Eline

DEM

Hugo schreef deze prachtige tekst over onze evenzo prachtige ontmoeting in Antwerpen in het kader van het project ‘Date Ex Machina’ van het Belgisch literaire tijdschrijft ‘Deus Ex Machina’. De tekst vind ik zo mooi geschreven dat ik deze met veel genoegen hier herplaats. Eline is Hugo dankbaar voor dit literaire cadeau.

~

Tempus Ex Machina

Haar rode hoed verraadt waar ze vandaan komt. Ze heeft 131 jaar gereisd om mij te ontmoeten. De plaats van afspraak is goed gekozen. Het majes-tueuze uurwerk boven het buffet van de Antwerpse Middenstatie trekt haar aandacht. Haar mondhoeken vibreren mee met de schok waarmee de grote wijzer zichzelf verzet. Deze Spoorwegkathedraal bewaart op zijn gelaat de trekken van zijn geboortetijd. Ik ontmoet een Facebookvriendin in levende lijve. Ik schenk haar mijn uitgestoken hand en voltooi mijn verwelkoming met een dunne wangkus, zoals een man zijn zuster begroet. Een bang parfum bespeur ik niet.

Mijn gestrekte vingers nodigen uit. In haar ogen lees ik welke zitplaats haar voorkeur geniet. Ze verkiest geen damesplek tegen de lambrisering van waaruit zij de ruimte kan overzien en de aandacht in haar richting in zich opnemen. Gracieus neemt zij haar hoed af en legt die samen met haar fluwelen mantel op een lege stoel. Haar koffertje zet ze naast de tafel. We schikken ons in het midden van Le Royal Café, de stationsrestauratie van Antwerpen-Centraal. Ik gun haar het uitzicht op de wandklok waarop de geschiedenis niet verstrijkt maar verspringt van minuut tot minuut.

Het appelgebak met slagroom klieft ze met rechterhand; de caffè latte nuttigt zij zonder gestrekte pink. Nonchalant betreedt ze mijn tijdsgewricht; zelfs haar sieraden zijn gepast voor het moment. We spreken over Facebook en het vervagen van grenzen. Afstand in denken is een grotere bezoeking dan eender welk verschil in levensmijlen.

‘Mag ik je Eline noemen?’

Ze neigt haar hoofd welwillend. Ik bloos. Ik ben vaker jarig geweest dan zij, weet ze. Maar toch: in haar eeuw was ik nog bijlange niet geboren. Ze verdient mijn egards, bovendien is haar oeuvre groter dan het mijne.

Ik overhandig het boek dat ik voor haar heb meegebracht. Voor mij gaat ‘Godenslaap’ over een oude vrouw die vertelt over haar liefde en ontrouw tijdens de ‘Groote Oorlog’; voor Eline is het een roman over haar toekomst.

‘‘Ach… gunst… ’14–’18…? Wat bijzonder… en dit verhaal is geschreven door een man?!’

‘Het gaat over schrijverschap.’

‘Dankjewel.’

Eline opent het deksel van haar koffertje en beantwoordt mijn aandenken met een roman van haar eigen hand: een literaire getuigenis over een volksverstrooiing in een verafgelegen tijd en ruimte.

‘Schrijf jij in het Engels?’

‘Ook.’

Ik stel voor om te lunchen in de stad. Ze neemt haar hoed en mantel. Dat rood staat haar goed en het fluweel van haar lange jas oogt avant-garde. Terwijl ze naar haar koffertje buigt, vraag ik mij af wie haar korset heeft aangesnoerd. Opeens denk ik aan baleinen, oceanen en abiotische milieu-factoren zoals weer en wind.

‘De opwarming van het klimaat laat op zich wachten.’

‘Waar gaan we heen?’

‘Brussel is mij vertrouwd,’ hoest ik terwijl ik al bij voorbaat naar mijn sigaretten tast, ‘maar in deze stad ben ik net zo vreemd als jij.’

‘Ik ben hier ooit eerder geweest, lang geleden.’

Haar mondhoeken vibreren opnieuw zoals de grote wijzer op de klok. We verlaten de Middenstatie door de zijuitgang. Via Keizerlei en Meir schrijden wij richting centrum. Eline vergelijkt het statige stedelijk erfgoed met het Londen van Victoria. Ze wil een kunstenaarsgroep oprichten in Bloomsbury, een wijk nabij Camden. Ze heeft er al over gesproken met Leslie Stephen, maar voorlopig had haar redacteur zijn handen vol met zijn pas geboren dochter Adeline Virginia.

‘Virginia Woolf?’

‘Nee, Stephen.’

