mary’s life?

The Angel from Kensington is planned for publication before Christmas 2012. The story of Mary Lloyd starts again today.

Alice Anna © 2012

Een nieuwe roman: De engel van Kensington.

Meer informatie over De engel van Kensington is te vinden op de speciale pagina op deze site.

Enige tijd geleden ben ik begonnen aan het onderzoek voor mijn volgende roman. Inmiddels is er mij zoveel bekend over de hoofdpersoon en met name over welke perioden in haar leven niet meer geschiedkundig kunnen worden gerecontrueerd dat ik op basis van die informatie vandaag toch maar begonnen ben met schrijven. ‘De engel van Kensington’ zal deze zomer worden geschreven en mogelijk dit jaar gereed zijn.

Synopsis (versie Mei 2012)

Mary Lloyd (door sommige van haar opdrachtgevers en vrienden Molly genoemd) was een jonge vrouw van gegoede afkomst. Haar vader was ‘squire’ op Benthall Hall, het landgoed van de aristocratische familie Benthall in Shropshire in het negentiende eeuwse Engeland. Mary’s vader John Lloyd ging echter nadat de Benthall’s hun landgoed van de hand moesten doen in verband met de hoge kosten failliet. Hij was zijn werk kwijtgeraakt en in het toen verarmde Shropshire was er geen mogelijkheid vervangend werk te vinden.

Omslag ontwerp ‘De engel van Kensington’. © 2012 Alice Verheij

Enkele jaren later vertrok Mary uit het ouderlijk huis, een kleine cottage op het landgoed dat het gezin uit dankbaarheid jegens haar vader beschikbaar was gesteld door Lord Benthall. Tegen de wil van haar familie koos de jonge Mary voor een onafhankelijk en avontuurlijk leven in Londen. Ze vond een baantje in een fourniturenwinkel en na enkele jaren werd ze ontdekt door een liaison van de schilders van de Pre Rafaëlistische Broederschap, een groep avant garde schilders die streefden naar vernieuwing in de schilderkunst door terug te grijpen naar mythologische thema’s.

Mary stond door haar verpletterende schoonheid al snel model bij alle bekende schilders en beeldhouwers uit die tijd en werd de protégé van een van die schilders en zijn favoriete model met wie hij een verhouding had. Binnen niet al te lange tijd werd Mary onderdeel van een menage a trois met de schilder en zijn model waarbij zij een gevecht moest voeren tegen de burgerlijke moraal waarmee ze was opgevoed en haar eigen gevoelens. De verhouding tussen de drie leverde niet alleen prachtige schilderkunst op maar tegelijkertijd ook spanning binnen de gemeenschap van de schilders en hun modellen in het Londense Kensington.

Maar de schilders zijn al op leeftijd en een voor een vallen ze weg totdat ook Mary’s beschermheer sterft waarna ze zonder voldoende inkomen samen met haar grootste rivale én geliefde achterblijft. De relatie tussen de twee vrouwen verdiept zich snel maar dan slaat het noodlot toe.

Decennia later leeft Mary nog altijd in Kensington als laatste van de modellen uit een vervlogen tijd en kijkt op haar leven en liefdes terug. Bij haar weinige overgebleven vrienden staat ze nog altijd bekend als de engel van Kensington.

Alice © 2012

Maak van je moordkuil geen hart!

Voor een optreden ergens later deze maand ben ik met de nodige tekstperimenten bezig. Oefeningetjes om een bepaald thema bij de kop c.q. het kruis te pakken, tegen het noorderlicht danwel de (zons)ondergang te houden en af te maken met een lekker sausje. Of zo. Kortom woorddansen in de woordenstorm.

Eén zo’n thema is de stierlijkheid die mij vervelenderwijs overvalt als het gaat om de zelfzuchtige uitbundigheid van het supermarkt publiek wanneer zij al veelvratend de karren weer eens vol laden in de dichtsbijzijnde voedsel megastore. Ook wel: hoe overleven we de groente achter glas en de barcode? Daar gaat ie dan…

“Hé buuv! Gaattie lekker vandaag?”
“Och, zijn gangetje.”
“Koud hè?”
“Ja zo koud as de poten van Henk in bed.”
“Ben je nog met hem dan? Je had hem er toch uit gelazerd?”
“Jawel maar ja hij kwam weer terug hè en dan ken ik hem niet laten staan. Stom natuurlijk maar ja, ik mot toch ook wat?”
“Is ie nog steeds eh..?”
“Praat me d’r niet van. Gisteren weer de hele avond met de jongens op pad. Stelletje zuipschuiten.”
“O, ik dacht dat ie het rustig an most doen van de pil?”
“Henk en rustig an doen? Die zak hooi kwam dus vorige week thuis met weer zo’n wrak op wielen. Had ie geregeld met een vriendje van hem. Van die motorclub.”
“Zit ie daar nou nog steeds bij dan?”
“Ja meid, hij ken er geen genoeg van krijgen hè. Ach kerels en motoren, je weet hoe ze zijn, het blijven kleine knulletjes.
“Maar Ing, die motorclub waar ie bij zit dat waren toch die gasten van de Hell’s Angels of zo?”
“Nee joh, laat ie ’t maar niet horen zeg. Henk is van de Satturara. Heel wat anders volgens Henkie. Maar ik zie ’t verschil nie hoor, ze zuipen allemaal even hard en meiden mogen alleen komen als ze strak in het leer staan en ingevet motten worden.”
“O. Dacht dat ’t utzelfde was.”
“Nou niet echt hoor. Die lui kenne mekaars bloed wel drinken. Maar ja ik blijf er buiten hoor, ze komme d’r niet in bij mij. En mij zullen ze daar ook nie zien. Maar nou kwam ie gisteren dus weer tegen vieren nachts an kakken en hij ging tekeer joh. Waren ze hun hok uit gelazerd. Inval of zo.”
“Eet je vanaaf?”
“Bloemkooltje met een slavinkie. En jij?”
“Boerenkool natuurlijk maar ze verkopen hier alleen die zooi in plastic uit de glazen stad. Is nie lekker.”
“Glazen stad?”
“Ja joh, ze zetten hier ’t spul nou otch ook al achter glas? Stelletje zolen.”
“Ik vindt het wel mooi hoor anders.”
“’t Lijkt goddomme wel een toonzaal of zo joh. Mij eigen Pool is dicht vandaag dus moest ik hier naartoe. Ik hou nie van dat voer achter glas. ”
“Wat maakt jou dat nou uit dan?”
“T’is toch gek Ing? Zeg nou zelluf. Achter glas, alsof een plastikke kratje niet goed is of.”
“Ach ja joh, ’t is wel gek maar mij kan het niet echt boeie hoor.”
“Nou mij wel en ik zeg maar zo, ik zeg, ik maak van mijn moordkuil geen hart hoor. As ik ’t achterlijk vindt dan zeg ik ut.”
“T’is andersom Ing.”
“Wat is andersom kutje?”
“T’is van je hart geen moordkuil lieverd.”
“Nou bij mij niet. Zeker niet voor Henk as ie niet op tijd thuis is met die kauwe poten van em. Gadverdamme, die zak van jou lekt. Kijk nou, d’r komp water uit die rookworst. Nou ja, ik ga maar gauw naar huis. Kom ie nog effe een bakkie doen zo?”
“Nee, Leo komt zo thuis van ’t ziekenhuis.”
“O?”
“Had ruzie gehad met een paar lui van een motorclub. Blauw oog en pijn in zijn kaken. Is beetje zielug.”
“Die kerels ook altijd.”
“Tsja, kleine kinderen zijn ut. Kleine kinderen. Verdomme dat was de laatste rookworst.”

Alice © 2012

 

Allright, it’s all wrong here.

She left her family. She had to. There actually was no way left to live like she’d been living up till that moment. So she left. A car and a u-haul packed with her stuff. A friend helped her out moving her shit into a storage facility in her birth town. Then she went to someone else’s house for a couple of weeks. When those weeks had passed too she finally could move into her apartment. The same friend helped her moving her belongings again from the storage to the apartment. They painted some walls and cleaned the house.

Years later her house was packed with all kinds of things that somehow intruded her existence. It cluttered like veins do just before a heart attack. And she got fed up. Within five years she didn’t succeed to feel at home at the wretched place. And then her mom died, her dad had died years before and when she realized she was an orphan she decided again to shift the balance in her life. So she fixed her kids up in the house to maintain it while she ran away. Working on the other side of the world, literally. The inheritance of her mom and her last savings were used to start on something she had never done before and without any certainty for success. But she went anyway and for the first time after over ten years of headwind she had the time of her life. She gained friendships. Learned about herself. How she was able to endure, to get things done. With a little help from some and a lot from others. And then she came back home. And all right, it was all wrong. She couldn’t adjust. Thing is, she’d seen how life could also be. Like s-i-m-p-l-e. As in not difficult. Only needing a simple house with a water well outside and almost no facilities. She had discovered what had always been there.

The house was as cluttered with things as it was before she had left. So she started cleaning the house. Getting rid of the superfluous belongings, trying to simplify life. To bring her place in a new balance. A new balance. That’s what is was all about, getting a new balance. Although she was chased for the effects of her downfall years ago she just keep on trying and trying. And slowly things progressed. Not so much with the house as it took so long to get is like she wanted to. It’s not easy to get rid of your belongings nowadays as people have all they need. But the other things started working out. She wrote another book and started working on her masterpiece to be. Filming, scripting, re-filming, editing, re-scripting, re-editing, designing, anything. And although at first she thought she wouldn’t be able to put it off, to really make something good, she started to understand that there were other qualities needed than the few that she had always been using in het no-so-perfect life. And she found out that they were there. With all the lack of confidence of a newbie on the scene she opened up her mind and allowed herself to re-think the concepts of her work and she rephrased.

And before the book was published and the first rough cut of the film was finished she made a photo exhibition with her friend who helped her getting to know who she was and that it wasn’t needed to try to be perfect. Although so many things challenged her and although many things went wrong and had tho be redone, she got the hang of it.

Within a few days from today her photos are exposed to the eye of the occasional visitor together with photo’s made by her friend. Maybe, you shouldn’t miss it and go check it all out. You may find her there and maybe you’ll get to know her again. The Headwind exhibition will open on September 1st in Creatief Warenhuis HOOP at the Grote Markt 10 in The Hague. Don’t miss it. May be you’ll find out she’ll be ok anyhow, even though it’s still all wrong. But that’s all right.

