Brief aan mijn moeder.

Den Haag , 1 juli 2013

Mam, lieverd,

Op de een of andere wijze, en ik weet niet precies hoe dat werkt, mis ik je ieder jaar meer dan het jaar er voor. Drie jaar geleden was je er nog. Je vocht voor je leven. Nou ja, eigenlijk vocht je om dat leven te laten eindigen. Het was begonnen rond deze tijd in het jaar. Juli zou je in gaan maar niet uit komen. Je was te ziek. Het was alsof je kromp, afnam in proporties tot er uiteindelijk een mens over was die transparant geworden was. Zelfs je ogen.

Het duurde nog geen twee weken maar toen had je gerealiseerd wat je besloten had te doen. Je was verstorven. Ongelijk kan ik je natuurlijk niet geven maar ik moet je wel laten weten dat het de vreselijkste ervaring in mijn leven was. De laatste dagen mocht er niemand bij je komen. We, ik, mochten niet aan je bed komen. Sterven deed je alleen. De laatste adem van pa hebben we niet meegekregen, dat ging te plotseling. De laatste adem van jou heb ik ook niet meegekregen. En dat doet pijn. Heel erg veel pijn. Het is alsof je me ontstolen bent en in zekere zin is dat ook zo. Er is niets zoveel ergers te bedenken dan je moeder langzaam te zien sterven door een rond raampje in de deur van een kil ziekenhuis.

Ieder jaar als juli komt ben je er weer, ieder jaar nadrukkelijker.

Je begrafenis had je ook geregeld, weet je nog? Zo was je. Was het een soort revanche op het leven die je nam? Was het een terechtwijzing omdat wij, je kinderen, niet in staat waren om op een lijn te blijven in onze zo verschillende levens? Was het een verzetsdaad? Was het omdat je niet wou dat iemand iets in jou ogen verkeerds zei? We hielden toch van je? We mochten niet spreken op je begrafenis. Er mochten veel mensen niet bij zijn. Het moest snel en ongezien gaan. Achteloos. Zo voelde het. Maar ja als dochter van je moeder je niet kunnen uitspreken op haar begrafenis is een ontkenning van moederliefde. Voor mij voelde het alsof ik beschuldigd was van een misdrijf dat ik niet begaan had. Veroordeeld tot zwijgen en toezien zonder een kans op hoger beroep. Het was traumatisch die dag. Dat de doodgraver, of hoe heet zo’n man, je naam verkeerd uitsprak was een onvergetelijk en verschrikkelijk pijnlijk moment dat gebeiteld is in mijn geheugen. Maar ook een tekenend moment.

Nog steeds ben ik niet in het reine ermee. Ik kan niet begrijpen dat je me daags ervoor, toen je bewustzijn er nog was, een goed kind noemde, maar me wel postuum mijn rouw ontnam. Gerouwd heb ik toch, natuurlijk. Want mam, ik heb zoveel van je gehouden. Ik kon niet anders dan me in traditionele diepe rouw hullen, zoals ik ieder jaar op je sterfdag zwart draag. Ook straks weer. Je zal het misschien niet altijd gevoeld hebben en gedacht hebben dat ik vond dat je de goede keuzes maakte in je leven, maar dat is voor mij toch echt anders. Waar andere mensen zeggen dat ze geweldige ouders hadden zeg ik dat ook, maar ik zeg er wel bij dat ik vind dat ze grote fouten maakten. Zoals ieder mens in het leven fouten maakt en ik niet in het minst. Waarom dan die onvergeeflijke houding? Die onmogelijkheid om als iemand het verpest had ooit weer tot elkaar te komen. Mij heeft het niet getroffen behalve in die laatste dagen, maar anderen wel. Soms decennia lang. Was het dan echt zo moeilijk om mensen te vergeven? Ik begrijp dat niet. In mijn leven zijn er ook mensen die mij groot onrecht hebben aangedaan of tot in mijn ziel hebben gekwetst. En natuurlijk is er dan boosheid. Maar nooit genoeg om niet na een tijdje de deur open te zetten en te praten als die ander daarom vraagt. Het mentale corset wat je me omgedaan had die dagen was te strak, het benam me de adem en liet me achter met verdriet èn met boosheid en onbegrip voor je keuze. Vergeven is iets wat ik ieder mens toewens als capaciteit, zeker op het sterfbed.