Ik haal mijn schouders op. Hoe kan het bestaan dat iemand uit haar tijd een Facebook account heeft? Ik onderdruk de vraag. Het wordt hoogtijd om iets te eten. Een Italiaan wil ik haar niet aandoen. Aan de overkant lonkt een beter etablissement. De keuken blijkt nog open en het aanbod aan absint baart een blije kriebel in Eline’s onderbuik. In afwachting van een vrije tafel  bestellen we beiden een bolleke. Nog voor het nippen krijgen we een plaats toegewezen bij de lambrisering onder de wandspiegel. Ik houd mijn pas in. Ik wil weten of zij verlangt naar omringende aandacht. Ze aarzelt. Ik laat haar geen keuze. Ze neemt plaats onder de spiegel. De Antwerpse stoverij smaakt er niet minder om. Eline ontpopt.

‘Het valt niet altijd mee.’

‘Die spiegel boven je…’

‘De mensen zeggen…’

‘Als we daarin nu eens een foto maakten van onze ontmoeting…’

‘De idee is goed. Of zeg jij “het” idee?’

‘Beide is juist, maar ik voel een nuance…’

‘Welke?’

‘De mensen zeggen wat?’

‘Ze zeggen dat ik mijn kinderen te kort doe.’

‘Kinderen?’

‘Ik ben vader van drie.’

‘Vader?’

‘Ja.’

‘…’

‘Ik was man. Onderweg ben ik vrouw geworden.’

‘Vandaag?’

‘Zo snel gaat dat niet.’

Ik doop een frietje in het mayonaisepotje. Op Facebook is de scheiding tussen waarheid en fictie als caffè latte; je weet nooit waar de melk ophoudt en de koffie begint. Oog in oog spreken we verder over leven, liefde en dood. Haar tijdgeest stemt tot bezinning over de mijne. Mijn voorgeschiedenis is haar werkelijkheid. Als dessert wensen wij nog een bolleke. Daarna opent zij andermaal haar koffertje. Ze neemt haar camera obscura ter hand en maakt een fotografie van onze ontmoeting via de spiegel aan de wand.

‘Komaan, Eline, ik ken nog een bruin café op de Grote Markt.’

Ze gaat maar wat graag mee. We drinken nog een glas of twee en dat geeft me een idee. We kuieren uitgelaten naar een hallucinante plek. Daar dalen  we af. Twee ellenlange oude roltrappen brengen ons knarsend naar benêe. Daar begint de tunnel, de lange, magische tunnel naar de moderne tijd op linkeroever. Je kan er te voet naar toe. Eline legt het wormgat vast op de gevoelige plaat. Verder gaat ze niet. Ik bied haar bijna mijn arm om haar terug te leiden naar het spoor. Haar rode hoed vertelt me haar bestemming. Ik vraag me af wat voor weer het zou zijn in Den Haag. Mijn ‘date ex machina’ keert terug naar het Valkenbosplein in haar eigen tijd. Morgen tref ik haar weer op Facebook.

 

© Hugo Schellekens, 3 april 2013

Advertenties

Date ex machina

Magica ex machina.

De wekker liet zich te vroeg horen. De avond ervoor had langer geduurd dan ze zich herinnerde en de hoeveelheid rode wijn was evenzo meer geweest. Althans, zo liet haar hoofd haar weten. De klok, nee de kalender, was mentaal zo’n slordige 120 jaren teruggezet in de nacht. Geen aprilgrap, wel 1 april.

Het kwam door zoiets eenentwintigste eeuws als Facebook. Tijdens het kleeden en thee zetten bedacht ze dat ze de man nooit eerder ‘in the flesh’ getroffen had. Hij was tot dan een profielfoto en een verzameling gevatte commentaren en conversaties geweest. Charmant in tekst. Het idee voor een ontmoeting bestond al eerder en, eerlijk is eerlijk, was ook al gepland voor een later, zonniger en warmer, moment.

Hugo. Een mooie stevige naam. Lekker kort, beetje vierkant maar met een vriendelijke klank.

Tot dan toe waren de uitwisselingen beperkt geweest tot het literair vliegen afvangen, het uitruilen van kwinkslagen op statusmeldingen en het bewonderen van foto’s met, zonder uitzondering, een nostalgische lading. De man hield van wat de modernisten ‘vintage’ noemen. Zij zelf ook. Het was een foto geweest van een raar autootje, een driewieler met enige verwantschap met een cicade, of een cockpit van een oude Spitfire. Het ding was gemaakt door Messerschmidt en natuurlijk was er de verrassing geweest dat een dame als zij zo’n ding bij naam en toenaam kon benoemen. Een tweetal telefoongesprekken waren het gevolg èn het zalige plan zo’n karretje te bekomen teneinde ergens langs de kust daar een pier mee te berijden. En toen kwam er dat olijke plan van Deus Ex Machina: ‘date ex machina’.

date ex machina

Als een waar tijdreizigster was het vanzelfsprekend gebleken af te reizen naar Vlaanderen. Antwerpen om precies te zijn. Een niet echt vanzelfsprekende plaats voor een Haagse maar gegeven de psychologische ligging halverwege Brussel en Den Haag, de enige plaats die in aanmerking zou kunnen komen voor een afspraakje. Post Victoriaans bezien was het geen afspraak en al helemaal geen date. Dat soort zaken zijn respectievelijk twintigste en eenentwintigste eeuws. Het was eerder een tête à tête. Zonder chaperonne. De gekozen locatie, hoe kan het ook anders met tijdreizigers, was natuurlijk de restauratie van de spoorwegkathedraal van Antwerpen. Een passender plek bestond niet. Een passender datum overigens niet. De zon scheen zelfs.