Alice © 2011

Monning ma’am, blackfust is leaddy.

Almost every morning around seven he comes to my room. Sometimes he doesn’t have to because I am already up and writing at the terrace behind the kitchen. But most of the days he climbs the few stairs, knocks on the door announced breakfast with the very same sentence: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. I am his only guest for most of the days, you see. The few times I was up earlier usually had to do with other guests being present. Nepali’s tend to wake up around five and start a noise morning ritual, especially when they are in a group.

Breakfast terrace view

Like little chubby penguins they invade the ladies bathroom and start washing themselves taking no notice of the fact that this other strange guest in the room next door is still trying to get some sleep. With total disregard for the ungodly hour, they chatter like the Nordic birds making more and more noise by the minute. After half an hour the penguins have made a complete mess of the bathroom with water everywhere on the floor, bits of soap laying around and penguin hair in the outlet of the shower making me skipping my morning shower and having a quick wash instead. There’s no one there to smell me anyway. These are the days that this rather nice place turns into what it sometimes also is: some sort of group accommodation for any group that is prepared to pay the (low) price to stay, sleep, dismantle the bathroom and eat here.

But in this time of the year, such groups are seldom here leaving me as the only guest. Thank Buddha or any other holy creature for that. And some mornings I just can’t get myself to go out and write before seven. Thing is I am always awake before six thirty and when I don’t feel getting up I just lay there dozing away. And then, just before seven as regular as clockwork I hear his footsteps on the stairs. With a pause when he crosses the little platform in between the first and second part of the stairs. Then there’s the knock. Well, actually three knocks. Not very quick but in rhythm that proves that the man is not in a hurry. Like one knock per second. Knock… knock… knock. Sometimes my door is already open and I am just resting on the bed, sometimes I am in the adjacent bathroom that I have for myself and sometimes the door is still closed and I am still in a near sleep.

Then that same sentence comes out in a way that I can’t really copy as it sounds very much like a Chinese in a kids cartoon: ‘Monning ma’am, blackfust is leaddy’. There are days when I hear the other two sentences two announcing ‘lunch’ and ‘dinnu’. Except for the breakfast and on days the cook gets enthusiastic, the announced meals are generally the same with rice and daal, some veggies and water, tea or instant coffee. Meager but solid meals that the people seem to like so much that they eat it every day. Not that they couldn’t cook anything different but they simply don’t. Blackfust on the other hand is a daily surprise. An occasional pancake or toast with jam and a boiled egg or fried eggs and a bowl of some sort of soup made of a combination of tomatoes, chilly and beans with some chunks of potatoes in it. Not exactly my cup of early morning soup but I’ll endure it anyhow. On other days there might very well be some bread. That is, hollow pieces of backed dough that have a vague resemblance with what I would think that a croissant might be. The tea however is of unprecedented taste. Especially when the man makes milk-tea and not black tea. For whatever reason the milk teas come with ginger or cardamom making them very tasty and the black tea usually is cooked too short to capture the taste of the tealeaves, so the superfluous amount of sugar prevails making that more like cups of sugar-water. No surprise that I prefer the milk tea.

I’ve began to like the blackfusts, sitting in the shadow with some light food overlooking the valley and in this monsoon season seeing only the tops of the mountains to the north making them look like floating white islands in a sea of light hazy blue skies. As if they were mirages and not mountains or distant thugs of war on a great sea. The blackfust marks the most productive part of my days. Here I am a morning-writer and not a night-writer, what I used to be. The morning mind still being fresh makes me write different and without any hinder from distracting thoughts. It allows me to be emotional while writing the emotional passages and strong when writing the strong passages. Writing here seems not difficult at all as the place and my mindset give me over a chapter a day making me wonder what would happen if I would be here not for a month but for a year. Somehow inspiration seems to be all around in an unprecedented sort of simplicity.

I am learning the sounds of the animals, the cry of the mountain eagle, the beo in the trees behind the dormitory, the crickets of which some are as big as seven centimeters and sitting as still as a statue. The dogs that come bye every now are quiet and I got to like the black one that although she looks awful has befriended me on the first day and follows me around wherever I go when she sees me. Oh, and the hundreds of little birds with nice colors and sounds in an endless variety from squeaks and whistles to short songs and bird rhymes. I like them most as I like the mosquitos the least. The little devils that seem to be able to enter my bedroom in numbers that are always bigger than my ability to squash them with the carton of the big map that I have with me, leaving me every morning with yet another four or five traces of mosquito bites on my arms and legs or more awkward places. The worst is that they prevent me from sleeping naked as I don’t want to be a to obvious target for them. It’s strange loosing habits here.

All in all, I love this place with it’s people, except for the penguins that is, the sounds of the animals, the simplicity of life here, the mountain views and the starry nights showing more stars than I have ever seen in my life and with Kathmandu laying in the valley in between the hills in the south. The big, noisy and stinking city with it’s mysteries, beauty and the filth and lack of compassion for the poor. But from a distance compiled of little white dots that shine in the sun during daytime while in the night being a compilation of blinking silver and golden lights like an army of fireflies waiting before the great battle with the dawn. That is, until blackfust is leaddy again.

Alice © 2011

Een boerderij in de Terai.

In het zuidoosten van Nepal, in de in deze tijd van het jaar zinderende laagvlakte van de Terai, staat een boerenhuis. Het is een huis op palen waar boven geslapen en beneden op de deel geleefd wordt. Er omheen palmen met kokosnoten en andere vruchten, bananen en mangobomen, een maïsveld en graanvelden. Naast het huis staat een simpele half open schuur met een os en een melkkoe, een geit en op het erf een paar kippen, een haan, een paar handenvol kuikens en een groepje eenden. Langs de weg de waterput waar je vers grondwater naar boven kunt halen dat niet vervuild is. Gewoon even filteren en dan kan je het opdrinken. Onder het dak van de deel hangen touwen gespannen waarover heen tientallen maïskolven hangen te drogen. Stoelen zijn er niet, wel lage krukjes en matjes zodat je eigenlijk zo goed of helemaal als op de grond zit. Een tafel is dan niet nodig wat het leven eerder gemakkelijker maakt dan ingewikkelder. Tafeldekken is op deze plek iets wat de mensen niet begrijpen.

De zon komt ‘s morgen om een uurtje of vijf op en gaat ‘s avonds rond zeven uur onder, het land binnen een uur tijd in absolute duisternis hullend. Het heeft tot gevolg dat de mensen het ritme van de afwisseling van licht en donker automatisch volgen. Na zonsondergang lang opblijven is zinloos want elektriciteit, wie heeft zoiets nu eigenlijk nodig, is er vaak niet en blijven liggen lang na zonsopgang is zinloos als je alleen ligt. Het leven op de boerderij verloopt in een ritme dat zich volledig verhoudt met het ritme van de omgeving. Zelfs de onstuitbare onweersbuien die van de vanuit de bergen met grote regelmaat het einde van weer een hete dag inluiden en gedurende de nacht het land geselen met harde regen, verstoren dat levensritme niet. Wassen doe je in een washok vanuit een teil water dat je net daarvoor uit de put naar boven gehaald hebt. Het toilet is een aanpalend hok met een gat in de grond dat in een gierput uitkomt die soms geleegd wordt.

Eten is iets dat je hier doet omdat eten bij het leven hoort. Het is niet een sociale gebeurtenis maar een noodzakelijkheid. Het maal is schaars een eenzijdig maar het went vanzelf na een tijd. De dagen worden doorgebracht met werken op het land, naar het dichtst bij zijnde stadje lopen dat op een uur loopafstand ligt en het met elkaar de tijd verpozen. Die wandeling naar de stad wordt soms vervangen door een fietstochtje van twintig minuten maar dat je dan wel de mogelijkheid ontneemt tussen de rijstvelden met reigers door te wandelen. Haast is hier zo volslagen overbodig dat die wandeling het gemakkelijk van de snellere fietstocht wint zolang je niet al teveel boodschappen hoeft te sjouwen. Het stadje is overigens van een rommeligheid die je al snel weer naar de rust van de boerderij doet verlangen. Wanneer je vanuit de kleine slaapkamer op de woonetage naar buiten kijkt gaat je blik tussen de hoge kale stammen van de palmen door om zich te vestigen op een tweetal vergelijkbare boerderijen even verderop. Loop je de weg voor het huis af de flauwe bocht door dan kom je bij de grote stenen bank die een ontmoetingsplaats is en waarboven een notenboom staat die harde noten produceert die eenmaal gebroken een romige vulling met een vage smaak van perziken hebben. De noten worden als medicijn gebruikt en staan bol van de vitaminen. Ze zijn ook nog eens bijzonder lekker. Net als de kleine bananen met zoveel meer smaak dan de melige exemplaren die in westerse supermarkten worden verkocht.

Het zal niet verbazen dat het leven op de boerderij met al zijn eenvoud heerlijk is. Je zult maar schrijver zijn en de gelegenheid zijn om een tijd op deze plek je te kunnen terugtrekken. Een meer inspirerende en tegelijk rustige plaats om te schrijven is nauwelijks voor te stellen. Eigenlijk is de boerderij als een eiland van rust en op eilanden wil iedereen wel een tijdje verblijven. Mijn boerderij staat in Damak dorp, een verzameling boerderijen, een buurtschap eigenlijk, dat even buiten Damak stad ligt. Ze wordt bewoond door een familie die bestaat uit de vader en moeder, drie dochters en twee zoons. Een familie die als vanzelf alles delen met wie er bij hun leeft, zonder vragen, zonder iets retour te verwachten. Met een gastvrijheid die alleen arme mensen kennen. Maar of ze echt arm zijn is voor mij de vraag want de rijkdom van hun bestaan is niet te vinden in geld of spullen maar in het leven zelf.

En de boerderij? De boerderij is een plaats waar ik met heel veel warmte aan terug denk. Het is een plaats waar ik weet dat ik altijd welkom ben. Zonder vragen maar met een allervriendelijkste lach van de familie voor een goede vriendin. Het is een plaats waar ik stilletjes verliefd op ben geworden.

Alice © 2011

Gevlucht, gered?