Dat vermogen bezat je niet en dat vind ik tragisch maar ik kan je dat niet verwijten. Het enige dat blijft is het verdriet dat het zo was. Dat je jezelf en anderen zoveel ontzegd hebt terwijl je zo een lieve vrouw was, zo’n schat van een moeder. Het argument dat sommigen gebruikten dat het een gevold van je ziekte was is voor mij niet genoeg. Ik weet dat het niet waar is, ik ken je te goed. Natuurlijk, je was zo ziek die laatste jaren en vooral die laatste maanden, weken en dagen. Hartverscheurend ziek. En precies dat is gebeurt, mijn hart is toen verscheurd en ik ben nog steeds de stukjes bij elkaar aan het zoeken en aan elkaar aan het plakken. Maar er missen stukjes. Er zijn snippers weg en ik weet niet waar ik die moet zoeken. Ieder jaar, als juli komt, zitten de tranen dichter achter mijn ogen. Nu ook weer. Ik heb pijn mam want ik mis je zo verschrikkelijk. Ik mis de dagen dat we elkaar zagen en gewoon pleziertjes hadden, hoe klein ook. En ik mis je te kunnen vertellen wat voor gekkigheid ik nu weer doe. Ik mis dat je trots op me bent, dat heb je me te weinig laten weten en dat maakt een mens onzeker. Dat beschadigt.

Het is hoog tijd dat ik je dit maar eens schrijf want het zit me al zolang hoog. Alle afleiding in mijn leven ten spijt blijft deze tijd in het jaar me in toenemende mate bezwaren. Over zestien dagen ben je weer gestorven. Voor het derde jaar. En voel ik me weer een beetje meer verweesd dan het jaar er voor, want het wordt niet lichter maar zwaarder ieder jaar. Er is te veel onbeantwoord, het gat is te groot. Ik mis je teveel mam. Ik wou dat dat beeld van jou in die kamer, gezien door dat ronde raampje van die vreselijke deur, er niet meer was.

Heel veel liefs, waar je ook bent, ik weet dat je dit leest,

Alice Anna

Geleende gedachten.

Dezer dagen gebeurt er meer in mijn leven dan ik zelf wellicht doorzie. Aan veranderingen ben ik gewend. Aan nederigheid en het accepteren van iets wat men lot noemt ook. Ik ben gewend geraakt aan niet verwezenlijkt krijgen waar ik van droom. Aan niet verwerkt krijgen waar ik mee worstel. Ik ben gewoon om niet meer te kunnen leven op een wijze die voor de meeste mensen van mijn generatie eigenlijk de gewoonste zaak van hun wereld is.

Maar hun wereld is niet mijn wereld.

Ik ben gewoon te reizen in mijn hoofd en soms in de realiteit. Altijd speelt het verleden daarbij een rol in een soort samenhang met mijn heden op een vooral ondoorgrondelijke wijze. Ik ruil mijn verdriet, angsten en gebrek uit tegen passie voor wat ik schrijf of fotografeer en vooral met wie ik dat samen doe. Mijn pen, papier, computer, ze zijn mijn gereedschap. Een uitgestelde mond die pas spreekt wanneer een ander me leest. Nooit is dat op het moment dat mijn handen vastleggen wat mijn gedachten mij vertellen. En zelden spreek ik mijn diepste gedachten uit, hoe intiem mijn tekst soms ook lijkt te zijn voor wie mij leest.

Dat is mijn wereld.

Na jaren intensief schrijven en bouwen aan wat mijn droom is, vecht ik tegen slijtage. Tegen vermoeidheid. Ik vier de kleine victories en mijn ziel poogt zich te verbinden met andere zielen die zijn als ik. Om dat te duiden lees ik verhalen uit de tijd die mij als geen andere tijd intrigeert. Over mensen die mij door hun leefwijze aantrekken. Ik lees hun werk, hun gedachten, hun pijn, hun liefde. Ik lees liefdesbrieven.

Hun wereld is een beetje mijn wereld aan het worden.

vita virginia

Ik heb idolen. Dat is het goede woord. Ernest Hemingway natuurlijk, mijn eeuwige inspiratie. Sinds een tijdje lees ik de boeken van Vita Sackville-West en Virginia Woolf’s werk. De afgelopen tijd heb ik hun liefdesbrieven gelezen en ben daar diep door geraakt. Want ik herken ze. Ik proef de stille liefde, de verhulde passie, de soms platonische maar o zo vaak nauwelijks verhulde liefde tussen hun geest, hun ziel. En ik herken het. Ik herken dat als mijn eigen gedachten, mijn eigen woorden en mijn eigen stille en ongeschreven teksten. Ik herken hun devote toewijding aan wat zij het liefste deden: schrijven. Ik herken dat zij dat konden door de verbinding die zij met elkaar hadden als vakgenoten, als geliefden hoewel die liefde lang niet geconsumeerd werd in de zin die men tegenwoordig maar al te gemakkelijk ziet als de enige basis waarop mensen zich verbinden met elkaar. Zij waren zo liberaal, zo gesofisticeerd in hun levenswijze. Zo niet angstig voor de consequenties van het helder willen zijn over hun gedachten, gevoelsleven, liefde en kunst.