Na de thee kwam de koffie en een croissant. De bakjes van de kat vulden zich met zalm, niet bepaald een prettig luchtje zo in de ochtend, en water. Een spiegelmoment verzekerde haar van zichzelf en na wat twijfel over passende kleding en hakhoogte verdween ze in haar jas en onder een bolhoedje. Tijdreizigers dragen hoeden immers. De tram kraakte en piepte als een eeuw geleden en de trein vertrok van een station dat zich in zekere zin kon meten met dat van de bestemming van de trein. Ze reisde van Holland Spoor naar Vlaamse trots, het klonk als een boektitel. Geen Fyra te bekennen, dat was vooral geruststellend. Geen vertraging ook. Overstappen in Roosendaal, deze keer geen roepende negotiant met karretje met koffie en koeken op het perron. Die was immers in de tijd verdwenen. Enkele hoofdstukken later dook haar trein ondergronds om aan te komen in het Antwerpse ruimtestation. Captain Kirk was nergens te bekennen, net zo min als Mister Spock. Het verbaasde haar opnieuw welk een wandeling en klim er nodig bleek om in de kathedraal te komen. Eenmaal daar echter bleek de tijdreis er op te zitten. De brede marmeren, of waren het granieten, trappen brachten haar naar de restauratie. ‘Le Royal Cafe’ staat er boven de toegangsdeur. Iets deed haar bedenken dat er eigenlijke ‘Le Café Royal’ zou moeten zijn, ze twijfelde.

Drie seconden waren er nodig om de brede lach en de opgestoken hand van haar amice te zien. Dertig seconden om gezamenlijk te landen aan een tafeltje ergens in het midden van het etablissement. De plaatsing was zodanig dat het haar lukte om de wijzer van de immense klok in de even immense spiegel op het halve uur een sprongetje te zien maken en al vibrerend tot stilstand te zien komen. Het was half twee. Een dame wenst overzicht te hebben.

Beleefdheden en grapjes werden uitgewisseld. Tot wederzijds genoegen. Goede koffie en een side-dish vergezelden hen. Niet lang duurde het voordat de boeken op tafel kwamen. Hij had een bijzonder boek meegenomen, een boek over een oude vrouw die schrijft, van een mannelijke auteur, een leeftijdsgenoot. ‘Godenslaap’ geschreven in 2008 door Erwin Mortier had het voor hem gewonnen van onder meer de Brontë’s. Omwille van het tijdreizen. Zij had, uiteraard, haar laatst geschreven roman meegenomen. Van ‘The old man and the sea’ van Hemingway kon ze immers onmogelijk scheiden en hoe kon trouwens een verhaal van een andere schrijver meer geliefd zijn dan het boek dat je zelf schreef?

Een middag, een goede maaltijd, vele gespreksonderwerpen, een stadswandeling, een bezoek aan (natuurlijk) Den Engel op de markt en een blik in de Scheldetunnel verder, eindigde de ontmoeting waar die begon. Zelfs een val kon niet voorkomen dat ze aan hetzelfde tafeltje in het station zaten. Want cirkels zijn rond en het is belangrijk om wat mooi is begonnen, mooi af te ronden. Een vervolg zal er zeker en vast (of is het ‘vast en zeker’?) komen. In Brussel. In ‘s-Gravenhage. Aan het begin van de avond wandelde ze wederom het ruimteschip in om terecht te komen in een trein. Naar een station in het Haagse. Naar een piepende tram. Naar een kamer waar een kat ongeduldig wachtte. De zalm was op. Het was gegaan zoals ze verwacht had. Een heerlijke dag, een pracht ontmoeting, twee geesten die verwant bleken te zijn, plezier en aandacht voor de schoonheid van het verleden en bedachtzaamheid over het heden. Een ontmoeting ook die welzeker niet alleen een vervolg verdient maar het grote genot van het lezen van een prachtboek dat in de tas mee terug reisde opleverde.

Alice Anna Verheij ontmoette Hugo Schellekens in het kader van ‘date ex machina’ en het werd bovenal een ‘magical date’.

© Alice Anna Verheij