Het zal 2013 geweest zijn. Mijn vader was in dienst van de overheid. Hij zat in het leger zoals veel van de mannen uit onze stad in het leger werkten. Harderwijk was immers een stad geworden en aan de rand lagen legerplaatsen. Landmacht. Vierentwintig was ik, mijn studie was nog niet afgerond. Politicologie aan de UvA in Amsterdam deed ik en ik had het er naar mijn zin, hoewel de laatste jaren de stad zoveel truttiger was geworden.

Het was begonnen met een verbod op het dragen van hoofddoekjes omdat sommigen dat een religieus kledingstuk noemden. En dat mocht niet meer. Gevolg van de politiek van de vazallen van de koning. De nieuwe koning want de oude koningin was teruggetreden. Het verschil tussen de oude koningin en de nieuwe koning was al snel duidelijk. Nederland werd vooral Holland en alles wat niet Holland was telde automatisch minder mee. Friesland, Groningen, Drente, Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg, het waren allemaal achtergestelde gebieden terwijl toch juist daar het meeste voedsel geproduceerd werd. De provincies waren rijker geworden en hadden vastgehouden aan hun cultuur en taal. Het was zelfs weer in de mode geraakt om traditionele kleding te dragen die honderd jaar eerder gewoon was daar. De Hollanders vonden het maar niets.

De randstad werd afgeschaft door de koning en Noord Holland en Zuid Holland  werden samen met Flevoland, Utrecht en Zeeland samengevoegd tot ‘Holland’. Dat het historisch niet allemaal klopte maakte niet zoveel uit. Het ging er om dat er Holland was en de rest van het land. Holland en Niet-Holland. Niet lang daarna werden de ‘dialecten’ zoals onze eigen taalvarianten genoemd werden afgeschaft. Op de scholen werd alleen nog maar Hollands gesproken. Nog weer later mochten we ook de traditionele kleding niet meer dragen, te beginnen met het hoofddoekje dat sinds een aantal jaren weer in de mode was gekomen. De stadse kleding uit Holland werd verplicht gesteld. Er kwamen schooluniformen op de scholen en er werd op gelet dat we ons niet anders kleedden. Bij overtredingen kregen we eerst waarschuwingen en toen boetes. En toen dat niet hielp werden we soms opgepakt. Het werd gevaarlijk om naar Amsterdam en Den Haag en Rotterdam te gaan en traditionele kleding te dragen. Achterhoeks, Fries of Limburgs praten konden we beter ook maar niet doen.

Sommigen van ons pikten het niet dat we zo achtergesteld werden en zochten hun heil over de grens in Duitsland en zelfs België dat de kant van Frankrijk had gekozen en ingelijfd was bij het machtige land. Vlaanderen was Frans geworden en veel Vlamingen waren naar Holland gegaan. Ik denk dat de koning en zijn vazallen geschrokken waren van wat er in het zuiden was gebeurt. Misschien ook dat dat de reden was achter de onderdrukking van alles wat ons in het oosten en zuiden eigen was. In de jaren na 2011 was het allemaal erger geworden. De wet werd gewijzigd en gemengde huwelijken werden niet meer toegestaan. Trouwde je met een niet Hollandse dan werd haar en je latere kinderen het paspoort afgenomen. Ze waren geen Hollanders meer.

In 2012 werd de naam Nederland afgeschat ten gunste van de naam Holland, ondanks hevige protesten in het oosten en zuiden. En toen begon het pas echt. De kledingopstanden werden onderdrukt en sommigen vluchtten weg. Toen enkelen velen werden pakte de regering onder leiding van de koning dat aan als reden om het leger de steden en dorpen in het noorden en oosten in te sturen op zoek naar mensen van ons die getrouwd waren met niet Hollanders. Langzaam maar zeker verdwenen steeds meer vrienden en familie naar het oosten. De grens over. Er kwamen verhalen dat het leger en de politie soms mensen documenten liet tekenen dat ze afstand deden van hun staatsburgerschap en het land vrijwillig zouden verlaten. Naar Duitsland. In oktober 2012 ontstond zo het eerst vluchtelingenkamp, net over de Rijn bij Keulen. ’s Nachts waren een paar honderd mensen door het leger de grens over gezet en richting Keulen gejaagd.

Vanaf dat najaar in 2012 tot eind 2013 vluchtten er steeds meer mensen de grenzen met Duitsland en Belgisch Frankrijk  over. Frankrijk had door de economische crisis geen geld om de stroom mensen op te kunnen vangen en dus werd iedereen die naar het zuiden ging opgejaagd richting Duitsland. Na twee jaar leefden we met wel vier miljoen mensen in grote vluchtelingenkampen langs de grote rivieren in Duitsland en op de hoogvlakte van de Ardennen, zuid oostelijk van Keulen.

En in 2013 was ons gezin aan de beurt. We hadden het zien aankomen. Mijn ouders bleven in het land want die waren te oud om een bedreiging te zijn voor de Hollanders. Maar ik en mijn broers en zussen, we waren met vijf, waren jong genoeg om te vertrekken. Zelf moest ik vluchten achtervolgd door de politie want ik had pamfletten uitgedeeld op de UvA en later op de VU. Ze waren het te weten gekomen en al snel hadden ze achterhaald dat ik er achter zat samen met nog twee studenten. In de nacht zijn we de grens over getrokken en naar kamp Vogelensang gegaan in de Eiffel. Het was een lastige tocht want overal in wat vroeger Nederland was werd gecontroleerd en omdat alle auto’s voorzien waren van apparatuur om die te volgen moesten we op de fiets gaan. De hele nacht zijn we door gefietst om uiteindelijk voormalig België in te trekken. Twee dagen later waren we opgepakt en naar Vogelensang gebracht. We waren er in ieder geval veilig en buiten bereik van de Hollanders.

Het is nu twaalf jaar later, de koning regeert nog steeds met harde hand en een flink deel van het oosten en zuiden is ontvolkt. Er was ‘ruimte’ nodig en de Hollandse cultuur mocht niet ten onder gaan. ‘Eén land, één volk’ werd het beleid genoemd. Iedereen moest Hollander zijn en taal en gewoonten uit de grote steden aannemen. Degenen die het niet deden werden onderdrukt, gevangen genomen, mishandeld, verkracht en soms vermoord. De totale bevolking was afgenomen tot veertien miljoen. De rest was niet Hollands naar de mening van de koning en de regering en het land uit gedreven. En de koning en de regering konden ongestoord hun gang gaan. Andere landen hadden soms wel kritiek maar er werd niet ingegrepen. Sinds aardolie minder gebruikt werd en er veel meer aardgas in het land was aangetroffen was er belang bij om Holland te vriend te houden. Energie was immers van groot economisch belang.

Duitsland was verarmd en dus werd geprobeerd om ons weer naar Holland terug te krijgen maar de Hollanders weigerden die ‘Duitser’ en ‘Fransen’ zoals we genoemd werden terug te nemen. We werden terroristen en criminelen genoemd. Bij de laatste volkstelling werd ook iedere niet Hollandse vrouw en de kinderen van die vrouw niet meegeteld als burger. Sterker nog, ze kregen de notitie ‘illegaal’. En zo leven we nu dus alweer twaalf jaar in de kampen. Zonder toekomst, zonder paspoort op een plek waar geen werk is en met net voldoende eten om te leven. Simpele houten huisjes in lange rijen op plekken waar ontbost is en de grond soms in modderstromen de heuvels af schuift of langs de rivieren die tegenwoordig sneller overstromen. Het leven is keihard in de kampen.

Vorig jaar is na tien jaar bedelen door de Verenigde Naties China als machtigste land ter wereld er toe over gegaan om mensen uit de kampen naar China te laten komen. In totaal nemen ze driekwart van onze mensen op en geven die een Chinees paspoort. Ik en mijn twee broers die in dit kamp leven zijn binnenkort aan de beurt om naar het noorden van China te reizen. Via Peking richting de grens met Mongolië waar we in de steden en dorpen een nieuwe toekomst krijgen. De eerste introductietrainingen hebben we al gehad en vooral de jongste kinderen die kunnen beseffen wat er gebeurt vinden het spannend. Er leven een flink aan kinderen in de kampen die hier geboren zijn. Maar we gaan niet allemaal naar China. Om redenen die ik niet zo goed begrijp moet mijn oudste zus naar Indonesië en mag mijn jongste broer helemaal niet weg.

Maar ik mag over twee maanden weg. Met een vliegtuig van Frankfurt naar Peking en dan met bussen naar het noorden. Ik ben blij dat ik kan gaan hoewel ik liever in Nederland wat nu Holland wordt genoemd zou zijn. Ik ben er immers geboren. Maar we mogen het land niet meer in en Duitsland heeft ook niets gedaan gekregen bij het buurland. Wel achttien keer hebben ze overleg gehad over de situatie en de Duitsers zijn boos geworden op de Hollanders die blijven weigeren ons terug te laten keren. Dus ga ik naar China. En ik ben er blij om maar ik ben ook bang. Bang dat ik de taal nooit leer. Bang dat ook daar weer buren zijn die ons niet willen. Bang dat ik geen werk vinden kan of alleen heel slecht betaald en zwaar werk. Bang dat zelfs mijn kind weinig mogelijkheden zal krijgen op een goed bestaan. Toch blijf ik hopen dat het goed gaat.

Mijn ouders heb ik al jaren niet meer gezien, ik spreek ze weleens over de telefoon als ze een keer naar engeland zijn gereisd en van daaruit met me kunnen bellen. Maar alleen de stem en het gezicht krijg ik te zien, aanraken kan ik ze niet. Elke keer dat ik ze op het computerscherm zie zijn ze weer ouder en versletener geworden. Mama is ziek sinds een tijdje en het breekt mijn hart dat ik niet naar haar toe mag om haar te verzorgen. Mijn vaders ogen staan nog altijd strijdbaar maar ook somber als ik hem zie op het scherm.