En ik wil mijn wereld zelf ook zo graag zo ingevuld zien worden.

Niet in alle aspecten, maar wel in een aantal essentiële, is precies ook dat wat er gebeurt. Terwijl dat gebeurt en scheppen in vriendschap en samenwerking de basis is geworden van mijn leven voel ik ook de angst die in hun liefdesbrieven sluimert. De angst om het te verliezen. Wanhoop zelfs soms en vooral de vermoeidheid die het grootst is vlak na het gevecht. Vooral ook het besef dat achter blijft wanneer het gevecht tegen het verzwijgen van het eigen gevoel verloren is.

Dus ben ik gestopt met vechten, aanvaard mijn vermoeidheid na alle jaren, omarm mijn toekomst zoals die zich nu aan mijn ontvouwd en besef dat het mijn gedachten zijn die mijn grootste goed zijn. Tegen de stroom van de ratio in kan ik zeggen dat ik eindelijk van mijzelf hou. Genoeg om verder te kunnen en te willen. Die vermoeidheid zal minderen, de basis steviger worden en ik weet net zo min als Vita en Virginia wisten toen liefdesbrieven tussen hun wisselden hoe het zal eindigen. Ik weet hoe het hun verging. Toch ben ik mijn angst voorbij. Juist nu mijn leven eindelijk de vorm krijgt die het moet hebben, nadat mij na al die jaren en pijn mijzelf duidelijk is geworden wat mijn essentie is. Juist nu blijk ik te mogen vertrouwen op mijzelf, op wat ik maak en hoe ik dat zelf waardeer.

Dit schreef Vita aan Virginia, het passionele antwoord kwam later. Dat antwoord is bekend geworden bij de literaire liefhebbers maar de vraag die het antwoord ontlokte in mindere mate. Daarom citeer ik die tekst hier. Hoe het anderen vergaat die dit lezen weet ik niet maar ik begrijp het alsof ik het zelf geschreven had. Het zijn daarmee geleende gedachten. Ik sta mijzelf dat toe. Voor even. En leg dit opnieuw vast, in een andere tijd en een andere omstandigheid. Voor wie het aan gaat.

…I am reduced to a thing that wants Virginia. I composed a beautiful letter to you in the sleepless nightmare hours of the night, and it has all gone: I just miss you, in a quite simple desperate human way. You, with all your undumb letters, would never write so elementary a phrase as that; perhaps you wouldn’t even feel it. And yet I believe you’ll be sensible of a little gap. But you’d clothe it in so exquisite a phrase that it should lose a little of its reality. Whereas with me it is quite stark: I miss you even more than I could have believed; and I was prepared to miss you a good deal. So this letter is really just a squeal of pain. It is incredible how essential to me you have become. I suppose you are accustomed to people saying these things. Damn you, spoilt creature; I shan’t make you love me any more by giving myself away like this — But oh my dear, I can’t be clever and stand-offish with you: I love you too much for that. Too truly. You have no idea how stand-offish I can be with people I don’t love. I have brought it to a fine art. But you have broken down my defenses. And I don’t really resent it.

© 2013 Alice Anna Verheij

Haat, liefde.

lovehate

Ik gebruik het woord zelden. Nou ja, nooit eigenlijk. Het is me te hard, te gericht op een ander, te agressief. Het is alles wat ik niet wil zijn, wat ik niet wil voelen. Maar er zijn soms momenten dat ik niet om het woord heen kom. Gewoon omdat het op de beste wijze verwoord hoe ik me voel, wat ik voel. Omdat het de beste omschrijving is die ik kan bedenken. Juist door die hardheid, de agressiviteit.

Haat.

Vandaag is de tegenhanger van dat woord de reden dat het zich in me naar boven gevochten heeft. Ik haat. Ik haat het om afscheid te nemen. Iemand te moeten laten gaan omdat dat nu eenmaal het enige is dat mogelijk blijkt. Zelfs als is het voor maar even. Want als je een belangrijk deel van je leven met iemand deelt, en ik bedoel echt deelt, delen in de zin van elkaars diepste en donkerste geheimen kent, elkaars tranen opvangt en samen onbegrensd plezier hebt, dan is het verdomde moeilijk om die persoon te laten gaan. Zelfs als die persoon niet je geliefde is maar misschien de zus die je je hele leven al wenste. Juist wanneer je een andere zus hebt die jouw bestaan in alles ontkent. Op zo’n moment haat ik. Dan haat ik dat moment dat het vliegtuig vertrokken is en de stilte van het niet kunnen delen zich onbarmhartig aan me opdringt.