Alice © 2011

Naschrift: het bovenstaande verhaal verwoord vrij exact de gebeurtenissen in Zuid Bhutan in de periode vanaf 1985. Kantelen we de landkaart 90 graden en verplaatsen we ons naar de zuidelijk Himalaya dan is dit wat er gebeurt is. In alle absurditeit is dit ook wat de internationale gemeenschap laat gebeuren. De vluchtelingen zijn de slachtoffers er van. Een ieder die denkt dat een hoofddoekjesverbod terecht, begrijpelijk en niet ernstig is, zou zich beter eens verdiepen in de geschiedenis van Bhutan. Want het is onder andere zoiets banaals als kleding waarmee onderdrukking zich uit. Grofweg een derde van de bevolking van Bhutan kan daar, helaas,  over meepraten.

De verteller.

Bijna een leven lang deed ze er over. De reis. Telkens weer was er een afleiding geweest. Eerst in de vorm van scholen toen ze nog jong was. Daarna de liefde die van korte duur bleek maar van te lange duur om niet ruim twintig jaar van haar leven te kapen. En werk. Werk dat niet bij haar hoorde maar dat wist ze toen nog niet. Ze werd er ziek van, niet letterlijk. Maar toch… ziek.

Jaren later nadat alles in het leven omgedraaid was begon ze te schrijven om er niet meer mee op te houden. En zo nu en dan trad ze op met wat ze maakte. Voordragen, spelen, vertellen. Nog weer jaren later werd het vertellen meer dan schrijven. Er kwam beeld bij. Het ultieme verhaal bestaand uit woorden en beelden in een afwisseling die degene die deze ondergaat niet meer doet beseffen te kijken of te lezen of luisteren. En zo werd ze uiteindelijk een verteller. De verteller van eigen verhalen, verhalen die niet eerder verteld waren simpelweg omdat niemand ze bedacht had. Verhalen van anderen en over anderen.

En nu zit ze daar. Kijkt beelden, kijkt om zich heen. Observeert, ziet, bedenkt, schrijft en legt vast in weer andere beelden en woorden. Ondertussen lerend hoe te vertellen, hoe te verbeelden en hoe gedachten tot verhalen te laten worden om die later terug te geven aan de wereld.

Zo is ze eindelijk de verteller geworden van de woorden uit de storm.

Alice © 2011

Titels

foto: Armelle van Helden, Literaire Salon oktober 2010.

Ooit begon ik dit Writers Block. Of het ooit zal eindigen weet ik niet. Wil ik niet weten. Na ongeveer vier jaar zijn er in totaal vandaag 1000 teksten verschenen, die duizendste volgt morgen. Gedichten, verhalen, stukken uit mijn romans, aankondigingen, oproepen, liedjes, video’s en foto’s. Soms werk van anderen. Duizend publicaties die mijn leven definiëren in al haar aspecten.

In die vier jaar zijn er steeds meer mensen gekomen om hier te lezen. Inmiddels is er al een dik half jaar een stabiel cijfer van rond de achtduizend bezoeken per maand. Daarmee is deze schrijfplek voor mij een ontzettend belangrijke plek in mijn leven gaan innemen en hopelijk vinden jullie, lieve lezers, het de moeite waar om te blijven komen.

Dit zijn de 999 titels van de teksten die hier tot nu toe zijn verschenen.
De duizendste zal – natuurlijk – een gedicht zijn dat ik tot de dag van morgen bewaar.
Lezers, dank jullie voor jullie trouw.