Het is het haten van het zijn van de goede vriendin, misschien de beste vriendin maar niet dè vriendin. Het is het haten van het leven als een solitair wezen terwijl nu juist het samen leven en beleven zo kenmerkend, zo karakteristiek is voor wie ik ten diepste ben. Ik ben, dat weet ik maar al te goed, niet geschikt om solitair te leven. Dat soort leven is voorbehouden aan herten, gazelles en katten. Maar ik ben een mens. Ik leef bij de gratie van de interactie met anderen. Die interactie is bij sommigen intens en zonder uitzondering is er bij die intense verbinding die ik kan hebben met iemand sprake van liefde. Dat hoeft niet de liefde te zijn zoals geliefden die hebben en – als ze geluk hebben – consumeren. Het is de liefde voor de ander omdat die ander me teruggeeft wat ik zo gemakkelijk zelf weggeef: genegenheid, aandacht, respect, plezier en soms die schouder om even tegen te leunen of om op te kunnen steunen.

Wat onverlet laat dat ik zoveel liever een ‘significante ander’ heb, iemand die onvoorwaardelijk voor me kiest. Maar dat genoegen heb ik niet mogen proeven. Dat is een situatie die ik mij niet meer herinner en die voor mij is gaan behoren tot een sprookje, een onwerkelijke utopie. Een gedroomd doel in mijn leven dat niet bereikt wordt. En dus leef ik als een gazelle of een kat. Ten lange leste, en in tegenstelling tot die gazelle en kat doe ik dat ongewenst. Het is dat leven dat zich manifesteert in een regelmatig terugkerend gevoel dat ik ten diepste haat, het gevoel van peilloze eenzaamheid. Eenzaamheid omdat niet ik degene ben waarnaar teruggekeerd wordt maar degene die uiteindelijk alleen zal staan. Die niet de armen van een ander om zich heen weet. Dat besef is het besef dat de belangrijkste bron in mijn leven niet uitgeput wordt, niet volledig aangesproken wordt. Het is het niet kunnen delen van wat mijn dierbaarste bezit en diepste wezen is:

Liefde.

En zo ligt haat onverbrekelijk verbonden met liefde. Maar er is een troost, al is het een zeer schrale. Die troost is dat ik pijn voel, dat ik mijn gevoel nog weet te vinden, dat ik een afscheid dus haat. Net zo zeer als dat ik het haat dat ik te bang ben om – in een ander geval, bij een ander mens – duidelijk te maken dat ik liefde voel. Iets dat, juist door dat gevoel nooit degene te zijn die verkozen wordt, zo kenmerkend is geworden. Ik ben net zo bang geworden voor liefde als dat ik voor haat al was. Daarover ben ik misschien nog wel het meest verdrietig want het schetst mijn eigen onvermogen. Een onvermogen waarvoor de basis stevig gelegd is door de wonden van mijn verleden, de incidenten in mijn jeugd en de nooit geheelde pijn van het zijn van de uitzondering, de kwetsbare, de onaantrekkelijke, de verlegen, de bange, de te serieuze, de stille en de teruggetrokkene. Degene die me zeggen dat liefde begint met het houden van jezelf hebben me vrees ik nooit echt begrepen. Immers, de meeste van die kenmerken mag ik overwonnen hebben in een gevecht dat al een leven duurt, maar de gevolgen lijken onoverkomenlijk geworden. Ze verwoesten me langzaam maar zeker, hebben een diepe wond geslagen die soms opengereten wordt. Dat is geen somberheid van me, dat is zoals het leven soms verloopt voor sommigen. En ondanks alles, ondanks dit alles, ga ik toch gewoon verder met leven. Morgen lach ik weer. God mag weten waarom.

© 2013 Alice Anna Verheij

Pleister

pleister

Doe me een pleister wil je
op mijn wonde
aan mijn hart
en op mijn hoofd
dat ik brak en stootte
aan jouw liefde
en mijn onvermogen.

Kus me alsjeblieft
op mijn mond
en in mijn hals
of op mijn borst
en vergeet dat ik scheurde
door jouw angst
en mijn stommiteit.

Vrij met me deze nacht
geef me jouw hemel
ontneem me mijn angst
en maak me nieuw
laat me vergeten
want in jouw armen
wil ik verdwijnen.

© 2013 Alice Anna Verheij

Nachtvogel

vogel

Er zingt een vogel in de nacht
heel onverwacht
heel zacht
Net hard genoeg om mij te wekken
Ik luister
en denk waarom zingt hij nou?
Dat doe ik wel een uur lang
Hij zingt zo mooi
een lange solo
maar niemand zingt mee
Het deert hem niet
en net voor ik weer in slaap val
hoor ik in de verte
het antwoord
in spiegelzang
waarop ik tevreden
de ogen sluit
en geniet
alleen

© 2013 Alice Anna Verheij

In the nightly hour

dawnphoto: ‘Waiting’ (Picardie, France) © 2012 Alice Anna Verheij

In the nightly hour

The night may be dark
but that doesn’t mean
words aren’t sentences
or dreams have no place
in my distorted ways

Past hours may be few
yet in this natural day
but that will not mean
words will go astray
or feelings go away

Daylight may not be there
and sounds still hushed
still my flesh is not silent
my desire not speaking
or my heart not beating

You may not be here
my yearning still untold
but distance is artificial
for our hearts to meet
in long postponed deed

I may not say the words
or gaze at you today
even write another letter
cause I’m sure you know
my words will simply flow

Dawn may come soon
after these nightly hours
light washing thoughts
I wish mine could stay
and you think of me today

© 2012 Alice Anna Verheij

Mijn eindeloos verlangen naar geel.

Sangamcwok, Damak, Jhapa in the East terai in Nepal (photo © 2012 Alice Verheij)

Bladerend door de beelden die ik niet los kan laten vecht mijn hoofd met mijn hart een titanengevecht. Een hoofd dat me dwingt om los te laten, als is het maar voor een tijdje, dat in mijn hart gevangen is als de tatoeage in mijn huid. En hoe hart ik het ook probeer, mijn hoods verliest het telkens weer van mijn eindeloos verlangen naar kleuren die hier onvindbaar zijn.

Mijn-eindeloos-verlangen-naar-geel-2.mp3

Mijn eindeloos verlangen naar geel.

Nog immer is het geel gebrand op mijn netvlies
die glans van de uitbundig bloeiende mosterd.
Geen geel ken ik dat in intensiteit zozeer gelijk is
aan het rood van de tika die bij mij gezet werd.

De geur van het veld vast genesteld in mijn neus
mijn vingers voelen ongedacht nog steeds het blad.
Geen zintuig kan nog mijn gevoel ontsnappen
of het eindeloos versmelten met mijn hart.

De dag heeft voor mij allang geen inhoud meer
is onvergelijkbaar met mijn dromen in de nacht.
Mijn ogen spreken niet meer mijn moedertaal
ik verbeid de tijd en leng ongewild mijn wacht.

Ik weiger de gedachte die mij ’t ondenkbare zegt
de angst dat ik verbonden blijf aan deze grond
dwingt mij dat ik mij sterk en dat ik vecht
negeer dat schoonheid mij ernstig heeft verwond.

Geen maand, geen etmaal, geen uur, geen minuut
ja geen seconde laat mijn hart mijn hoofd vrij
het doet mij het juist voelen onder het borstbeen
hamerend, jagend, kloppend, dwingend in mij.

Het geel, dat verzengende geel, zit in mijn hoofd
en zal mij bij leven onmooglijk kunnen verlaten
het maakt mij gek van een onpeilbaar verlangen
naar zand in plaats van stenen op de straten.

Het wachten is te oneerlijk aan het worden
bedrukt me, beneemd me bijna zefls de adem.
Geen vezel in mijn lijf wil hier nog langer zijn
geen cel er van gunt mij nu nog genade.

Mijn hoofd verliest ’n gevecht dat ’t nooit kon winnen
want de donkerte van mijn gedachten sterft versneld
onder de uitbundigheid van de kleur van mijn zinnen
terwijl mijn lijf ’t eindloos verlangen aan mij verteld.

Nog immer is het geel gebrand op mijn netvlies
die glans van de uitbundig bloeiende mosterd
Geen geel bestaat dat in intensiteit gelijk is
aan het rood van de tika door jou bij mij gezet.

Alice © 2012

Ik kus vandaag een crocus.

 

foto: Harold Lloyd – creative commons

Lente

Ik kus vandaag een crocus
die met zijn billen in het gras
en zijn blaadjes in de lucht
knipoogt naar een dikke mus.

Er zingt vandaag een liedje
met mijn stem wat woorden
voor wie er luisteren wil
naar een vrolijk melodietje.

Ik knipoog vandaag naar jou
loerend naar een reactie
hopend op een lieve lach
gewoon omdat ik van je hou.

Alice © 2012

Liedjes stemming.