Titels

Alice’s Writers Block 1 jaar.  Konijnenhol  Publicatie in het boek ‘De kracht van netwerkbenadering’.  ‘Professional Services Automation’ (eerder gepubliceerd in 2001)  column: ‘Enronmania’ (gepubliceerd in 2002)  column: ‘Begroten’ (gepubliceerd in 2003).column: ‘Bubbles’ (gepubliceerd in 2004).  column ‘Duwend sturen’ (gepubliceerd in 2004).  Oude columns geplaatst en aankondiging essay.  column: ‘Hollandse dwarsbomen’. (bewerkt)  Essay: ‘Mooi is goed’.  Even iets heel anders…  Fragment uit mijn roman ‘Sorpresa’ (werktitel).  Voor R.  Schaakbord  Verandering.  Alice  Kilometers denken  Kies, koos, gekozen.  Parlementair inburgeren.  Waarom regenboogpieten niet van kleur moeten verschieten.  Voorstel promotieonderzoek.  ‘Ik kwam laatst mijn vader tegen.’  ‘Prettige verjaardag Lotte.’  Lezingen en andere optredens.  Nieuwe website promotieonderzoek  Steve Job’s Stanford Commencement Speech 2005  What’s your deepest fear?  Simone  IJdelheid der ijdelheden  Integriteit  ‘Prettige verjaardag, Lotte!’ wordt ‘Een familiezaak’  Ontspoorde opinie  Oude weblog uit de lucht  Toch maar geen bundeling van schrijfwerk  Vorderingen roman ‘verwondering’  Toneel: ‘Een familiezaak’  Autogordels  Verwachting  Lezing MidZomerGracht festival op 21 juni.  Zomerdip of zomerzotheid  Navelstreng  Restart  Transfusion festival op 11 november – mis het niet!  The balance sheet  Transfusion  Alone again, naturally  Wrang  Over 25 jaar  Schouders  Transgender Chronicles 1 (over lezingen geven…)  Transgender Chronicles 2 (over vriendinnen…)  Weblog reVAMPed  Pauze  Transgender Chronicles 3 (over off days…)  Spiegel  Koffiebekertjes  I cried for you…  Tender feelings  Sporen  Funny: Stallone  A ma sante  Foekje is dood  Help! Waar zitten mijn knopjes?  Eerherstel Foekje Dillema  Transgender Chronicles 4 (over mijn LBD…)  Transgender Chronicles 5 (over het kerstdiner…)  N00dles  5000  Transgender sport  Open deur  De dekbedhoes  Kleine jongen op een groot strand  Kerstwens  Kerst together alone  De tulband  Kerstavond  Naaimachine  Gianna’s liefde  Amsterdam  Law & Order – Lindsay & Lohan  Transgender Chronicles 6 (over nieuwjaar…)  Het laatste van 2007  Gelukkig, 2008…  Species dysphoria  R.I.P. Mickey  Lyrics  Globe  Taboes  Species dysphoria part two  Te geef  Goeiemoggel (ja ook ik kan het niet laten…)  Vermoeidheid  Ontmoeting  Snipverkouden  Transgender Chronicles 7 (over afscheid van computers…)  Zout op mijn bril  Kruiwagentjes vriendschap  Free hugs  Sleutelellende  Postzegels  Pijn  Transgender Chronicles 8 (over een onzekere toekomst…)  Hoe om te gaan met een transgender? The Manual  Transgender Chronicles 9 (over stamkroegen…)  Blogstok  Past, present and future  Onverwachte man  Transgender Chronicles 10 (over dansles…)  Ik ben boos!  Gek  Mijn kleine jongen  Hangertje en kleurtjes  Julia en Katrina (aflevering 1)  Transgender Chronicles 11 (over gelaser…)  Transgender Chronicles 12 (over de noodzaak van dansschoenen…)  Staat=tiekjes  En zo kan het dus ook!  Hoerenpasta  When the lady smiles…  Julia en Katrina (aflevering 2)  De doler  Homonota van Plasterk marginaliseert transgenders  Waarom ik emancipatie een rotwoord vindt  Transgender Chronicles 13 (over namen…)  Julia en Katrina (aflevering 3)  Ik hou niet van kaas  Eindelijk lente!  Knaeckebroed  Transgender Chronicles 14 (over bouwpakketen…)  Red Humanit(r)a(n)s Rotterdam!  Julia en Katrina (aflevering 4)  Transgender Chronicles 15 (over blondjes…)  Mooi nieuws  Poezenliefde  The biggest lie ever?  Messias  Waarheden en wijsheden (1)  Julia en Katrina (aflevering 5)  Wow, 6 beurten gratis!  Concerten  Personalize your burka  Tirade  Transgender Chronicles 16 (over literatuur…)  Wegens overdosis gesloten…  Sleepless mind  Humanitas Rotterdam gered!  Julia en Katrina (aflevering 6)  Transgender Chronicles 17 (over ons…)  Transgender Chronicles 18 (over wiebeldagen…)  Voor mijn lief…  ‘Vrouw’ door Marleen  17 april  Transgender Chronicles 19 (’t is bijna zover…)  Lieve God…  ’t is lente  Transgender Chronicles 20 (en nu naar binnen!)  In memoriam Eckart Wintzen  Transgender Chronicles 21 (spiritualiteit)  Transgender en sport (2)  Het verschil tussen (M)alice & Alice  10.000 bezoekers!  Mooie mensen  Transgender Chronicles 22 (mijn moeder)  Transgender emancipatie  What’s in a name?  Privacy en de overheid  Wat ben ik eigenlijk?  Sentimentele muts  Transgender Chronicles 23 (business as usual, unusual business)  Through the looking glass  Sophia  ‘Wiki’s waarheid’ betwijfeld – ‘Wiki’s truth’ doubted.  T-day minus 7: pre operatief onderzoek  Antonia  T-day minus 6: moeder  Why does Andrew Keen never smile?  Out of order – off line – even iets anders doen  One more thing…  T-day minus 2: ritueel in Barcelona  Transgender Chronicles 24 (T-day)  Transgender Chronicles 25 (ik stap door de spiegel…)  Transgender Chronicles 26 (… aan de andere kant)  Weer thuis  Transgender Chronicles 27 (a sort of homecoming)  41 uur gevangen in een lift  Roos  Boekenstokje  Trotse melancholie  Kon het niet laten  Transgender Chronicles 28 (tears in heaven)  Tsjonge  Pa  Transgender Chronicles 29 (omhels me)  Mijn adagio  Transgender Chronicles 30 (Pijn…stillers)  Over droge benen, amandelolie en de kat  Homofobie en transfobie  Julia en Katrina (aflevering 7)  Aan elke dag komt een einde, altijd.  Transgender Chronicles 31 (over identiteit en rolmodellen)  Als Odysseus  De 200e  Geen verschil  Spui 2007  Ontmoeting  Parkour girl power and jumping guys…  Lantarenpalenkolder: overheid spoort niet…  Gisteren was het ‘Pangea day’  Transgender Chronicles 32 (eerste keren…)  Transgender Chronicles 33 (over gender ongemak)  Gesloten, gesloopt en afgebrand…  Transgender Chronicles 34 (Ying & Yang)  Californie en het homohuwelijk.  IP ban  TG’s gebundeld (voorlopige versie)  California dreamin’ …  Geen inspiratie  Wetenschappelijke doorbraak in genonderzoek…  Transgender Chronicles 35 (is het ’t waard?)  Re-thinking gender role assignment  Kutbui  Google tast reputatie van transgender aan…  Ik heb een zonde begaan…  ‘Zee therapie’ als troost  Ook goeiemorgen op de deelpunt serveerster…  Digital litter  15.000 bezoekers…  Voor wie me kent…  200 tassen project  Harig sletje  Popdiva’s nieuwe stijl  Zak hooi  Kinderen, zee en een gele bal…  Testobom cabaretier blijkt recidivist  It’s the gender, stupid!  40 jaar later…  Even Apeldoorn bellen…  Paspoorten  Komende publicaties  Transgender Chronicles 36 (liefde, lijf en lust)  Wereldkaart  Embryoselectie  What women want  Let’s party!  😦 > Knipoog > 🙂  Sophia Loren  Oranje stamkroeg  WordPress  Wow!  Transgender Chronicles 37 (anijsmelkdag)  iYou! Do you iYou2?  Engelen  Dromen  My guy  Transgender Chronicles 38 (zelfbeeld)  Ben er even niet…  Ben er even wel…  La Belle Hortense  Scootermeisje  L.A. is my lady…  Hibernating for 20 days…  Back home  You shouldn’t dance alone…  Runaway bus  My Starbucks Year  Transgender Chronicles 39 (shit happens)  Ice Pan  Newsweek artikel over het zuiden van de V.S.  Transgender Chronicles 40 (sharp dressed woman)  Back in business  Transgender Chronicles 41 (de laatste trein)  Hurt  Outta gas  Crazy Jenny  Love hits you when you least expect it.  20.000 lezers en 1 liefde  Transgender Chronicles 42 (second life)  Destination unknown  Tussenbalans  Angels fly… because they take themselves lightly  Verlangen  Mustang  Ik wil verdrinken  Top 10  Non acceptatie  The bitch is back…  Transgender Chronicles 43 (onzichtbare man)  I’m yours  Parkeervergunning (of waarom ambtenaar zijn een vak is)  Noppen en … rokjes  Terreur en komkommermentaliteit  Noppen en … rokjes (update)  Red tape  Alice en Edward  Sex and the … MacBook  Shit, am I getting famous?  Waarheid  Transgender Chronicles 44 (life sucks)  TV series  Bye bye Windows… hello future!  300  Heartbreak  Oproep  Transgender Chronicles 45 (Confused? You will be after this …)  Scrooged  Fin  De nieuwe journalistiek  Transgender Chronicles 46 (Kiezen voor mezelf)  Transgender Chronicles (slot)  Verkiezingskoorts  Testje voor videoblogging  Gaten terreur  Neo socialisme  Auw  Tussen kwaad en goed  Script ‘Een familiezaak’  Familie  Bank-en-crisis en MBE  Uit het raam staren  Censuur  Ontrouw  Crossing Border  IJskoud de slechtste…  E-10  Zomaar gevonden en zo leuk…  Coming out dag 2008  Na de ‘Kom uit de kast dag 2008’  Neo…  Ik ben boos op Floris Jan Bovelander  Fortwas – here today gone tomorrow…  Vraagje  De pil tegen het leven  ‘Tertia’  Welke woestijn is mooier?  Opgepoetste spiegel  De bel  Gat in mijn lijf  Stilte in Egypte?  Waarom eigenlijk nog?  Recovery mode  De parfummaker  Ankh  Alice doet mee met Nanowrimo ’08  (c)  Yes we can! But not Nate Walsh…  President Barack Hussein Obama!  Oh my God!  Waarom vooruitgang in Amerika ook achteruitgang is…  Vijf genders theorie  PWSD  Keith Olbermann on same sex marriage…  De gids  Elektronische patienten dossiers  Lezers enquete(tje)…  Een stapje vooruit…  Transfeminisme  Transgender remembrance day  In loving memory… 15 november, Amsterdam  Sociale netwerken zijn niet meer weg te denken.  Status change  Alweer een slachtoffer van een hate crime!  Black  Nieuwe wegen  De toekomst van internet: van Web 2.0 naar Web 3.0  Herfst  Kwaliteitsjournalistiek  FIFI2008  Zonsopgang in Bombay  Pokkenweer  Enge mannen in rode jassen  Internet-working addiction  Ziekenhuizenstrippenkaart  ‘Feest’ maand  Tranentrekkers  Au(w)tomatisering  Grappig  Zaterdagmorgen  Beautiful Betty  Mijn dokter is ‘onbetrouwbaar’  Intermezzo  Gedenken maar niet herinneren  Kerstdiner 2008  Engelen in opmars  De paus is gek geworden  Ik hou van Marlies  Wordles  Twitter  War!  Wow! Duffy!  Vuurwerk in Gaza  Poncho  Gelukkig nieuwjaar!  30.000!  2008 ingepakt en opgedoekt  Kroegenzoektocht  Ontmoeting  Koffie  Frustransen  Schilderles  Familiewebruzie   Schaatsen  Roze stropdassen  Kale mannen zijn macho…  Eerste letters  Meet you on the other side  Over eenzaamheid en liefde  Wat hangt er nou aan mijn fiets?  Blue Monday  ‘In times of trouble…  Annie Leibovitz  Verhuizinkjes  Obama, 44e president van de V.S.  Family matters  Inauguration foto’s  De belofte  Transgenders en mensenrechten  In het dorp van mijn verleden  Onvoltooid verleden tijd  Lijstjes  Social Networks  Statistiekjes  Lezenswaardig  300.000 km koffie  Google’s slash disaster  Gender binary normativity  Transgender emancipation: cisgender advantages checklist  Erwin Olaf  Vermoeidheid  Post Operatief Stress voor Transen Syndroom (POSTS)  Rollende koppen  Beneden. Drie blanke vrouwen.  Circle of life  Physical distress  Nieuwslezers  Noodles queerpraatje 1: kinderen  Social media: destroying or saving lives?  Amsterdam Twestival  In the mail…  Wow!  Krimpen  The trouble of being Alice  Why do I frequently write in English?  Geheimen  BunnyBook 1.0  Lez Tango… tango para 2 mujeres  The Early Morning blues  Dezelfde fout  Writers Break  Budapest  Vampire lips…  Vicky Cristina Barcelona  Chuck Deely  Intimacy  Gestrand  Beslissingen  Off to Budapest  Budapest blues  Bohemienne  Rebound  Audrey Hepburn – Emma Roberts  I feel like dancing…  Boobies  Lesbo normativiteit  Lesbo normativiteit: update  Lesbo normativiteit: final update  Oops someone doesn’t like Sony I guess…  Als browsers vrouwen zouden zijn…  Here we go again  Knoopje in mijn buik  Weer thuis (1)  Hersteloperatie, wat is er nu eigenlijk gedaan?  De gezegende zondaar  Boodschappen doen  Zomertijd  Openheid  Twittermania  Revival van de Amsterdamse homogemeenschap?  Europa: rapport homofobie en transfobie  Llink heeft het gehaald…  Margeret Cho… wow  Kabinet neemt nota EU serieus  Plasterk teruggefloten door kabinet, Klink boos, ophef in de kamer  Word painting  Cajon  Hartewensen  Rust  Noodles queerpraatje 2: Pro-Gay is anti-LGBT  Oeps!  Nacht leven  Attention! Podcast  Abba  Don’t give up  Ik ben jarig  Garantie  Sidekick  (40.000)  Vriendje  Geen gezeik iedereen gelijk!  Afgedankt  Dusty  Tilt-shift en smallgantics  Twee mannen, een gedachte  Toys for the boys and boys for the girls…  Vrij!  Alice in Wonderland revisited  I can’t complain  Jip en Janneke  IDAHO  Shadow dancing  Het zal ze een zorg zijn…  Noodles queerpraatje 3: kleren maken de trans  Lost in transition  Nobody loves you when you’re down and out  Dagritme  Fingersmith  Eindelijk eenvoudige juridische geslachtsverandering?  