Verliefde mensen zingen graag liedjes. Ik ben er nu al een tijdje zo eentje. Kan er niks aan doen en dus is er hier nog een lief liedje in het Hollands. Gewoon omdat het heerlijk om zo af en toe liedjes in het Nederlands te schrijven. En dan liefst simpele liedjes zonder al teveel pretenties. Want die zijn voor later. Als ik groot ben en ouder en wijzer. Bij deze hoort een even eenvoudig melodietje. Als je eventjes een beetje doorleest ga je het vanzelf horen.

Ik zou vandaag nog willen gaan

Ik zou vandaag nog willen gaan

en naast jou komen staan

om al is het maar voor even

met jou te mogen leven

Gewoon gelukkig met zijn twee

dan ga ik met je mee

en ik maak dan mooie zinnen

om jou voor mij te winnen

Jij zingt een lied voor mij en dan

weet ik dat het echt nog kan

simpel vrij zijn van het gedoe

kijken wij nog jaren toe

Hoe de wereld zich dan druk maakt

over wie er waarvoor staakt

Dus wil ik straks al naar je gaan

en naast jou komen staan.

Alice © 2012

Je zou weten…

Vandaag is het precies 1 maand sinds ik mijn lief heb moeten achter laten in Nepal. Sinds die trieste dag is zij elk uur, elke minuut en seconde in mijn gedachten en staat mijn leven in het teken van een terugkeer naar haar. Vandaar dat ik vandaag een liefdesliedje uit het prachtige Afrikaans vertaald heb naar het Nederlands en het Engels. Dit lied draag ik op aan haar die mijn hart gevangen heeft en het goed voor mij bewaard tot ik het terug kan gaan halen.

Goed, in het Engels heb ik het liedje ‘Hoe ek voel’ dus al vertaald maar het mooie en vooral lieve liefdesliedje schreeuwt om een Nederlandse versie. Johannes Kerkorrel’s tekst van het Afrikaans naar het Nederlands omzetten is minder vanzelfsprekend dan de verwantschap in taal wellicht suggereert en dus heb ik gekozen voor een benadering van de tekst. De interpretatie van het origineel door Amanda Strijbos heeft mij altijd ontroerd. De laatste ruwe kantjes van mijn tekst heb ik inmiddels weggeslepen zodat dit diamantje ook in het Nederlands echt mooi kan glimmen.

Het verhaal achter het leven van Johannes Kerkorrel is het verhaal van een homoseksuele journalist en artiest die ten tijde van het apartheidsregiem in Zuid Afrika van de radio verbannen werd omdat hij teksten van toenmalig president Botha ironisch gebruikte in zijn teksten. Jaren later heeft hij een einde aan zijn leven gemaakt. Zijn nalatenschap bestaat uit prachtige liedjes met een hoog poëtisch gehalte.

Met een beetje geluk kan ik het morgen aan de vleugel eens zingen om te zien of het klopt met mijn bedoeling. Het origineel is in het hier beneden gepubliceerde YouTube filmpje nog eens te beluisteren. Zo mooi kan Afrikaans zijn!

Dit is het geworden…

Je zou weten…

Als ik je niet kon vertellen
Als ik jou niet kon laten zien
Zou ik een schilder bestellen
En hij zou schilderen misschien
Als hij ’t dan eindelijk voltooid
En af zou maken o zo mooi
Zou je weten, jij zou weten
Al had je het wellicht vergeten
Wat ik voel, wat ik voel, voor jou!

Als ik je niet kon laten zien
Als ik jou niet kon laten lezen
Zou ik kopen een faxmachien
Mijn gedichten laten zien
Wanneer je die ontvangen zou
En lezen en geloven wou
Zou je weten, jij zou weten
Al had je het wellicht vergeten
Wat ik voel, wat ik voel, voor jou!

Als ik je niet kon laten lezen
Als ik jou niet kon laten horen
Zou ik duizend zangers zenden
Die een avondserenade brengen
Je zou dan direct ontwaken
En jouw ramen open maken
Je zou weten, jij zou weten
Al had je het wellicht vergeten
Wat ik voel, wat ik voel, voor jou!

Je zou weten, jij zou dit weten
Je zou dit weten, jij zou weten
En het vast niet meer vergeten
Wat ik voel, wat ik voel, voor jou!

Originele tekst in het Afrikaans: Johannes Kerkorrel
Nederlandse tekst: Alice Verheij © 2012

En mocht iemand denken dat ik dit voor mijn lief gedaan heb dan klopt dat aardig hoewel ik vrees dat ik nog niet in staat ben tot een lied in het Nepalees…

Alice © 2012

Mijn hart schuurt me in de borstkas.

Zoals ik dus al meldde: ik ben verliefd.

Gelukkig is de (on)gelukkige zelf ook verliefd en laten we dat nu op elkaar zijn. Wat wel bijzonder prettig is natuurlijk.
Minder prettig is dat we dat gevoel in stand moeten zien te houden met twee formidabele tegenstanders: tijd en afstand. Einsteiniaans sterke tegenstanders die in staat zijn om de prilheid van de liefde te testen op een onbarmhartig sterke wijze. Want wat doe je als je hart in de handen is van iemand die grof genomen zo’n tienduizend kilomertjes van je verwijderd is.

Precies, je wordt onzeker en verdrietig. Onzeker omdat er altijd die angst is van het aloude ‘uit het oog, uit het hart’ principe  en verdrietig om fysieke afstand net als emotionele afstand een mens verdrietig stemt.

Gelukkig is er dan internet zou je denken maar in rurale gebieden in een berglandje is dat niet iets dat als vanzelfsprekend aanwezig is en al helemaal niet op een manier dat het betaalbaar zou zijn voor mensen die een financieel gezien arm bestaan hebben. Telefoon dan? Bel maar eens die kant op en het is alras duidelijk dat de vertragingstijd van een satelliethop in de verbinding niet bevorderlijk is voor soepele communicatie. Om nog maar niet te spreken van de gebrekkige geluidskwaliteit van dergelijke long distance calls.

En dus zit er niet veel anders op dan het doormaken van wat wijlen mijn moeder een zeemanshuwelijk noemde. Brieven schrijven over en weer, af en toe bellen (ondanks de genoemde bezwaren), emailen (die dan dagen later pas gelezen worden) en uiteindelijk gewoon maar die afstand overbruggen. Als er voldoende pecunia zijn te besteden natuurlijk.

Het zal niet verbazen dat al in de eerste dagen na het betraande afscheid en de daarop volgende ‘thuiskomst’ mijn hart dus in mijn borstkas schuurt. Niet dat ik nu hele nachten lig te huilen of zo of dat ik hele dagen als verdwaasd over straat slenter of – erger – me isoleer in mijn kamer. Nee, dat gebeurt niet maar wel is er die permanente weeheid ergens onder de ribben tussen maag en hart in. Als je ooit verliefd bent geweest herken je het vast wel. Gegeven dat liefde het mooiste geschenk is dat er bestaat ben ik natuurlijk vooral gelukkig met de situatie en zal ik dus de moeilijkheden gewoon maar proberen het hoofd te bieden. Ik ben de enige niet, die ene mooie, leuke, lieve, geweldig aardige, vrolijke, spannende vrouw daar achter de Himalaya zit in hetzelfde schuitje wat dat betreft. Het komt wel goed ga ik maar vanuit.

Liefde, het blijft mooi en moeilijk tegelijk.

Alice © 2012

Trots.

Het is Pride week in Nederland. Nou ja, in Amsterdam hoofdzakelijk. Gay Pride om precies te zijn. Ik was van plan het dit jaar weer eens volledig langs me heen te laten gaan maar zoals zo vaak dwingen omstandigheden me tot iets anders. Wazzup?

Sinds een krap weekje weet ik me versierd door een leuke vrouw. Mooi, Surinaams-Creools. We hebben elkaar ontmoet in mijn stamkroeg, de leukste lesbo tent van Amsterdam. De afgelopen dagen echter bekruipt me twijfel. Twijfel die je hebt als je iemand leuk vind maar er achter komt dat er een paar dingen in de weg staan. Normaal gesproken zijn hindernissen er om op te ruimen maar in dit geval is me inmiddels duidelijk dat het niet gaat lukken deze keer.

Thing is, de dame is wat heftig. Meestal op een leuke manier maar soms schemert er een levensstijl doorheen waar ik niets mee kan. Of mee wil. Gaat er iets mis dan is het steevast de schuld van de ander en na een paar keer gaat mij dat op mijn zenuwen werken. Het wordt dan later wel weer opgelost, maar toch. Het gevoel blijft hangen. Zelfs dat is iets waar ik overheen zou kunnen stappen, als dat alles was. Immers, iedereen heeft wel een ruw kantje en daar ga je dan mee om als je van elkaar houdt.

Maar gisteren ging het wat mij betreft mis en niet zo’n beetje ook. Zoals de meesten hier wel weten ben ik niet alleen lesbisch maar ook transgender (of wat voor foute naam men daar ook aan wil hangen). Geboren in een mannenlijf dus. Nu is dat inmiddels al jaren terug veranderd naar wat het moet zijn en ben ik dus klaar met het gedoe wat daarbij hoort. Voor een lief echter is het altijd weer wennen. Los van de eeuwige ‘wanneer vertel ik het haar vraag’ is er de vraag of ze er mee weet om te gaan. En niet alleen of een lief er mee om kan gaan maar ook of haar omgeving dat kan.