Dreambridge  Hanging out at the Mondriaan Restaurant  Rotpost  Frida  Nieuwe column  Google killer?  Muzen  Sorry  Rotte Appel  Kaderock  Geen maaltijd om mosterd na te nemen.  Atonement  Sidekick  Strakke pakjes  Fotoshoots  Afgedankt (deel 2)  Lijfloze ziel  Sleeping with the curtains open  Catwoman  ‘De Quetterende Dames’ schoppen de Roze Week aan.  Pechgevalletje  Burlesque  Noodles queerpraatje 4: over queers en apenrotsen  Korte gedichten 1  Gesluierd gekleed = versluierd veroordeeld  Persoonlijk voornaamwoord  Queer Kick-off BiTransdag – the day after  Kleine meisjes worden groot  Droomjurk  Foto’s  Over hoe verzekeringen transseksuelen het leven zuur maken  Ik en mijn iPhone en zo  Ik begrijp niets van Iran  Ik wil je  Neda  Ochtend  Streling  Tattoo’s  Halfbewolkt  Desordre  Gender war  Mijn oma is een porseleinen paardje  Afgeluisterd  Dromen over vroeger  Onbescheiden  Een vriendin belde…  La reine grise  Jeugdsentiment  Oude autotaal  Reincarnation Bank  Tim Burton’s ‘Alice in Wonderland’  Retro  United breaks guitars  Happy birthday Kate!  Tattoo  De Picknick  De eenwording  Tekens  Schrijvers zijn ingewikkelde mensen  Make over  De appel die begon te rotten  50.000 bezoekjes  Over verbouwingen, boudoirs en vakantie  Korte gedichten 2  Korte gedichten 3  Francis Cabrel  Nu is later  Over twee dagen…  Korte gedichten 4  Vaarwel mijn liefste  Je kunt slapen als ik rij  Hemingway achterna  Korte gedichten 5  Ondanks al mijn geluk  Gompie!  Duistere weg  Terug naar huis  Heeft u een hokje voor mij waarin ik pas?  Elsevier fotoshoot  Nazomeren aan de Amstel  Ogen  Mary is gone  Ochtend in Den Haag  Ben ik gelukkig?  Inspiratie expiratie  Moeders en dochters  Ehm… tekst kwijt?  Korte gedichten 6  ‘De Storm’  ‘De Storm’ (recensie – let op: bevat spoilers)  Bizar  wtf?  Living in the past  O shit! ‘stemmingswisselingen’  Buma/Stemra is definitief de weg kwijt geraakt.  Buma/Stemra en hoe ik met die nieuwe regeltjes om ga.  Nanowrimo 2009  Buma/Stemra gezwicht voor protesten in de blogsphere  Twitter meetups  I’ve got a beaver in my basket  Fifties en sixties dromen  Films  Fotoshoot thuis  Wat ben ik de rest van mijn leven?  Zoekend  Ochtend  DNA  All quiet on the western front.  020 therapie  Kramp  Oude wensen, nieuwe kansen  Zand  Noodles queerpraatje 5: Sint Maarten  ‘Alles wat je altijd al had willen doen in een luchtballon…’  Ik zoek werk  Ben ik mijn eigen tweeling?  Eva’s portfolio site  Inspiratie, mijn geliefde  Voor wie mij kent  Transgender gedenkdag 2009  Grote mensen wereld  De Quetterende Dames treden op bij Mea Vulva  Volksvijand nummer een: de mug  NaNoWriMo roman is klaar: ‘Droomvlucht Afrika’  Stichting Haar Verbeelding  Ramses Shaffy  Waanzinnig weekend.  WK 2010  Minaretten  Dromen uit laten komen  Aankondiging boekpresentatie  Stranger than fiction  Amnesty International – maar niet voor LGBT!  Krak!  Noodles queerpraatje 6: Stranger than fiction  geboorte Anna Reiziger op 18 december 2009  Ode aan de roos  Literaire Salon Saarein  Podiumdebuut van Anna Reiziger  Klimaatcrisis  Alternatieve kerst  Bea in de bocht… de rode koningin spreekt.  Engelen vliegen omdat ze zichzelf licht nemen…  Tijdverlies  Het rozenmannetje door Anna Reiziger  Between a rock and a hard place.  Anna ontwaakt en zingt.  Manic Monday  Tantalizing Tuesday  Gaat Google weg uit China?  Kabinetscrisis?  Noodles queerpraatje 7: 2010  Whopping Wednesday?  Testing Thursday  Freaky Friday  Is dit dan het einde… van een verandermens?  Sizzling Saturday  Mostly Autumn  Werk  RIP Kate McGarrigle  Alle tegenwind gaat ooit een keer liggen.  De Volkskrant uit de bocht gevlogen  Kunst… een paar stappen vooruit.  Omscholing  Burkababe  Aankondiging: 31 januari Literaire Salon Saarein  Ontsnapping  Rugwind  Dan weet jij dat ik om je geef  Schimmenspel  Verleidster  The day after  Oh my God! Caro Emerald…  Dat is dan wel weer leuk natuurlijk.  Nieuwe media – oude wanpraktijk.  Oooooooooooooooooooooooooh 🙂  ‘Mental rafting’  safecss  Vredespijp  Briefkaart uit het verleden  Theater  Steeg  R.I.P. Alexander McQueen  Sometimes I close my eyes and drift away…  Until hell freezes over…  websites bouwen  Neeeeeeeee!  Mijn aaiFoon is leeg…  Over falen  Marlene  Kafka  Politiek  Pool  Jij wint!  Journalistiek…  Stupide websites  De nuttelozen van de nacht  Mopperkont  De val van het kabinet en emancipatie van transgenders  Minister Rou(w)voet weigert emancipatieportefeuille  Lentegedicht  Verkiezingen een mogelijkheid tot openlijke discriminatie?  Zondag 28/2 Literaire Salon in Saarein  Cabaretopdrachtje liedtekst schrijven: Jankend Koor  Over liefde en haat.  Democratische plicht.  A right delayed is a right denied  Script schrijven  Vrouwendag  Literaire Salon ook in Den Haag en op iTunes  Een spiegel voorgehouden  La vie en rose  Mennen mennen  Restyling  Privacy  Schrijfwedstrijden  Script Frenzy 2010  Aankondiging gedichtenbundel en verhalenbundel  Publicaties  Script Frenzy 2010  NaNoWriMo 2009 – ‘Droomreis Afrika’  Cabaret  Toneel  Performances  De Genderdans  Een familiezaak  Slag om de arm  Vandaag blijf ik in bed  Dag Hans.  Vreemd besef  Kiezen  Mannen, vrouwen, andersen en de wet  Oproep van Aartsbisschop Desmond Tutu  Alice in Wonderland  100.000  Over de kwaliteit van stoelbekleding.  Statement  Lente, verkiezingen en emancipatie  Klootzak  Cortado  Domeinnamen gedoe  Blues  Gegrilde burgers tegenover het parlement  Transfobie ‘American Style’  Oude stijl make up  Blog over een discussie over een blog.  Health Care System  QR-codes, BEEtags en zo meer  George Carlin  Script Frenzy is gestart!  10 april: 1e Literaire Salon in Den Haag  Moonpilot  Easter eggs  Lili Marlene in bewerking  8 april  Malcolm McLaren  Vrijheid?  Kadootje  Cold Case – Cold Shivers  Puberdochters en The Who  Kutfilm  Surprise  Vrijspraak voor Lucia de Berk  Matthijs Ratelband  Den Haag en de OV chipkaart  Klink haalt transseksuelen weer onderuit  Over de doden niets dan goeds.  Verslapen  As  Solliciteren  Over televisieseries, hate crimes, transgenders en Kate Moennig  Overgewaaid  Wahoe! Script Frenzy gehaald…  Wogst en bisnismannuh  Queensday  Self supporting?  Oorlogskind  Ongemerkt het podium op sluipen  Spigt  Over logo’s  Mijn eerste setlist  Kruising  Jack in the box  Spigt, pubers, vakantie en olijven plukken in Toscane  Ik ben een wetsweigeraar  Nou goed dan.  23 juni: de eerste WoordenStorm Midzomernacht Strandsalon  Turkse bommen in Irak  Aaaaaaaaaah!  De ‘Haagsche Brom’  Mam  Zes jaar verandering: een overdosis  WoordenStorm  NOS onderzoekt Twittergedrag en gaat op het gezicht.  Breaking news: voor de kust van Gaza…  Update: Israelische piraten vallen konvooi met hulpgoederen aan  Demonstratie  De dictatuur van de apathie  Terrorist?  De nieuwe Levant: Palestijns en Israelisch.  Lekker bezig daar in Suriname…  Nice!  visitekaartjes 20.0  Het nieuwe Europa  Beroerd  Ik kwam een tekst tegen en kon het niet laten.  Altijd  Een  Lege stoelen  Den Haag in twintig tien  Regenboog stemadvies: Groen Links  En daarom hou ik van Jan Rot  De geur van een piepkleine kleedkamer  Waarom de kosten voor de zorg te hoog zijn.  Reprise in een open bak.  Aardverschuiving  Een lesje in bescheidenheid  Verkiezingen – the morning after in foto’s  Wat een week!  Ode aan Toon Hermans – de video  De wereld is niet mooi, …  Vormgeving  Een goed gesprek  Wedstrijdje  Passiezeren  Oranje jurkjes, taalverloedering en huiselijk geweld  Freek, Freek! Waar ben je nu we je nodig hebben?  De rode baret  In antwoord op Spaink over FaceBook.  Titanen  Rot ervaring in stamkroeg  Voor de informateurs  Voetbal en techniek  Waanzin  Rust  Gossie  Voor mijn moeder  De onbetaalbaarheid van de zorg in Nederland  Blogpauze (audio)  Land van angst en vingerafdrukken  Nee tegen elektronisch patientendossier!  Zeven vette en zeven magere jaren  Turbokerk  Versterven  Aan het sterfbed van mijn moeder.  Ziekenhuis komt terug op besluit  Zijdezachte regen  Als ik in jouw ogen kijk dan zie ik jou niet meer.  In memoriam Aagje Ros 21 maart 1933 – 16 juli 2010  Dag mam  Reizen of vluchten  Incasseren  De dag ik mijn moeder liet gaan.  Over een naald en draad en een thuis.  Martha Wainwright  Parlementair Stockholm Syndroom  Zelfportret  Comfortably numb  Ik heb een nieuwe.  Gevangen in Iran.  Over rouwarbeid.  Nu wil ik ook een iPad!  In ‘the cloud’ werken.  LGBT rechten en de gay pride.  Voortschrijdend Verhelderend Inzicht.  Hoe het CDA Nederland uitlevert aan de PVV (update).  Lagrimas sao palavras ainda nao escritas.  Politieke moraal anno 2010.  ASR verzekeringen stigmatiseert transgenders.  Klacht tegen ASR verzekeringen ingediend.  Breaking: draai in Californie mbt homohuwelijk.  ASR verzekeringen stopt met de reclame-uiting ‘wij zeggen zij als hij dat wil’.  The Atma Project  Nachtgedachten.  Een einde en een nieuw begin.  Doekle Terpstra tegen een minderheids-en-gedoog-kabinet.  ‘La reine grise’ is te koop voor 2500 euro.  WordPress  Trots!  For future reference.  Dozen met tranen en een Eifeltoren.  Terug gekregen.  Onderschrift.  Korrels.  Kaarsjes en wierook.  Transvrouw, een ontboezeming.  Over FaceBook, nieuwe contacten en Nepal.  Bedgedachten.  Ik kreeg net een diamantje.  Het schot, een smartlap.  Definitieve website van The Atma Project online.  Behartigt TNN de belangen van transgenders?  Appelmoes  Vanaf 1 november op deze website.  Bestellen  Tussen de bedrijven door.  What am I doing?  Een nieuwe stille kracht.  Pride  Stadsleven.  Life is just what happens to you when you’re busy making other plans.  CDA politiek 2010  Blauw  Mannen…  De nacht van de deur.  Beter laat dan nooit.  Klinkklare taal  Protest op zondag 5 september op de dam.  Smart move.  Zomaar een zaterdag in Amsterdam.  Lekker schreeuwen.  Mijn hart heeft een plooi.  Alice staakt!  Queerpraatje: Alice vraagt zich af.  Over bretels en een breekijzer.  Photoshop journalistiek.  Een rat in Schotland.  Birds over New York.  Zaterdagavond  Over tv en documentaires.  Over Wilders, PVV en fascisme.  Over cultuur en bezuinigingen.  CDA congres 2014  Op je kussen wachten.  Kleine wereld.  Over democratie en zo.  Universiteiten benadelen transseksuelen.  Alleen, gewond.  The day after  Een ziekelijke hoofdredactrice  Help, de vandalen zijn er!  Vriendinnen  An answer to Tom  Buiging voor een dichter  Aankondigingen  NaNoWriMo 2010 – ‘Een cappu, een latte en een espresso.’  Home  NaNoWriMo 2009 – ‘Droomreis Afrika’  NaNoWriMo 2010 – ‘De koffieclub’  NaNoWriMo 2010 – ‘Een latte, een cappu en een espresso.’  Tumbling dice.  Eerste hoofdstuk NaNoWriMo roman.  The Story of Ram  Draaien en manipuleren.  There’s an App for that!  Stevig.  ‘… en dan doen we de boeken daar ook weg.’  ‘Incoming…. mail!’  Dromen hebben is een gift, niet een last.  NaNoWriMo update.  Contrasten  NaNoWriMo 2010 plot hints  Positieve escalaties.  NaNoWriMo na een week.  Hulpvraagje  Taal is zeg maar niet zijn ding.  Het begin van loopbaan 2.0?  Kater  Novemberstorm  De vier vriendinnen.  Eerste Atma deelproject is bekend.  Tegeltjeswijsheid in de nacht.  Tegeltjeswijsheid overdag.  Je zal het maar zijn.  Hufterigheid.  Niemand is op zijn teentjes getrapt.  Bhutan en mensenrechten.  Trouw en Nederlands Dagblad strijden voor herinvoering inquisitie.  La sombra de viento.  Stop de culturele kaalslag, schreeuw tegen dit kabinet!  VK keurt executie van homoseksuelen en transgenders niet meer expliciet af.  Trangender Gedenkdag 2010  Dag zomer.  Dan mot je maar niet met van die ouwe zooi rondkarren.  Absolute off-day.  Een onverwacht cadeau.  NaNoWriMo 2010 hoofdstuk 13.  Pfff.  Een onverwacht cadeau (2).  Verdwenen in de geschiedenis… of toch nog net niet?  Roman af: eerste exemplaar voor Sinterklaas.  De wereld is vanavond veranderd.  Boekomslag ontwerp en flaptekst gereed.  Een latte, een cappu en een espresso.  Bestellen  ‘Een latte, een cappu en een espresso’ kan vanaf vandaag besteld worden.  Met vallen en opstaan.  Productief maandje.  De werkelijkheid en de film.  Ehm… alleen voor muziekliefhebbers. Toch? #onschuldig  En, ik red dan jou.  Het water is breed.  Lawaai in Lesboland.  U  Ik ben ‘verbijleveld’: CDA wil censuur instellen bij publieke omroep.  Framed?  Politiek gevangenen in Bhutan.  Een boodschap van Julian Assange.  De politieke uitspraak van het jaar 2010.  Ochtenddooi  In goed overleg.  Geboren: mijn debuutroman.  Ontmoetingen  Ook NCRV…  Mensenrechtendag  Slowfood or no food?  Titels

Alice

Pfff.

En toen was het ineens klaar. De jaarlijkse NaNoWiMo frenzy om een boek te schrijven van minimaal 50.000 woorden. Het boek is niet af, de ‘wedstrijd’ met mezelf wel. Gelukkig want was het lastig de afgelopen twee weken. Zo lastig dat ik de neiging heb om mijn laptop tegen de muur te flikkeren. Het glas achterna dat twee nachten uiteenspatte op diezelfde muur.

Weer heb ik me laten verleiden tot het schrijven van een boek in één maand. Het is een gestoorde maand geworden, veel zwaarder dan het vorige jaar omdat ik eigenlijk keihard aan het werk ben om een documentaire te gaan maken en er in deze periode bergen werk liggen om dat mogelijk te maken. De laatste week is het schrijven aan de roman in spasmen verlopen met volledig inactieve pauzes er tussen in. Afgelopen nacht begon de finale, een dag later dan ik hoopte. Vanmorgen stonden er nog zo’n tweeduizend woorden in de planning om uitgekotst te worden. Na een lome ochtend waarin ik een paar uur slaap ingehaald heb ben ik dan uiteindelijk naar één van mijn schrijfplekken gegaan in de stad. Met de laptop op de bar in het hoekje zijn die laatste tweeduizend er vijfentwintighonderd geworden.

Eind NaNoWiMo. Maar het boek is niet af.

Nog steeds heb ik geen besluit genomen over de afronding van het verhaal. Kies ik voor een vriendelijk of voor een hard einde. Wordt het toch nog een open einde of verdwijnen Kat, Beth en Jolanda uit mijn leven om niet meer terug te komen? Ik ben van de meiden gaan houden en vooral van Beth. Nog steeds is ze een mysterie voor me, nog steeds kan ik haar drijfveren niet volgen voor wat ze allemaal gedaan heeft in de afgelopen maand. Nog steeds ben ik verbaasd over de volgzaamheid van met name Kat. De anders zo sterke en doortastende vrouw waar ik dacht zoveel mee gemeen te hebben. Verbaasd ook over het gemak waarmee ze zich hebben laten overhalen om gewelddadig te worden. Alsof het niets is, een aanslag plegen op vrouwenhandelaren. Drie ogenschijnlijk doodgewone vrouwen. Ze zouden zomaar moordenaars kunnen worden.

Maar ja, de laatste hoofdstukken moet ik nog schrijven en de keuze is nog niet gemaakt voor wat betreft de afloop. Ik laat de keuze over aan mijn Twitter vrienden en aan jullie. Wordt het moord? Een ongeluk? Of loopt het met een sisser af. Wil je mee stemmen? Mail me dan voor zaterdag met jou keuze. Op 4 december zal het boek dan af zijn.

Alice © 2010

NaNoWriMo 2010 hoofdstuk 13.

Goed dan. Nog maar een voorproefje van de roman. Hoofdstuk dertien, ongecorrigeerd. Omdat ik dertien een mooi getal vind. Na dit hoofdstuk verschijnen er geen hoofdstukken meer op deze website. Wel een bericht over hoe jij het boek kunt bestellen binnenkort. Veel plezier! Let wel, dit is de ruwe versie dus in het boek zal er zo hier en daar nog wel het nodige aan geschaafd zijn.

Hoofdstuk 13. Bommenmakers.

We besloten om de volgende dag een tapijt dat ik nog in huis had naar Beth’ huis te brengen zodat we dat over de schroeiplek in haar achterkamer konden leggen en om de rommel van de brand weg te werken en de werkkamer netjes op te ruimen. Het moest lukken dat ’s avonds te doen zodat het niet in de gaten zou lopen. Ik zou niet meegaan maar Beth zou het alleen doen terwijl ik gewoon braaf thuis bleef.

De maandag verliep zonder incidenten en nadat we Jolanda gebeld hadden en ook verteld hadden dat er politie aan de deur was geweest waren we boodschappen gaan doen om vooral maar zo normaal mogelijk te doen. We zeiden Jolanda niet wat er tussen Beth en mij voorgevallen was, dat hoefde ze nog niet te weten op dit moment en we vertelden ook niet dat de agenten begonnen waren over Chaim. Eerst de dinsdag maar even afwachten. De meeste ‘ingrediënten’ van de bom konden we gewoon in de supermarkt en bij de drogist kopen. We kozen er voor om dat die ochtend bij verschillende winkels te doen zodat het later ondoenlijk zou zijn om ook maar iets te traceren. Eenmaal weer thuis haalden we het niet al te grote tapijt dat ik in de berging had liggen omdat ik het toch niet meer mooi vond achter het schot vandaan en maakten er een rol van vastgehouden door wat tape. Beth’ auto stond recht voor de deur en in no time was het geheel in de kofferbak verdwenen.

Ik zette koffie en even later zaten we broodjes te eten met latte en espresso er bij en bespraken het maken van de bom. Echt ingewikkeld was het allemaal niet maar we wilden geen fouten maken dus overhoorden we elkaar over de constructie zoals die ons was uitgelegd in het kantoortje bij de fabriek van Sunil. Het enige dat we toegespeeld hadden gekregen en wat we niet zelf kochten of maakten waren de ontsteking en vijfenveertig gram Semtex-A, een plastic explosief dat genoeg was om een auto op te blazen en bij montage onder de bodemplaat ter hoogte van het differentieel zouden de passagiers grote kans lopen om zich voortaan in een rolstoel te moeten verplaatsen. Het goedje dat voor de helft uit pentriet en de andere helft uit cycloniet bestond kwam uit een partijtje dat Sunil had weten te bemachtigen via ‘connecties’ die hij voor ons verborgen hield. We wilden het ook niet weten want dat het niet allemaal zuivere koffie was in de strijd tegen de vrouwenhandel was ons in dat kantoortje wel duidelijk geworden.

De ontsteking bestond uit een aangepaste gsm telefoon met een alternatieve batterij die als detonater moest werken en zou ontploffen zodra het gsm nummer gebeld werd. Het apparaat zou op de plak Semtex-A worden vastgezet met tape en omhuld worden met schuimrubber zodat al te harde schokken van de auto de boel niet zouden doen ontploffen. Het leek allemaal eenvoudig om te maken en zonder al teveel risico totdat Beth ineens terloops een opmerking plaatste.

‘Wat nu als er iemand per ongeluk het verkeerde nummer kiest en dit nummer intoetst?’
‘Eh. Shit. Volgens mij knalt ie dan.’
‘Nee hoor dat doet ie niet.’
‘Wat? Hoezo dan? Hij gaat toch af als er gebeld wordt?’
‘Niet helemaal.’
‘O?’
‘Hij gaat af als er twee keer gebeld wordt met tussenpozen van vijf seconden. Dus drie keer over laten gaan en dan ophangen, vijf seconden wachten, weer bellen en weer en meteen ophangen na 1 keer overgaan. Dàn pas is er vuurwerk. Tenminste dat staat hier.’
‘Omslachtig.’
‘ja, maar ook veilig Kat.’
‘Wel stoer eigenlijk, onze eerste bom.’
‘Pardon? Onze eerste? Was je van plan een bedrijfje te beginnen of zo?’
‘Ja tuurlijk: ‘KJB voor al uw bommen en granaten.’
‘O ja tuurlijk en dan alle boeven opblazen.’
‘En de tweede kamer. Zijn we tenminste ook van de kunstbezuinigingen af.’
‘Zo kan die wel weer Beth.’