En daar is het weer eens gierend de bocht uitgevlogen. Het hoge woord kwam er al snel uit en dat ging als volgt:

‘Ik wil niet dat je mijn kinderen verteld dat je transgender bent hoor.’
‘Hoe dat zo?’
‘Mijn zoon pikt dan niet en dan is het meteen over tussen ons.’
‘Wat? Hoe bedoel je.’
‘Hij zou het een schande voor de familie vinden.’
‘Doe effe gewoon zeg, dus je vraagt me om terug de kast in te gaan?’
‘Ik wil gewoon niet dat je het mijn kinderen verteld.’
‘Nou sorry, maar dat kan ik niet. Ik schaam me niet voor mezelf hoor.’
‘Ja maar bij ons kan dat niet dus als je niks zegt weet niemand het.’
‘Belachelijk.’
‘Als je het ze verteld dan is het uit tussen ons.’
‘Nou sorry hoor maar ik ga dus echt never nooit terug de kast in. Dat kan helemaal niet trouwens.’
‘Hoezo?’
‘Ik ben all over the internet dus ze komen er toch in no time achter.’
‘O maar ze zoeken niet op internet naar je hoor.’
‘Nee tuurlijk niet. Nou hoor eens, ik ben trots op mezelf en verdom het om me anders voor te doen dan ik ben. Ze zullen er mee moeten dealen.’
‘Nou dat gaan ze echt niet doen.’
‘Dat is dan jammer voor hun maar dit kan ik niet doen en ik vind ook dat je dat niet van me kunt vragen.’
‘Ik wil gewoon niet dat je mijn kinderen verteld hoe je bent, iedereen praat er dan over en mijn zoon vindt dan dat je de familie ten schande maakt.’
‘Dat is dan zijn probleem. Ik zal mezelf nooit verloochenen, sorry maar dat verdom ik.’
‘Dan is het zo uit tussen ons hoor.’
‘Dus je schaamt je voor me?’
‘Ik niet hoor. Maar ik moet er wel aan wennen.’
‘Weinig van gemerkt anders. Van dat wennen. Maar ik kan niet leven met iemand die wil dat ik niet mezelf ben.’
‘Nou laten we het er maar niet meer over hebben.’
‘Onmogelijk.’
‘Ik wil het er niet meer over hebben.’

En toen staakte het gesprek. De dag wikkelde zich af en de bom was in mijn hoofd geplant. Ik heb het nog even geprobeerd hoor maar er viel geen ruimte te vinden. Uiteindelijk heeft het tot de keuze geleid om mee te gaan in haar wens en mezelf te ontkennen of mezelf blijven en niet opgeven. Natuurlijk heb ik voor het laatste gekozen en dus wacht me vandaag de taak duidelijk te maken dat ik niet verder wil in een relatie waar ik niet volledig mezelf kan zijn. Als ze er alsnog mee om kan gaan is er nog een kansje maar in alle eerlijkheid betwijfel ik of ik zelf dit nog wel wil.

Eén ding is me duidelijk geworden: er moet nog zo verdomd veel gebeuren voordat mensen als ik als volwaardig worden gezien door iedereen. Want de bovenstaande conversatie is de gekuiste versie. De werkelijke was naar mij regelrecht discriminerend en dat is wel een rare ervaring als de ander een Creoolse is die zelf al snel roept dat ze gediscrimineerd wordt op momenten dat ze een stommiteit begaat. Maak ik de goede keuze door deze prille relatie in de knop te breken hierom? Ik weet het niet maar ik voel dat ik niet anders kan en ik ben op mijn gevoel gaan vertrouwen wat dat betreft.

Zaterdag ga ik dus gewoon naar de Pride. Genieten van mijn mensen en mezelf zijn. Gewoon zoals het hoort: trots, mooi en – helaas – single.

Alice © 2011

Winterwarmte

Een zomer, zomaar voorbij.
Gevlogen, verwaaid, verdwenen.
Als een zucht is ze vergaan
en mij amper opgevallen.
Maanden vergleden terwijl ik,
met het hoofd gebogen,
de zon me niet liet verwarmen.
Tot de herfst met haar zachtkoper licht.

De onverhoeds tijdelijke toekomst,
met plannen nu al weer verdwenen
als gedachten uit een oude tijd.
Alsof het alleen zo mag zijn.

Geen spijt, zelfs geen twijfel,
maar een zwaar hart dat klopt.
En zintuigen die me dwingen om te
scheppen als een medicijn.
Verdwijn ik in de winterwarmte
die als een loden jas me past.
Hunkerend naar een lief licht
mij zo plotseling geschonken.

Laat me voelen dat ik leef.

Alice © 2010