De Semtex-A ende ontsteking zouden volgens Sunil al op gescheiden plaatsen in het huis van Beth aanwezig zijn. Weer andere ‘vrienden’ waren ingehuurd om het af te leveren bij Beth twee dagen na onze terugkeer in Nederland, op diezelfde dag dus waarop wij rustig over het bommen maken spraken met een kop koffie in de hand.

‘Beth, ik neem aan dat je dat kleed alleen wegbrengt? Lijkt me niet handig als ik me in de buurt van jouw huis vertoon, toch?’
‘Hoe dat zo? De politie weet dat we vriendinnen zijn. Alleen Jolanda en de anderen weten het nog niet.’
‘Eigenlijk wil ik dat zo laten tot na de aanslag. Het zou mij niet verbazen als de anderen het afblazen als ze dit horen.’
‘Nou dat zal wel meevallen denk ik. Ik maak er meer zorgen over hoe we in hemelsnaam die week na de aanslag doorkomen zonder elkaar te zien.’
‘Hoe bedoel je schat?’
‘Nou ja, het lijkt mij verstandig om elkaar een paar dagen niet te zien want die aanslag zal wel voor de nodige heisa zorgen.’
‘Maar niemand kan ons er toch aan koppelen?’
‘Nu nog niet nee. Maar of dat zo blijft. Misschien maken we wel een stomme fout, of doet één van die Nepalezen dat. En dan kunnen we maar beter los van elkaar zijn.’
‘Misschien wel maar ik heb eigenlijk een ander idee om dat op te lossen.’
‘O, vertel?’
‘Nou kijk we zitten toch in Brussel die dag? Tenminste dat is de bedoeling dat iedereen om ons heen weet dat we daar zijn in plaats van in 020.’
‘Ja, en?’
‘Als we nu zorgen dat we na de aanslag als de donder écht naar Brussel gaan. Wij samen. Jolanda blijft in de stad want die moet aan een kunstproject werken voor één of andere expositie in Delftshaven. Dus wij hebben vrij spel. We gaan dan met de gewone trein zodat we niks hoeven reserveren en we zorgen dat er in plaats van alleen voor de zestiende we ook op de zeventiende daar kunnen verblijven, tenminste volgens de gegevens van het hotel daar.’
‘Maar hoe had jij dan de timing precies in gedachten want het wordt nu wel wat anders dan we eigenlijk gepland hadden.’
‘Ja Kat, maar ik denk dat wij tweeën ons eigen plan moeten trekken willen we veilig samen verder kunnen gaan. Wat dacht je ervan als we het zo zouden doen. De zestiende ’s morgens met de auto naar Brussel, inchecken in het hotel en de auto daar laten. Het is een hotel waar we ongezien naar binnen kunnen en weer weg kunnen. Dan met de trein naar Amsterdam en dan overnachten bij Jolanda nadat we ’s avonds de bom onder de auto geplaatst hebben. De zeventiende pik ik alleen de auto op en ga dan op de juiste tijd naar de parkeergarage waar de auto van die klootzakken staat met de bom er onder om te wachten tot ze wegrijden. Ik volg die lui alleen en laat de poging op de Torontobrug voor wat die is. Op het Prins Bernhardplein trigger jij de bom vanuit Dauphine zodra de mannen op de rotonde rijden. Vanaf de eerste etage heb je vrij zicht op de rotonde. Ik rij de rotonde af naar Dauphine en zet de auto volgens plan op de parkeerplaats achter het restaurant en ga koffie drinken beneden. Dan wachten we totdat we zeker weten dat de auto ontploft is en die gasten niet weg zijn gekomen, pakken de auto en rijden zoals afgesproken naar de Ysbreeker. ‘
‘Klinkt doordacht maar waarom rij jij dan eigenlijk nog achter die kerels aan dan?’
‘Voor het geval dat er vertraging is omdat ze van mijn part sigaretten moeten halen of voor als ze een andere route nemen. Mocht dat gebeuren dan doe ik het alleen op een punt waar het ’t veiligst is.’
‘Weet Sunil dit? En Jolanda?’
‘Nee, ik bedacht het me vannacht toen ik je neukte.’
‘Bitch dat je bent! Idiote gestoorde mafketel. Dus als we seks hebben bedenkt jij moordplannen. Nee, die is lekker hoor.’

We schoten in de lach maar werden even snel ook weer serieus.

‘Ok, nou het klinkt allemaal goed maar wat gaan we nu dan precies doen na de aanslag?’
‘Nou kijk. We melden ons af in de Ysbreeker, grote kans dat er dan aardig wat politie op de been is en er een helikopter cirkelt. De telefoon hebben we gesloopt en in de Amstel gegooid dus ze kunnen ons niet meer aan de hand van dat ding traceren. Verder zijn we niet eens in de directe nabijheid van de ontploffing geweest en ook niet samen. Dus we kunnen kalmpjes aan doen dan. Vervolgens pakken we de trein naar Brussel naar ons hotel daar en neuken de veren uit het bed. Dan op de achttiende vertrekken we met mijn auto naar de Ardennen, naar klein hotel dat ik weet te liggen aan een meertje met een watermolen dat zo fucking romantisch is dat je daar nooit meer weg wilt om daar de rest van de week te blijven. Daarna gaan we gewoon op ons dooie akkertje naar huis. Wat denk je? Is dat wat?’

Beth keek me glunderend aan. Té glunderend, ze had het verdomme allemaal perfect uitgedacht. Té perfect en te aanlokkelijk om er niet in mee te gaan.

‘En jij dacht dat ik daar zomaar in mee ga?’
‘Ja natuurlijk. Je wilt immers niks liever dan mij dagelijks je bed in sleuren?’
‘Nou jongedame, dat gaan we dus echt niet zomaar even doen.’

Beth keek me stomverbaasd aan.

‘O?’

Ze klonk teleurgesteld.

‘Nee natuurlijk niet. Wat denk je nou zeg. Het is allemaal super link en ik heb geen zin gesnapt te worden. Dus dit is niet goed.’
‘Wat is er mis dan? Alles is helemaal uitgedacht hoor en ik zou echt niet weten wat er niet goed aan is.’
‘Nou heel simpel, als jij denkt dat een love nest van een weekje in de Ardennen genoeg is dan heb je het helemaal mis. Ik heb minimaal twee weken nodig om er achter te komen welke standjes en perverse seks jij allemaal lekker vindt. Dus moeten er twee weken vakantie zijn en moeten we de jaarwisseling maar met ander soort vuurwerk vieren. In bed wat mij betreft en met champagne.’

De volgende dag verliep zoals gepland. Beth bracht het tapijt naar haar huis om de schroeivlek af te dekken nadat ze die had geschuurd en met bijenwas geprobeerd onzichtbaar te maken wat volgens haar maar matig gelukt was. Ze had ook gekeken of er bij Chaim’s huis iets bijzonders te zien was maar dat was niet zo gelukkig. Haar eigen huis was precies zoals we het achter gelaten hadden.
Onderwijl kon ik mijn eigen etage eens goed onderhanden nemen en flink schoonmaken. Doing the domestics is zo’n beetje mijn persoonlijke therapie tegen paniekaanvallen dus ik stortte me met zeepsop dweilen en op mijn vloeren en kasten. De slaapkamer pakt ik aan en ontruimde een kast zodat Beth haar spulletjes er in kon doen. De grote kus van Klimt tegenover mijn bed werd voorzien van een spotlight en de daarnaast hangende poster ‘Kiss’ van twee lesbische meiden in een lijst gehangen. Op het plafond plakte ik glow in the dark sterren in een spiraal en om mijn bed hing ik toch maar weer mijn vlasgordijn op. Na Barb moest mijn slaapkamer weer een boudoir worden. Op tactische plaatsen zette ik kaarsen neer en ondertussen ruimde ik alle rommel en rondslingerende kleren op. Na de slaapkamer was de huiskamer aan de beurt. Ik stak een stokje sandelhout wierook aan want daar voelde ik me altijd prettig door en brandde een waxinelichtje voor mijn altaartje met Shiva, rozen, water, rijst en een foto van mijn ouders.

Sinds een paar jaar had ik een eigen symbolentaal ontwikkeld om mezelf op te peppen. Daarin kwam elementen uit Hindoeïsme en Boeddhisme samen met allerlei andere zaken.
De dansende Shiva Nataraja inspireerde me want ik hield die voor een universele verbeelding van de contante verandering die de basis vormde voor mijn leven en mijn werk. De gedroogde rozen in verschillende tinten stonden voor de liefde in al haar vormen, het water voor de kracht om te leven en de rijst voor de voeding die ik daar bij nodig had. Het branden van kaarsen voor mensen die belangrijk voor me zijn is een gewoonte geworden en twee keer per week werd er een kaarsje geofferd aan mijn overleden ouders. Aangezien mijn moeder aan het begin van de zomer het tijdelijke voor het eeuwige had verwisseld was de gedachte aan haar nog erg intens. In zekere zin rouwde ik nog steeds, zij het dat het een milde rouw was. De handelingen die bij mijn ritueel hoorden verrichte ik instrumenteel in alle rust. Ze hielpen me om rustig te worden want ik voelde de spanning in heel mijn lijf.
Op de gang scheurde ik november van het jaar af om december te onthullen. Morgen zou het 1 december zijn. Nog zestien dagen te gaan voordat ik mensen zou gaan verminken voor de rest van hun leven. En misschien, als de bom te groot was, ze vermoorden. Want ik vertrouwde er niet helemaal op dat ons bommetje klein genoeg was om niet een moordwapen te zijn. Wat wist ik nu eenmaal van bommen af? In plaats van een soort wreker voelde ik me een terrorist.
De wierook was al uren gedoofd en tot fijne grijze as vervallen toen Beth weer voor de deur stond. Na een glas wijn verdwenen we de slaapkamer in. Moe, te moe om te vrijen.

Alice © 2010